Betere bijstand door meer eigen regie, positieve aandacht en extra beloning

Weten wat werkt

Wat is de beste manier om mensen met een bijstandsuitkering te begeleiden richting participatie of betaald werk? Onderzoekers van de Universiteit Utrecht volgden in het kader van het project Weten wat werkt: samen werken aan een betere bijstand gedurende zestien maanden bijstandsgerechtigden in Utrecht en Zeist. Zij werden willekeurig ingedeeld in een ‘controlegroep’ met de reguliere behandeling en drie groepen die elk een andere behandeling kregen: meer ruimte om zelf in actie te komen, extra ondersteuning vanuit de gemeente of de mogelijkheid om naast de uitkering meer bij te verdienen. 

‘Er is potentieel voor verbetering’ concludeert onderzoeker Timo Verlaat: ‘Door alle drie de behandelingen worden positieve effecten behaald, maar het zijn niet altijd dezelfde effecten. Het is vooral een politieke keuze waar je het meeste belang aan hecht.’
Meer eigen regie, positieve aandacht en ruimere bijverdienmogelijkheden – dat lijken in ieder geval aanpassingen die de moeite waard zijn om mee door te gaan. Deelnemers en uitvoerders voelen zich hier beter bij en de effecten voor gemeente en Rijk blijken ook (licht) positief. Het lijkt een win-win voor alle betrokken partijen om de Participatiewet in die richting te heroverwegen. 

Het onderzoek is uitgevoerd als een veldexperiment (oftewel randomised controlled trial). Dat betekent dat deelnemers willekeurig werden ingedeeld in verschillende onderzoeksgroepen, waarvan één groep (de zogeheten controlegroep) de reguliere aanpak in de bijstand heeft gekregen. Dankzij de willekeurige indeling zijn de groepen met elkaar vergelijkbaar en kunnen effecten die optreden worden toegeschreven aan de andere behandeling. De onderzoekers zijn opgetogen op deze manier bij te dragen aan evidence-based policy, beleid dat niet gebaseerd is op veronderstellingen maar op wetenschappelijk bewijs.

Meer arbeidsparticipatie door de interventies

Wat behelsden de andere behandelingen van de bijstandsgerechtigden en wat leverden die op?
 

  • Deelnemers in de groep Zelf in actie hoefden niet verplicht te solliciteren en konden vrij kiezen of zij wel of niet door de gemeente begeleid wilden worden. 

  • De aanpak in de groep Met extra hulp in actie was gericht op extra hulp en begeleiding, onder andere door de inzet van vaste klantmanagers, meer handelingsruimte voor klantmanagers, aanvullende (sollicitatie)trainingen, adviesgesprekken en dergelijke en meer contact tussen klantmanager en bijstandsgerechtigde. 
  • In de groep Werken loont mochten de deelnemers een groter deel van hun inkomsten uit arbeid houden en voor een langere periode bijverdienen naast hun uitkering.
  • Meten wat werkt was de benaming van de controlegroep, waarvoor de huidige wet- en regelgeving en de manier van begeleiding onveranderd bleef. 

In alle drie interventiegroepen vonden de onderzoekers positieve resultaten die duiden op meer arbeidsparticipatie. Daarbij viel op:
 

  • Zowel eigen regie bij de deelnemers als ook meer handelingsruimte en tijd voor klantmanagers leiden tot positieve effecten op meerdere dimensies. 
  • Het effect van een financiële prikkel (Werken loont) beperkt zich tot banen met een laag aantal uren.
  • Meer eigen regie voor de bijstandsgerechtigden leidt tot een grotere kans op een vast contract. 
  • Zowel Extra hulp in actie als Zelf in actie werken vooral goed voor lager opgeleiden. 
  • Bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben nagenoeg alleen baat bij extra hulp en begeleiding. 

Weten wat werkt - in het kort

Deelnemers en uitvoerders voelen zich hier beter bij en de effecten voor gemeente en Rijk blijken ook (licht) positief.

Voorzichtigheid over de conclusies

‘Er is dus potentieel voor verbetering’ concludeert onderzoeker Timo Verlaat: ‘Door alle drie de behandelingen worden positieve effecten behaald, maar het zijn niet altijd dezelfde effecten. Het is vooral een politieke keuze waar je het meeste belang aan hecht. Vind je het bijvoorbeeld belangrijk dat mensen volledig uit de uitkering stromen of valt er ook iets te zeggen voor participatie op de arbeidsmarkt en in de samenleving door deeltijdwerk? Hoe belangrijk is de tevredenheid van je klantmanagers? Er zijn positieve resultaten behaald, maar er zitten nog wel verschillen tussen de groepen.’

Meer eigen regie, positieve aandacht en ruimere mogelijkheden om bij te verdienen – dat lijken in ieder geval aanpassingen die de moeite waard zijn om mee door te gaan. Deelnemers en uitvoerders voelen zich hier beter bij en de effecten voor gemeente en Rijk blijken ook (licht) positief. Het lijkt een win-win voor alle betrokken partijen om de Participatiewet in die richting te heroverwegen.

Klantmanagers lijken meer tevreden met andere aanpak

Ook klantmanagers lijken meer tevreden met een andere aanpak van de bijstand. Desgevraagd gaven zij aan het veel prettiger te vinden meer ruimte te hebben voor eigen verantwoordelijkheid en creativiteit. Tijdens het onderzoek hadden cliënten in de groep met extra begeleiding een vaste klantmanager en hadden de klantmanagers in deze groep veel minder cliënten. Deze combinatie van factoren bood de klantmanagers ruimte om hun werk anders in te vullen en anders te beleven.

