Dubbele achternamen zijn in Nederland nog (lang) niet de standaard

Dr. Lorena Sosa adviseert Tweede Kamercommissie over de WIGG

Op 8 april nam dr. Lorena Sosa – expert op het gebied van internationale mensenrechten en familierecht aan de Universiteit Utrecht – deel aan het rondetafelgesprek van de Tweede Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid, over dubbele geslachtsnamen en de neveneffecten voor vrouwen. Kinderen kunnen sinds de inwerkingtreding van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam in 2024 de achternamen van beide ouders krijgen. Maar in de praktijk blijkt dat vaders die mogelijkheid eenvoudig kunnen tegenhouden. Internationale mensenrechten vragen om méér dan alleen gelijke opties op papier, zei Sosa in haar toelichting. Zij deed twee concrete aanbevelingen voor de wetgever.

Haar bijdrage richtte zich op de vraag of de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) voldoet aan de verplichtingen die op Nederland rusten op grond van het internationale mensenrecht. De WIGG heeft inderdaad de naamkeuzemogelijkheden voor ouders verruimd, zei Sosa. Maar het naamrecht is nog steeds opgebouwd vanuit een formeel begrip van gelijheid, dat niet voldoet aan de norm van substantieve en transformatieve gelijkheid die het VN-Vrouwenverdrag (voluit: Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women, CEDAW) vereist.

Internationale mensenrechten vragen inmiddels om méér dan alleen gelijke opties op papier. De vraag is niet alleen of ouders formeel dezelfde keuze hebben, maar ook of de wet in haar uitwerking daadwerkelijk bijdraagt aan substantieve gelijkheid tussen ouders. Juist daar zie ik een probleem.

In haar bijdrage adresseerde Sosa drie concrete knelpunten: 

  1. De vangnetnorm van art. 1:5 BW (in gevallen waarin de ouders geen keuze maken of niet tot overeenstemming komen, geldt de vadersnaam al standaard). Dit heeft het CEDAW-Comité al in 2001 als strijdig met het Verdrag aangemerkt, omdat het een vorm van directe discriminatie is en de diep verankerde patrilineaire norm eigenlijk bevestigt;
  2. Het recht op naam onder art. 8 EVRM, zoals uitgewerkt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit heeft implicaties voor het recht van moeders om hun eigen achternaam aan hun kind door te geven.
  3. De afwezigheid van een geschillenregeling. Hierdoor hebben ouders (vooral moeders) die dit het hardst nodig hebben, geen toegang tot de rechter, hetgeen in strijd is met de artikelen 6 en 13 van het EVRM en leidt tot indirecte discriminatie.

Aanbevelingen 

Lorena Sosa besloot haar bijdrage met twee concrete aanbevelingen voor de wetgever. Zij pleit ten eerste voor vervanging van de huidige ‘vangnetnorm’ (zie hierboven) door een sekseneutrale regeling: in plaats van de achternaam van de vader als standaard, zou de dubbele achternaam van vader en moeder, in alfabetische volgorde, kunnen komen. Daarnaast stelt zij invoering van een geschillenregeling voor, zodat de rechter kan toetsen in het belang van het kind (dat het recht heeft op een eigen identiteit) en rekening houdend met de belangen van beide ouders.

Naamrecht vaak beschouwd als 'technisch'

Naamrecht wordt doorgaans als een nogal technisch deelgebied van het familierecht beschouwd. Met haar bijdrage plaatste Lorena Sosa het naamrecht uitdrukkelijk in het bredere kader van structurele ongelijkheid, en liet zien dat de regels voor geslachtsnaamtoewijzing sociale normen en machtsverhoudingen binnen de familie weerspiegelen en in stand houden — een zorg die aansluit bij de meest recente Concluding Observations van het CEDAW-Comité over Nederland (6 februari 2026).

Lorena Sosa is universitair hoofddocent mensenrechten bij het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM). Daarnaast is zij lid van de onderzoeksgroep Familierecht (Utrecht Centre for European Research into Family Law) en medeoprichster en coördinator van het onderszoeksplatform EQUALS (onderdeel van het departement Rechtsgeleerdheid). Ook is zij lid van het kernteam van het (In)equality Platform van Institutions for Open Societies.