De onafhankelijkheid van Suriname werd “met stoom en kokend water” in korte tijd geregeld. Maar hoe zorgvuldig gebeurde dat?

Voorbereiding onafhankelijkheid in Suriname, 24 november 1975 (Foto: Bert Verhoeff/Anefo, collectie Nationaal Archief)

Onder de veelzeggende titel ‘Drie eeuwen kolonie – drie dagen parlementaire behandeling in de Senaat’ kwamen op 26 november Eerste Kamerleden, deskundigen en belanghebbenden bijeen, om samen nog eens kritisch te kijken naar de manier waarop op 25 november 1975 de statutaire band met het Koninkrijk definitief werd doorgesneden en Suriname onafhankelijk werd van Nederland. Ondanks vele zorgen onder parlementariërs uit Nederland én Suriname – die lang niet allemaal konden worden weggenomen – en de (te) korte tijd van besluitvorming, werd de ontwerp-Rijkswet door een meerderheid in de Eerste Kamer aangenomen. Deskundigen lieten hun licht schijnen over de parlementaire gebeurtenissen van toen, onder wie prof. Henk Kummeling (hoogleraar Vergelijkend staatsrecht aan de Universiteit Utrecht) en dr. Wanda Pherai (docent staats- en bestuursrecht aan de Faculteit der Juridische Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname). 

In die oktobermaand van 1975 kreeg de Eerste Kamer slechts drie dagen om zich te buigen over de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regeling die het kabinet-Den Uyl een paar maanden daarvoor met de Staten van Suriname had beklonken. De Tweede Kamer had de regeling al met grote meerderheid aangenomen (eveneens na slechts drie dagen debat, van 21-23 oktober 1975). Waarom die haast? Het was blijkbaar het juiste (politieke) moment; een formele meerderheid van Surinaamse en Nederlandse parlementariërs was bereid (soms ook gretig) om de sprong naar onafhankelijkheid te wagen. Tijdens het symposium gingen senatoren en een brede vertegenwoordiging van juristen, onderzoekers, politici, studenten en docenten met elkaar in gesprek over de wetgevende rol die de Eerste Kamer hierbij speelde.  

De aanloop naar onafhankelijkheid

Nadat de verkiezingen voor de Staten van Suriname in november 1973 waren gewonnen door de NPK (gedomineerd door de Creoolse Nationale Partij Suriname, NPS) kwam de regering-Arron tot stand. Die kondigde vrij onverwacht op 15 februari 1974 de onafhankelijkheid aan, die moest plaatsvinden vóór 1 januari 1976. Hieronder staat een korte samenvatting (alles valt ook na te lezen op de website Parlement.com).

Er was natuurlijk wel een soort politieke urgentie, met name bij de progressieve partijen… Ik mag hopen dat wij nu niet meer zo laconiek met teksten van de Grondwet omgaan.

Henk Kummeling en Wanda Pherai doken in de Handelingen van de Eerste Kamer de woordelijke verslagen van de vergaderingen die in oktober 1975 plaatsvonden om de rol van de Eerste Kamer als ‘Kamer van heroverweging’ (of mooier nog: Chambre de réflection) onder de loep te nemen. Dat deden zij aan de hand van drie criteria: rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Onafhankelijkheid werd “aangejaagd”

Kummeling benadrukt dat de Eerste Kamer, ondanks die toetsing van rechtmatigheid, niet de rol van rechter bekleedt. En, zegt Kummeling, het is ook een “politieke kamer”, dat brengt de samenstelling nu eenmaal met zich mee. “Het is dus ook goed om te kijken naar de politieke context van die tijd, zoals Gert Oostindie beschrijft in zijn boek Knellende Koninkrijksbanden. Maar ook een uit het meer persoonlijke, fascinerende boek De toekomst van ons verleden van Jules Sedney, blijkt wel dat de onafhankelijkheid van Suriname, althans op dat moment, niet voor iedereen vanzelfsprekend was, niet in Nederland en zeker niet in Suriname.”

Hij memoreert dat de onafhankelijkheid werd “aangejaagd” door het kabinet-Den Uyl. “Met name de progressieve drie – PvdA, D66 en PPR – wilden weg van het kolonialisme, en het stond ook al in het gezamenlijke verkiezingsprogram.” Coalitiepartner KVP had wel zorgen, bijvoorbeeld over de grote migratiestroom waartoe de snelle overdracht kon leiden. “Ook bij de Surinaamse oppositie van de regering-Arron waren zorgen over onder andere democratie en mensenrechten, financiële afhandeling, de diversiteit van het leger en financiering daarvan.”

