31 oktober 2017

CenSAS verzorgt workshop bij Ministerie van Economische Zaken

De positie van het dier: een worsteling tussen ideaal en realiteit?

‘Welke positie ken jij het dier toe vanuit jouw rol als ambtenaar?’ Dit was een van de vragen die aan bod kwamen tijdens de workshop die op 2 oktober jl. door CenSAS werd verzorgd op het Ministerie van Economische Zaken. De workshop was een invulling van de dierendaglezing, die elk jaar wordt georganiseerd voor medewerkers van het ministerie. Tijdens de interactieve workshop keken de deelnemers naar de waarde die zij aan dieren toekennen vanuit ideaal, als privépersoon én als ambtenaar.

De workshop begon met een korte introductie door Frans Stafleu over de verschillende waarden die we aan dieren kunnen toekennen[1].

  • Instrumentele waarde: het dier wordt gezien als instrument, bijvoorbeeld als productiemiddel. Het dier telt mee omwille van de waarde die het voor de mens heeft (de gebruikswaarde). Dieren mogen gebruikt/gehouden/gedood worden ten behoeve van mensen zonder dat dit een extra rechtvaardiging vraagt.

  • Morele waarde als voelend wezen: het dier wordt gezien als wezen met gevoel en capaciteit tot lijden. De mens heeft de verplichting om lijden te beperken en welzijn te optimaliseren. Er vindt een morele afweging plaats: Het dier mag worden gehouden/gebruikt/gedood door de mens, mits het lijden wordt beperkt en het welzijn wordt geoptimaliseerd.

  • Intrinsieke waarde: het dier heeft intrinsieke waarde (eigen waarde) die losstaat van de gebruikswaarde voor de mens. Naast goed welzijn, verdient het dier respect en dient er aandacht te zijn voor de integriteit van het dier. Dieren mogen niet worden gebruikt/gehouden/gedood, tenzij daar zwaarwegende overwegingen tegenover staan die de inbreuk op de intrinsieke waarde kunnen verdedigen.

  • Inherente waardigheid: het dier heeft een inherente waardigheid, vergelijkbaar met de morele status die ook mensen hebben. Mens en dier zijn moreel gelijkwaardig. Dieren mogen niet worden gebruikt/gehouden/gedood omwille van de mens. Een inbreuk hierop is niet te rechtvaardigen en kan enkel te verdedigen zijn in uitzonderlijke situaties zoals noodweer.


[1] Waarden afkomstig uit: Houden van Dieren. Over morele rechtvaardiging, doelen en waarden bij het houden van dieren. Dr. Franck L.B. Meijboom, Ethiek Instituut en Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. Maart 2012.

Waarden die we aan dieren kunnen toekennen
Workshop Ministerie
Op de vloer werden deze waarden, zoals hierboven afgebeeld, zichtbaar gemaakt met vellen papier.

Tijdens de interactieve workshop, onder leiding van Franck Meijboom en Maite van Gerwen, werden de deelnemers gevraagd om zich steeds bewegen over de lijn en aangeven welke positie ze het dier in welke situatie toekennen en waarom. De verschillende situaties die aan bod kwamen waren:

  • vanuit het persoonlijk ideaal gezien/in een ideale wereld

  • vanuit de rol als privépersoon anno 2017 (hoe is eigen gedrag nu?)

  • vanuit de rol als ambtenaar werkzaam voor het ministerie van EZ

  • ideaal en werk gecombineerd: waar wíl jij staan als ambtenaar?

Intrinsieke waarde als voornaamste uitgangspunt

In alle situaties stond veruit het grootste aantal deelnemers rondom ‘intrinsieke waarde’. Deelnemers gaven aan dat deze waarde het best hun eigen ideaal combineert met de realiteit. Bovendien is het de waarde die ook het uitgangspunt vormt voor zowel de Wet dieren als de Wet op de dierproeven.    

Bij de vraag naar de ideale positie als privépersoon bleek het voor de meeste mensen lastig om puur en alleen vanuit het ideaal te denken. De meeste mensen combineerden dit direct met de realiteit en kwamen daardoor bij ‘intrinsieke waarde’ uit. Slechts een paar mensen stonden na deze vraag en na de vraag ‘waar wil je staan als ambtenaar?’ bij de positie ‘inherente waardigheid’.
 

In praktijk blijkt intrinsieke waarde niet altijd leidend

Wanneer de deelnemers werd gevraagd welke positie in de praktijk vaak aan dieren wordt toegekend, schoven er wat mensen op van ‘intrinsieke waarde’ naar ‘morele waarde als voelend wezen’ of ‘instrumentele waarde’. Als reden voor het verschuiven werd als voorbeeld onder andere het ruimen van kippen tijdens de fipronilcrisis genoemd. Mensen gaven aan dat er bij de afweging tussen economie en intrinsieke waarde van het dier toch vaak een beslissing wordt genomen ten gunste van economische belangen. Ook werd opgemerkt dat we in Nederland wel vanuit de intrinsieke waarde van het dier kunnen redeneren, maar dat dit in veel Europese landen (nog) niet het geval is. Wanneer het dus gaat over bijvoorbeeld Europees landbouwbeleid loop je als medewerker tegen die verschillende benaderingen aan en daar moet je rekening mee houden, ook al heb je een ander ideaal voor ogen. Dit is lastig.
 

Invloed van context

De positie die wordt toegekend aan dieren hangt voor sommige medewerkers af van de context of de diersoort waar het over gaat. Aan gezelschapsdieren zou een aantal medewerkers namelijk eerder inherente waardigheid toekennen dan aan proefdieren of landbouwhuisdieren, waar zij eerder intrinsieke waarde aan zouden toekennen. De waarde die wordt toegekend hangt voor andere medewerkers ook af van de verplichting die we naar het dier toe hebben. Zo was iemand van mening dat we naar proefdieren toe een grotere verplichting hebben dan naar andere dieren, omdat we van proefdieren ook meer vragen.
 

Worsteling tussen ideaal en werkelijkheid

Uiteindelijk gaven medewerkers aan regelmatig te worstelen met de verschillen tussen ideaal en realiteit. Veel thema’s met betrekking tot dieren zijn niet makkelijk en er is vaak geen simpele oplossing in een wereld met veel visies en belangen. Daar komt nog bij dat de afwegingen van belangen en waarden uiteindelijk door de politiek worden gemaakt. Toch speelt in de voorbereiding de ambtenaar wel vaak een duidelijke rol. Welke rol heeft de ambtenaar dus als het gaat over het maken van afwegingen en beslissingen? Stof om over na te denken!
 

Waar sta jij?

De discussie kent geen simpele antwoorden. Het doel was niet om achteraf te kunnen zeggen of iemand op ‘de goede plek’ stond. Toch werd duidelijk dat het wel zinvol is om na te denken over de vraag welke positie je aan het dier toekent. Helderheid over je eigen (professionele) positie en die van collega’s en andere partijen zorgt ervoor dat discussies over beleid met betrekking tot dieren beter gevoerd kunnen worden.

Dat geldt niet alleen voor medewerkers van het ministerie van Economische Zaken. Iedereen komt in het dagelijks leven, zowel privé als in het werk, wel dergelijke dilemma’s tegen. Het is goed om hier eens bij stil te staan en te onderzoeken waar je als persoon staat. Welke positie ken jij het dier toe?