‘Als je geen vaste klantmanager bent, moet je steeds weer cliënten opnieuw leren kennen; je weet niet wat daarvoor is gebeurd maar je weet ook niet wat daarna is gebeurd. Als je een vaste klantmanager bent, begeleidt je cliënten langere tijd en maak je ook successen mee,’ legt Verlaat uit. ‘Het geeft heel veel voldoening aan je werk als je ziet dat iemand zich heeft ontwikkeld, of iets heeft kunnen doen met je advies.’

Verlaat maakt wel een kanttekening bij deze observatie: ‘We moeten wel beseffen: deze klantmanagers zijn niet random gekozen, ze hebben zichzelf vrijwillig opgegeven voor begeleiding van deze groep. Als je nu iedereen gaat verplichten om zo te gaan werken, zou dat dus weer andere effecten kunnen opleveren, omdat er misschien ook klantmanagers zijn die liever niet zo willen werken.’

Geldt datzelfde dan niet ook voor de deelnemende bijstandsgerechtigden? Ook zij hebben zich tenslotte vrijwillig aangemeld voor het experiment.

‘We zien dat de deelnemers aan Weten wat werkt wat hoger opgeleid zijn en wat minder lang in de uitkering zitten. Maar we zien in de data dat dit ook weer niet zoveel uitmaakt voor hun kansen op de arbeidsmarkt. Bovendien is de groep die zich heeft aangemeld nog steeds willekeurig verdeeld over de verschillende onderzoeksgroepen. Die kunnen we dus nog steeds volledig met elkaar vergelijken.’

Verschillen tussen lager- en hoger opgeleiden?

Een andere opvallende uitkomst lijkt het verschil in de effecten voor hoger opgeleiden en lager opgeleiden te zijn.

‘De aanpak in de groepen Zelf in actie en Met extra hulp in actie blijkt met name goed te werken voor lager opgeleiden. Daar zouden verschillende redenen voor kunnen zijn,’ denkt Verlaat. ‘Mogelijk hebben de verschillende aanpakken geen effect voor hoger opgeleiden omdat deze groep zichzelf goed redt. Of mogelijk hebben hoger opgeleiden die in de bijstand zitten met belemmeringen (mentaal, in de familie, financieel) te maken, die zo groot zijn dat een andere behandeling geen verschil maakt. 

Een mogelijke verklaring waarom juist Zelf in actie voor mensen met een lager opleidingsniveau misschien beter werkt, is het voorkomen van een ‘lock-in’. Als het beeld bestaat dat lager opgeleiden training, scholing etc. nodig hebben, terwijl zij best zelfstandig werk kunnen vinden, dan houdt hen dat dus eigenlijk juist af van meteen weer aan de slag gaan. Een andere mogelijkheid is dat de huidige regels zoals ze nu zijn vormgegeven voor lager opgeleiden belemmerend zouden kunnen zijn. Dan zou het kunnen helpen als je alle regels weghaalt (Zelf in actie) óf als je iemand naast je hebt die je extra goed begeleid in dat proces (zoals bij Met extra hulp in actie). Wat het precies is geweest, weten we helaas niet.’

Aandacht voor de langere termijn en subgroepen

‘We weten dat bij deze doelgroep op de korte termijn vooral kleine veranderingen optreden,’ zegt Timo Verlaat, ‘juist de lange termijneffecten zijn daarom heel interessant.’ 

Oorspronkelijk was het de bedoeling de 787 bijstandsgerechtigden die zich had aangemeld voor het onderzoek twee jaar lang te volgen – zolang het binnen het wettelijk kader mogelijk was om af wijken van de Participatiewet. Het onderzoek ging echter wat later van start, waardoor de groepen gedurende 16 maanden zijn gevolgd. Toch zijn de uitkomsten uit het onderzoek betekenisvol.

‘We hadden de groepen deelnemers langer willen volgen en graag ook wat groter gezien, zodat je nog beter naar subgroepen kunt kijken’, verklaart Verlaat. ‘De vraag wat de optimale regeling is, hebben we dus nog niet volledig kunnen beantwoorden. Daarvoor is vervolgonderzoek nodig. We willen bijvoorbeeld nog beter begrijpen welke aanpak voor wie in de bijstand het beste werkt.’

Opdrachtgevers en onderzoeksteam

Het onderzoek Weten wat werkt werd uitgevoerd door de Universiteit Utrecht (Utrecht University School of Economics) in opdracht van de gemeente Utrecht ten behoeve van de gemeente Utrecht en de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug. Het onderzoek is onderdeel van een reeks Nederlandse bijstandsexperimenten die onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd binnen een landelijk onderzoekskader opgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). 

Het Utrechtse onderzoeksteam bestond uit: Timo Verlaat, Marcel de Kruijk, Stephanie Rosenkranz, Loek Groot en Mark Sanders, met medewerking van Katja van Dien en Justine Miller.

Volledig rapport en meer

Lees hier het volledige rapport Weten wat werkt: samen werken aan een betere bijstand 

Overige documenten:

Contact

Heeft u vragen over Weten wat werkt? Neem dan contact op met Timo Verlaat.