Demonstratie op het Binnenhof rond het Tweede Kamerdebat op 21 oktober 1975 (Foto: Hans Peters/Anefo, collectie Nationaal Archief)

Over de vraag bij wie nu eigenlijk het initiatief voor onafhankelijkheid lag, is Roy Ho Ten Soeng (oud-burgemeester en politicus, geboren in Suriname) later heel stellig: het ging uit van Nederland, zoals Jan Pronk (minister voor Ontwikkelingsamenwerking in het kabinet-Den Uyl) dat volgens hem ook expliciet in zijn boek Suriname: Van wingewest tot natiestaat heeft opgeschreven. De partij van Henck Arron (de NPS) liet zich dit geen twee keer zeggen en “sprong daar meteen bovenop”. 

Geen discussie over de Grondwet, wel over het Koninkrijksstatuut

En dan was er nog de vraag of er geen grondwetswijziging voor nodig was, want het toenmalige Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet bevatte een opsomming van alle koninkrijksdelen (in de huidige versie gaat Artikel 1 over gelijke behandeling). “Dan had je een hele lange procedure gehad. Maar dat is door De Gaay Fortman [minister voor Surinaamse Zaken] meteen aan de kant geschoven, dat zou niet nodig zijn.” Later komt hij hierop terug: Ik mag toch hopen dat wij nu niet meer zo laconiek met teksten van de Grondwet omgaan, en dat de Eerste Kamer dat in de nabije toekomst ook zal verhoeden!”

Artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden

  1. Elk der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur.
  2. Het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur is aangelegenheid van het Koninkrijk.

Een andere discussie die vooral in Suriname werd gevoerd ging over Artikel 43 van het Koninkrijksstatuut. “Dat artikel staat nog steeds in het Statuut; het draagt op dat het Koninkrijk moet zorgdragen voor mensenrechten, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur.” Impliceerde dit artikel niet dat er – nog vóór de onafhankelijkheid – een Surinaamse grondwet klaar zou moeten liggen ter bescherming van democratie en grondrechten? “Die grondwet kwam er wel, en nog voor de onafhankelijkheid, maar ná de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer.” De noodzaak om snel met een grondwet te komen wordt door parlementariërs gevoeld, maar waar het voor de SGP een randvoorwaarde voor onafhankelijkheid vormt, is het voor regeringspartijen als de PvdA uiteindelijk aan Suriname zelf om hierover te besluiten.

Hoe interpreteer je ‘rechtmatigheid’?

In het Eerste Kamerdebat zie je dus ‘rechtmatigheid’ en ook ‘doelmatigheid’ veel terugkomen. De criteria worden toegepast, maar wél politiek gekleurd, merkt Kummeling op. Vooral de regeringspartijen geven expliciet aan dat rechtmatigheid wat hun betreft moet worden beoordeeld in het licht van zelfbeschikking. “Zeker in de context waarin koloniale overheersing als verwerpelijk wordt gezien en zelfbeschikkingsrecht wordt omarmd en een groot gewicht wordt toegekend, lijkt het opleggen van eisen aan een ‘vertrekkend land’ moeilijk houdbaar.” Zo geredeneerd past het Nederland dan niet om allerlei eisen te gaan stellen, bijvoorbeeld dat er eerst een Surinaamse grondwet op tafel moet liggen. Bovendien, zegt Kummeling, blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van Artikel 43 dat het naleven van de bepaligen daaruit op de eerste plaats wordt gezien als taak van de landen zelf, en dat pas als het echt nodig is het Koninkrijk eventueel kan ingrijpen. 

Rechtsbescherming en mensenrechten in een verdeeld land

Meerdere partijen stellen vragen over rechtsbescherming, mensenrechten en grondrechten van burgers in Suriname. Senatoren namens de VVD en SGP willen eigenlijk bescherming vooraf regelen. “De VVD-woordvoerder Carel Polak stelt dat de etnische  verdeeldheid binnen Suriname het doel van onafhankelijkheid ondermijnt, en de SGP-er Koert Meuleman heeft het over de kans op maatschappelijke ontwrichting. Maar andere partijen zien de onafhankelijkheid juist expliciet als voorwaarde om die verdeeldheid op te heffen; onafhankelijkheid zou beter en sneller tot natievorming leiden.”

