eDNA veelbelovend voor vroege detectie risico op nieuwe ziekte-uitbraken
Resultaten gedeeld tijdens bijeenkomst met lokale partners
Een relatief nieuwe wetenschappelijke techniek, de analyse van environmental DNA (eDNA), kan ons mogelijk al in een vroeg stadium helpen om risico’s op epidemieën en pandemieën in kaart te brengen. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht binnen het Netherlands Centre for One Health (NCOH) Pandemic Preparedness kickstarterproject. Het onderzoek werd uitgevoerd op en rond het Utrecht Science Park en tijdens een bijeenkomst op dinsdag 16 december praatten wetenschappers de belangrijkste lokale betrokkenen, waaronder natuurorganisaties en de provincie, bij over de resultaten. Hierbij was ook aandacht voor bredere thema’s, zoals biodiversiteit en wilde dieren op het USP.
Contact tussen mensen en dieren, en tussen dieren onderling, speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van epidemieën en pandemieën. Het coronavirus is daar een bekend voorbeeld van: het is waarschijnlijk afkomstig van vleermuizen en via een tussengastheer overgedragen op mensen. Ook omgevingsfactoren zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies beïnvloeden diergedrag en interacties, waardoor het risico op nieuwe uitbraken toeneemt.
Vroege processen
De wetenschappers in dit project richtten zich op deze vroege processen in het ontstaan van epidemieën en pandemieën, zo vertelt Lidwien Smit, hoogleraar bij het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) aan het begin van de bijeenkomst. Dat deden ze vanuit de One Health-benadering, waarbij juist wordt gekeken naar de interacties tussen mens, dier en ecosystemen. Concreet gingen ze op zoek naar innovatieve methoden waarmee ze die processen in de gaten kunnen houden.
Spoorzoeken in het lab
Een veelbelovende methode voor de vroege detectie van epidemieën is de analyse van eDNA. Deze techniek laat zien welke planten en dieren recent aanwezig waren in een bepaalde omgeving en kan ook veranderingen in die omgeving vaststellen. IRAS-onderzoeker Peter Reinink legt uit hoe dat werkt: dieren, maar ook insecten, bacteriën en virussen laten voortdurend DNA achter via onder meer huidcellen, veren, pollen en uitwerpselen. Door monsters te nemen uit lucht en water en het aanwezige DNA te analyseren, kunnen onderzoekers vaststellen welke soorten er waren.
Volgens Reinink ontwikkelt de methode zich snel. DNA-sequencing en -isolatie worden steeds nauwkeuriger, waardoor met minder materiaal meer informatie kan worden verkregen. Tegelijkertijd kent eDNA ook beperkingen: het geeft inzicht in de relatieve aanwezigheid van soorten, niet in absolute aantallen, en het ontbreken van DNA betekent niet automatisch dat een soort er niet was.
Elk gebied een eigen ‘vingerafdruk’
Promovendus Anne Rittscher-Fogg bracht eDNA in kaart op en rond het Utrecht Science Park en concludeert dat deze techniek veelbelovend is voor het monitoren van biodiversiteit en veranderingen die het risico op ziekte-uitbraken vergroten. Ze nam lucht- en watermonsters op drie aangrenzende locaties: boerderij De Tolakker, landgoed Vollenhoven en natuurgebied Oostbroek.
De resultaten laten zien dat landbouw- en natuurgebieden elk een eigen ‘vingerafdruk’ hebben: boerderijomgevingen zijn relatief stabiel in soorten, terwijl natuurgebieden dynamischer zijn. In de stal werden naast de aanwezige diersoorten ook DNA-sporen van vijftien andere soorten aangetroffen, en rondom de stal veel wilde dieren, wat deze plekken relevant maakt voor het volgen van mogelijke overdracht van ziekteverwekkers. Uiteindelijk zouden we stallen van boerderijen kunnen uitrusten met een apparaat dat routinematig samples neemt en analyseert en belangrijke veranderingen detecteert.
Tegelijkertijd benadrukt Rittscher-Fogg dat eDNA geen allesomvattende methode is. Cameravallen in hetzelfde gebied (zie geel kader) brachten soorten in beeld die met eDNA niet werden gedetecteerd. Daarom is het belangrijk eDNA te combineren met andere meetmethoden. Ook is meer onderzoek nodig naar de invloed van weersomstandigheden en de afstand waarover eDNA zich kan verplaatsen, om de resultaten beter te kunnen interpreteren.
De natuur in!
In de afsluitende discussie gaat Smit in gesprek met de aanwezigen, die positief reageren. “Ik vind het super dat wij kunnen bijdragen aan het onderzoek naar eDNA. Dit is de toekomst”, aldus een vertegenwoordiger van Utrechts Landschap. Landgoed + Erfgoed Utrecht is ook tevreden met het onderzoek en heeft zelf baat bij de resultaten: “Wij willen graag weten wat het effect is van wat we doen aan het verbeteren van biodiversiteit en hoe het nog beter kan”. De aanwezige biologiestudenten bieden zichzelf aan om te helpen: “We willen dolgraag uit de boeken en de natuur in!”
Het eDNA-onderzoek is onderdeel van het NCOH Pandemic Preparedness Kickstarterproject waarin breder onderzoek wordt gedaan naar pandemische paraatheid. Het door ZonMW gefinancierde project staat onder leiding van het Netherlands Centre for One Health, dat vooraanstaande academische onderzoeksinstituten in Nederland samenbrengt in een innovatief netwerk dat inspeelt op het thema One Health. Op 9 april 2026 vindt het afsluitende symposium van dit onderzoeksproject plaats genaamd From Insight to Action: One Health Strategies for Pandemic Readiness.
Wild op het USP
Een manier om de risico’s op een nieuwe epidemie te verkleinen, is het verbeteren van de biodiversiteit. Los van het project Pandemic Preparedness werkt de Universiteit Utrecht aan manieren om aantrekkelijker te worden voor dieren en planten. Bijvoorbeeld door de aanleg van ecologische verbindingszones. Om inzicht te krijgen in het effect van die maatregelen, brengen onderzoekers Marijke van Kuijk en Yannick Wiegers met wildcamera’s in kaart welke dieren er leven op het USP en waar ze zich bevinden. Tijdens de bijeenkomst gaven zij een presentatie over hun bevingen. De camera’s legden al een grote diversiteit aan dieren vast, waaronder dassen, marters, reeën, eekhoorns en roofvogels, en laten zien hoe dieren zich aanpassen aan een druk bebouwde omgeving en zich bewegen tussen natuur en campus. Lees hier meer.