“Er zijn meer dan zwarte bladzijdes in de geschiedenis”
Ann Rigney over hoe het herdenken van hoop houvast geeft in de wereld van nu
Het woord herdenken roept vooral het beeld op van oorlog en massaal geweld. Maar wanneer de geschiedenis alleen maar wordt gezien als een ketting van dingen die misgegaan zijn, kan diezelfde geschiedenis nooit als inspiratie dienen voor hoe het ook kan. Dat is niet alleen onverstandig, maar ook onjuist, weet emeritus hoogleraar Literatuurwetenschap Ann Rigney: “Er zijn meer dan zwarte bladzijdes in de geschiedenis.”
Herinnering aan de strijd voor een betere wereld
Het herdenken van slachtoffers is belangrijk, vindt Rigney. De geschiedenis, ook de recente, kent nu eenmaal heel veel zwarte bladzijdes die vragen om gerechtigheid. Maar hoe het streven naar een betere wereld en herdenken het beste samen kunnen gaan, mag wat haar betreft veel meer onderwerp van discussie zijn.
“Het wordt steeds duidelijker dat er ook wat nadelen kleven aan een herinneringscultuur die zich uitsluitend op slachtofferschap richt en die de toekomst alleen maar in termen van ‘nooit meer’ ziet. Stilstaan bij de slachtoffers baant een weg naar een toekomst waarin zo’n onrecht zich ‘nooit meer’ herhaalt. Denk aan 4 mei.”
Meer focus op wat een samenleving wél wil en belangrijk vindt
“‘Nooit meer’ roept een toekomst op waar de nadruk meer ligt op afwezigheid van het kwaad, dan op het doen van het goede”, licht Rigney toe. “Daarmee doe je het vermogen tekort van mensen om zich in te zetten voor een betere wereld. Daarvoor moet je niet alleen tégen iets slechts zijn, maar ook vóór iets goeds.”
Je moet niet alleen tegen iets slechts zijn, maar ook vóór iets goeds.
De rol van herdenkingen onderzocht
Rigneys onderzoek gaat al decennia over het ‘collectief geheugen’: hoe gedeelde interpretaties van het verleden ontstaan en hoe deze doorverteld worden met behulp van allerlei media en rituelen. In de laatste tien jaar heeft de cultuurwetenschapper zich vooral gericht op verhalen over protestbewegingen, over de gemeenschappelijke herinnering aan burgers die zich actief hebben ingezet om een betere wereld. Want, zo zegt Rigney, “protest is een van de steunpilaren van de democratie maar tot op heden blijft het onderbelicht in de dominante herinneringscultuur.”
Over burgers in opstand worden veel verhalen verteld en doorgegeven. “De geschiedenis blijkt keer op keer een hernieuwbare bron te zijn van politieke energie en van hoop.” De bewegingen zelf waren vaak van korte duur, maar de verhalen daarover hebben daarna een mobiliserende kracht die ze soms generaties lang kunnen uitoefenen.
De terugkerende herinnering aan de Commune van Parijs
De Commune van Parijs (1871) is daar een goed voorbeeld van, vertelt Rigney. De Commune was een Frans revolutionaire regering die 72 dagen hoofdzakelijk over de stad Parijs heerste, maar bloedig werd neergeslagen door het leger van de Derde Franse Republiek. “Deze opstand heeft als model gediend in verschillende protestbewegingen over een periode van anderhalf eeuw tot aan Occupy and het klimaatactivisme toe.
“De herinnering van de Commune werd steeds opnieuw overgedragen en aangepast met behulp van beelden, leuzen, kleuren en rituelen. Deze hebben ervoor gezorgd dat de hoop en de beloftes die gevestigd waren in de Commune steeds opnieuw overgedragen zijn.”
Hoop als rode draad
Veel van de protestbewegingen die Rigney bestudeert waren niet alleen van korte duur maar liepen ook slecht af, soms met geweld tegen de demonstranten. Hier ook dient de Commune als voorbeeld: hoe komt het dat een opstand die tot de slachting van 15.000 burgers heeft geleid toch als inspiratiebron kon dienen?
“Het antwoord heeft alles te maken met de manier waarop we verhalen vertellen”, legt Rigney uit. “Traditioneel bepaalt de ontknoping van een verhaal de betekenis van het geheel, en geeft deze ook een idee van hoe het verder met de betrokkenen zal gaan: ze leefden lang en gelukkig (of niet). Einde.” In de gevallen die Rigney onder de loep neemt, gebeurt iets anders. Niet het einde per se, maar vooral het begin bleek het meest gedenkwaardig te zijn.
De geschiedenis blijkt keer op keer een hernieuwbare bron te zijn van politieke energie en hoop.
De geschiedenis als belofte
“Protest wordt in die gevallen achteraf in herinnering gebracht op zo’n manier dat het begin meer aandacht en meer aantrekkingskracht geniet dan de soms teleurstellende afloop”, vertelt Rigney. “Het gaat hier om de geschiedenis als belofte eerder dan als uitkomst. De zwarte bladzijdes zijn er wel, maar niet los te zien van de moedige en creatieve inzet van actieve burgers. Slachtoffers vallen, maar worden niet als slachtoffers in herinnering gebracht.”
Weinig ruimte voor het herdenken van protest
De herinnering aan protest valt veelal buiten het gezichtsveld van officiële herdenkingen, de inrichting van musea of het neerzetten van monumenten, valt Rigney op. Haar onderzoek laat zien dat de geschiedenis van protest en de verhalen hierover meer aandacht verdienen. “Niet per se door traditioneel een krans te leggen tegen een statisch monument. Ik denk eerder aan meer interactieve herinneringsvormen zoals tentoonstellingen en installaties die inspelen op de actualiteit en tot debat leiden.”
“Het zou onze herinneringscultuur ten goede komen als we de geschiedenis van de democratische orde meer aandacht zouden geven. Zo wordt het verleden een elke keer weer bron voor positief burgerschap. De hoop waarmee opstanden begonnen herdenken, geeft perspectief voor keuzes die we maken in het hier en nu.”