Wat betreft de ‘uitvoerbaarheid’ wordt het risico genoemd dat met name vakbekwame mensen uit Suriname zullen vertrekken. Anderen, onder wie Lou Hoefnagels (PPR), zien ook uitvoeringsrisico’s, maar beschouwen het als een morele plicht om de koloniale verhouding te beëindigen, en stemmen daarom principieel in met de onafhankelijkheid.

Surinaamse gedelegeerden

Ook waren er bijzonder gedelegeerden van de Staten van Suriname aanwezig bij de behandeling in de Eerste Kamer, en zij brachten weer andere inzichten in het debat, waarbij zij meer dan eens afweken van de maatstaven die door de Eerste Kamer werden gehanteerd. “Zij waren ook veel onverhulder in hun politieke standpunten. Jarien Gadden, lid van de regeringscoalitie in de Staten van Suriname, vraagt zich af waarom hij dezelfde inlichtingen zowel in de Tweede als Eerste Kamer moet geven; voor een relatieve buitenstaander een uitstekende vraag.”

Eerste Kamer-debat op 28 oktober1975, met vlnr de gedelegeerden Amat, Derby, Wijntuin en Nooitmeer (Foto: RobMieremet/Anefo, collectie Nationaal Archief)

Zijn de adviezen van de Surinaamse parlementariërs die mochten spreken in de Eerste Kamer eigenljk wel serieus genomen? Kummeling: “Ik denk dat die een belangrijke rol hebben gespeeld, maar dat uiteindelijk toch de politieke afweging is gemaakt om de onafhankelijkheid door te zetten.” De Surinaamse delegatie was het – tot nog kort voor het debat – onderling ook niet eens over wat voor uitkomst ze wilden. “Laten we ook niet vergeten dat de Surinaamse grondwet daarna met enorme snelheid en eenstemmgheid is aanvaard, dus – puur formeel beschouwd, vanuit de Surinaamse assemblée – wás het draagvlak er gewoon.”

Met stoom en kokend water: drie dagen is erg weinig

Dat de Eerste Kamer maar drie dagen was gegund, was voor vrijwel alle senatoren iets waarover men zorgen uitsprak. Er was verdeeldheid in de Kamer, en het was opvallend dat een groot deel van de VVD-fractie tegen stemde (anders dan in de Tweede Kamer). “De Eerste Kamer was wat minder massaal overtuigd van nut en noodzaak van de ontwerp-Rijkswet dan de Tweede Kamer,  want daar waren maar enkele tegenstemmen.”

Belangrijk om te beseffen: Je kun je als land uit een statutair verband terugtrekken, maar je kunt er niet uit worden gegooid, zegt Kummeling. “Maar er was natuurlijk wel een soort politieke urgentie, met name bij de progressieve partijen, omdat het de vraag was of het onder een ander kabinet ook zou lukken. Dus men heeft ‘met stoom en kokend water’ de onafhankelijkheid erdoor proberen te krijgen.” Dat heeft wel tot fricties geleid en soms rekkelijke interpretaties van juridische teksten (zoals Artikel 1 van de Grondwet).

Aangezien er over de doelmatigheid en handhaafbaarheid van de voorgestelde regeling heel  verschillend kan worden gedacht, is het belangrijk dat daarover discussie kon worden gevoerd –  alleen liefst met meer tijd. “Bij ‘rechtmatigheid’ ligt dat wellicht anders, want met behulp van wet- en regelgeving en jurisprudentie valt daar vaak wél met veel zekerheid, objectief iets over te zeggen.” Maar juist de discussie over het belangrijke Artikel 43 wijkt daarvan af; het is vatbaar voor verschillende interpretatie, want geldt het Artikel alleen voor landen die in het Koninkrijk blijven, of ook voor landen die het willen verlaten?

“Wat je je wel kunt afvragen: Had niet de bevolking van Suriname die vraag voorgelegd moeten krijgen in een referendum, zoals meerdere malen is gebeurd met de huidige eilanden binnen het koninkrijk – en waarbij de uitkomst meestal was: Nee, wij willen geen onafhankelijkheid. Was dat een legitiem antwoord geweest? Ja, natuurlijk.” 

De grondbeginselen van het stelsel vertoonden grote overeenkomsten met het Nederlandse. Maar er kwam ook een Constitutioneel Hof met toetsingsrecht, een volstrekt nieuwe creatie in het Surinaamse staatsbestel.

