21 maart 2019

Criteria voor fokken van gezonde kortsnuitige honden

Kortsnuitige honden hebben door misvorming van hun schedel en snuit vaak vernauwde luchtwegen, uitpuilende ogen en diepe neusplooien. Deze aanleg geeft een groot risico op benauwdheid en tal van pijnlijke oogaandoeningen. Door de open normstelling in de bestaande wetgeving kon niet echt worden opgetreden tegen het fokken met deze misvormde dieren. Het ExpertiseCentrum Genetica Gezelschapsdieren (ECGG) van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht heeft in opdracht van de minister van LNV criteria voor handhaving ontwikkeld. Door deze nieuwe criteria kunnen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Landelijke Inspectie Dierenbescherming (LID) de bestaande wetgeving beter handhaven.

 

De criteria wijzen de weg naar een nieuwe generatie honden die allemaal gewoon lekker vrij kunnen ademhalen en geen last hebben van pijnlijke ogen.

Fysiek en fysiologisch ongerief
Fokselectie heeft geleid tot een steeds verdergaande misvorming van de hondenschedel om uiteindelijk een hond met een rond kopje en hele grote ogen te krijgen. Fokken met honden met dit soort ernstige schedel- en snuitafwijkingen leidt tot fysiek en fysiologisch ongerief en beperking van het natuurlijk gedrag van deze honden, hetgeen zowel een inbreuk op de integriteit is, als een groot risico voor het welzijn van de dieren. Dit is in strijd met hetgeen in de Nederlandse wetgeving wordt gesteld (Wet dieren, Besluit Houders van dieren, art. 3.4. Fokken met Gezelschapsdieren). De keuze voor fokhonden met slechts milde misvorming kunnen de welzijnsrisico’s in de nakomelingen gunstig beïnvloeden. Helaas wordt deze keuze binnen de hedendaagse hondenfokkerij nog te weinig gemaakt.

Nieuwe dierenwelzijnscriteria
Naar aanleiding van het rapport ‘Fokken met kortsnuitige honden’ komt minister Carola Schouten (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) met nieuwe dierenwelzijnscriteria voor hondenfokkerijen. Deze zijn vooral gericht op uiterlijke kenmerken, zoals de vorm van de schedel, de neus en de ogen, schrijft minister Schouten in een brief aan de Tweede Kamer. Enkele voorbeelden zijn het ademgeluid, de neusverkorting en de ooglidreflex.

Naast een beperkt aantal handhavingscriteria beschrijft het rapport ook tal van aanvullende criteria die dierenartsen en fokkers verder kunnen helpen bij het selecteren van gezonde ouderdieren. Fokselectie in de richting van een (steeds) minder extreme schedel en snuitmisvorming vermindert de welzijnsrisico’s aanzienlijk. De uitkomst van dit project is derhalve een belangrijke opmaat voorde verdere uitbouw van handhavings criteria voor het fokken met honden en andere dieren ten aanzien van een groter aantal gezondheids- en welzijnsrisico’s.