Suriname 50 jaar later: waren de zorgen gegrond? 

De volgende spreker is Wanda Pherai, docent staats- en bestuursrecht aan de Faculteit der Juridische Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS). Kern van haar verhaal is  dat de Surinaamse rechtsorde op 25 November 1975 weliswaar werd gewijzigd, maar dat de dominante Nederlandse rechtscultuur is gebleven. Het rechtssysteem zal Suriname en Nederland nog heel lang met elkaar blijven verbinden.

Eerst geeft zij haar interpretatie van het Eerste Kamerdebat van 1975 zoals opgetekend in de Handelingen van de Kamer. Senator Polak van de VVD, die nogal kritisch stond tegenover de (overhaaste) onafhankelijkheid, stelde volgens Pherai twee fundamentele vragen: “Zal de wil en noodzaak om samen een nieuwe staat op te bouwen het gevoel van saamhorigheid zó versterken dat de Surinaamse natie werkelijkheid wordt. En zal Suriname de schok van het wegvallen van de rechtsbanden met Nederland en de Nederlandse Antillen kunnen doorstaan?” Het antwoord was toen nog onzeker. 

“De debatten in de Tweede Kamer gingen niet alleen over de wijziging van het statuut maar ook over de toekomst van Suriname als zelfstandige staat met een eigen rechtsorde. Surinaamse parlementariërs, zowel uit coalitie als oppositie, waren erbij aanwezig en namen actief deel aan de discussie.” Er werden vooral veel punten van zorg geuit. Pherai somt er een aantal op:

  • Zorgen over de impasse tussen twee nagenoeg even sterke groepen politici (de NDP van Henck Arron en de VHP van Jagernath Lachmon) die maar niet tot een samenwerking konden komen.
  • Zorgen over toenemende polarisatie, over natievorming, over migratie en remigratie (het vertrek van Surinamers naar Nederland en de gevolgen daarvan voor Nederland).
  • Zorgen over de slechte voorlichting aan Surinaamse burgers over de onafhankelijkheid.
  • Zorgen over het ontwikkelingsplan en het bijbehorende fonds, en de voorwaarden daarvan (zoals stopzetting bij schending van mensenrechten).
  • Zorgen over aanvaarding van de Surinaamse grondwet (moest dat met gewone of met tweederde meerderheid?).
  • Zorgen over de achterstelling van de bewoners in het Surinaamse binnenland (de inheemsen en marrons).

“En de vraag die in de lucht hing was: Waarom deze haast? Drie eeuwen banden met Suriname, drie dagen debat in de Tweede Kamer en drie dagen voor de Eerste Kamer ter voorbereiding van de statuutswijziging: de snelheid was ongekend. Maar senator Edward Brongersma van de PvdA zei dat er zelden een wetsontwerp was waarover zoveel instemmigheid heerste en dat toch zo uitvoerig werd besproken.”

Koninkrijksdebat over de onafhankelijkheid van Suriname in de Tweede Kamer, 21 oktober 1975 (Foto: Hans Peters/Anefo, collectie Nationaal Archief)

De Surinaamse grondwet

Vervolgens geeft Pherai een overzicht van de ontwikkeling van de Surinaamse wetgeving en rechtspraak sinds de onafhankelijkheid. Daaruit blijkt de nog altijd nauwe verbondenheid met de voormalige kolonisator. “Het concordantiebeginsel van 1869 schreef voor dat de Surinaamse wetgeving zoveel mogelijk moest overeenstemmen met het Nederlandse recht, waardoor Surinaamse wettelijke regels – zowel formeel als materieel – veel leken op Nederlands recht. Tot 25 november 1975 viel Suriname onder het Statuut voor het Koninkrijk.” Die geschiedenis werd niet zomaar uitgewist.

De grondwet kwam snel tot stand. De grondbeginselen van het stelsel vertoonde grote overeenkomsten met het Nederlandse. In de periode van het militaire bestuur (1980-1987) werd de grondwet opgeschort. In 1987 kwam de nieuwe grondwet tot stand, met nog steeds grote overeenkomsten met Nederland – al werd de ceremoniële president toen vervangen door een executieve president.

De ambities waren groot

En hoe stond het met de grondrechten en bescherming van mensenrechten? “De grondwetgever van 1975 was erg ambitieus; belangrijke instituties die Nederland zelf niet had: een Constitutioneel Hof met toetsingsrecht, een volstrekt nieuwe creatie in het Surinaamse staatsbestel. Dit hield in dat als een wetsvoorstel door het parlement was aangenomen, de president dit nog 15 dagen moest aanhouden alvorens het te bekrachtigen. Intussen kon de president, de procureur-generaal en tenminste eenderde van de parlementsleden het Hof vragen te beslissen over de verenigbaarheid van het wetsvoorstel met een of meer bepalingen van hoofdstuk 1 van de Grondwet. Maar de organieke wet die uitvoering van beslisingen van het Hof moest regelen, en was voorgeschreven in de grondwet, kwam er pas in 2020, dus de uitvoerbaarheid van het Hof was aanvankelijk erg onderschat.” 

Constitutioneel Hof eindelijk operationeel

“In 2020 kreeg het Hof meer rechten dan in 1975. Het toetst wetten niet alleen aan grondrechten uit de Grondwet, maar ook aan bepalingen in de grondwet en aan volkenrechtelijke overeenkomsten. Ook heeft het de bevoegdheid gekregen voor casustoetsing, dus het mag toetsen op de vraag of besluiten van overheidsorganen wel verenigbaar zijn met fundamentele rechten en vrijheden.” Het Hof heeft inmiddels meer dan 10 uitspraken gedaan, zegt Pherai met enige trots, waaronder zeer spraakmakende (zoals de strijdigheid van de amnestiewet met de Grondwet, en de strijdigheid van het kiesstelsel met het beginsel van one man one vote).

“In 1975 kreeg ook de Surinaamse rechter het toetsingsrecht om wetten in concrete gevallen te toetsen aan grondrechten, en dat was gelukkig realistischer om uit te voeren. Burgers maken hier dankbaar gebruik van, en de rechter is niet altijd terughoudend.” Zo is het instituut van ‘verstoting’ uit de oude Aziatische huwelijkswetgeving inmddels ongeoorloofd verklaard en in strijd met mensenrechten.

Het burgerlijk recht, strafrecht en bestuursrecht na 1975

Suriname heeft na 1975 zijn band met de Nederlandse traditie behouden, zegt Pherai. Ook na 1975 worden nog steeds vele Nederlandse wetten in Suriname gecodificeerd of aangepast. Maar tegelijkertijd ontwikkelt Suriname ook zelf recht, bijvoorbeeld vanwege verplichtingen die het lidmaatschap van Caricom (de politiek-economische unie van de Caribische gemeenshap) met zich meebrengt. De Caricom biedt daarnaast ook rechtzoekende Surinamers een alternatieve route. “De burgers zijn niet alleen Surinamers maar ook Caricom-onderdanen. Voor rechtsbescherming kunnen ze naast nationale onafhankelijke organen dus ook internationaal een beroep doen op het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens.”

“Suriname is voortdurend op zoek naar een balans tussen codificatie uit het Nederlands recht, en modificatie van wetgeving in de context van een multiculturele samenleving met een eigen geschiedenis”, aldus Pherai. Het nieuwe Burgerlijke Wetboek is sinds 1 mei 2025 in werking getreden, en is een voorbeeld van die eigen weg. Zo wordt in Artikel 1 (Boek 1) het gewoonterecht van de inheemsen en afstammelingen van marrons in bepaalde gevallen erkend. 

Ook het Surinaamse strafrecht is min of meer een afspiegeling van het Nederlandse strafrecht; Nederlandse ontwikkelingen worden bestudeerd, vergeleken en waar passend overgenomen, zegt Pherai. Anders zit het met het bestuursrecht, dat blijft onuitgewerkt. “Het Surinaamse bestuursrecht is versnipperd over vele bijzondere wetten. Wij kennen geen Algemene wet bestuursrecht zoals Nederland. De grondwet biedt wel een basis voor bestuursrechtelijke rechtsbescherming, maar de bestuursrechter is nooit geïmplementeerd.”

‘Losse eindjes’ 

Aan het einde van haar verhaal verwijst Pherai naar de slepende grensgeschillen die Suriname heeft met de beide buurlanden, Frans-Guyana en Guyana. Dat is duidelijk één van de overblijfselen uit de koloniale tijd die Nederland beter had moeten regelen. Uit de groepssessies komen nog meer kwesties naar voren die je als ‘vergeten’ kunt beschouwen, zoals:

  • de ‘onzichtbaarheid’ van de inheemsen in de wetgeving
  • de uitvoerbaarheid in het strafrecht van Nederlandse elementen (zoals reclassering en taakstraffen) die in Suriname niet goed geregeld zijn
  • het AOW-gat van Surinamers die tussen 1957 en 1975 onder het Koninkrijk vielen
  • de gebrekkige institutionele infrastructuur, zoals een slecht functionerend Kadaster (dat voor de huidige ‘boedelproblematiek’ zorgt)

Kadaster

Ook Ruth de Bock (advocaat-generaal bij de Hoge Raad) noemt in haar bijdrage de slechte registratie van rechten op grond als een groot actueel probleem in Suriname. Zij kwam daarmee in aanraking toen zij vorig jaar in Suriname was om Raio's rechters en officieren van jusititie in opleiding te scholen in het schrijven van civiele vonnissen (want zoals gezegd beschikt Suriname in grote lijnen over hetzelfde civiele recht als Nederland). “We hebben toen gezien dat veel civiele procedures in Suriname voortkomen uit het feit dat de registratie van rechten op grond heel slecht is geregeld. Zo is er geen goed werkend kadaster, en ook het gronduitgiftebeleid van de overheid is een rommeltje.” Nederland liet geen functionerend kadaster achter, en een ontwikkelingsproject uit 1996 dat hier verandering in moest brengen heeft blijkbaar nog niet tot voldoende resultaat geleid (zie de Wikipediapagina Grond- en landrecht in Suriname).

“Zo is vaak niet te traceren wie de eigendom heeft van gronden waarop bijvoorbeeld concessies voor goudwinning zijn uitgegeven. En dan kom je uit bij de rechter – tenminste, als je een advocaat kunt betalen, wat voor velen niet is weggelegd. Plotseling blijkt bijvoorbeeld dat een huis op het perceel van een ander is gebouwd, of mensen kunnen niet bij een perceel komen waarvan ze eigenaar zijn. Ook zijn er nog best veel plantages in gemeenschappelijke eigendom, omdat dat nooit is verdeeld.”

Dit roept de vraag op of de Eerste Kamer zich bij de rechtmatigheidstoets indertijd niet beter had moeten kwijten van een Nederlandse zorgplicht. Was het voldoende om ‘een zak geld’ mee te geven; had Nederland niet met meer menskracht en kennis moeten helpen om de Surinaamse rechtsorde tot ontwikkeling te brengen? Al is de constatering ook: gelukkig zien we dat nu wél gebeuren. 

‘Wie eegie sanie’

Er kan nog lang worden doorgepraat over de vraag of Surinamers nu wel of niet in meerderheid onafhankelijk wilden worden en of zij voldoende voorbereid waren op wat onafhankelijkheid (volgens de met Nederland afgesproken regeling) in de praktijk zou betekenen. Feit is dat de onafhankelijkheid – formeel gezien –  volkomen rechtmatig is geweest, zoals Henk Kummeling eerder al aangaf. 

Joop den Uyl en Henck Arron tekenen de souvereiniteitsoverdracht (Foto: Bert Verhoeff/Anefo, collectie Nationaal Archief)

Om het beeld van een ‘misleide’ bevolking wat te corrigeren, vraagt Linda Nooitmeer (oud-voorzitter van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) tegen het einde van de bijeenkomst het woord. “Ik hoor de doorlopende discussie over ‘was er wel draagvlak’, en ik wil een van onze belangrijke leiders, de heer Bruma [Eddy Bruma] noemen, die had het over ‘wie eegie sanie’ [Sranantongo voor ‘onze eigen dingen’]. Onder invloed van allerlei leiders in de wereld, uit Zuid-Amerika en Afrika, maar zeker ook vanuit de Afro-Surinaamse gemeenschap die 300 jaar slavernij heeft doorgemaakt én de inheemse gemeenschap, was er een behoefte om vrij te komen. Er was een hele grote groep die weg wilde van het koloniale juk en de onafhankelijkheid zag als dé manier om daartoe te komen. Dus in naam van die leiders wil ik dat gezegd hebben.” (Online is de NPO-documentaire Onze eigen dingen/wie eegie sanie te zien.)

Samenwerking UU en AdeKUS

De Universiteit Utrecht en de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS) hebben al geruime tijd een strategisch partnerschap: Partnerschap met impact