‘Als je ergens aan begint, moet je het ook afmaken’
In februari 2026 gaat Charles van Marrewijk met emeritaat en neemt hij afscheid van de Universiteit Utrecht. Ter gelegenheid daarvan spraken wij hem over zijn loopbaan, zijn bijdrage aan de economische wetenschap en aan de Utrecht University School of Economics (U.S.E.), waar hij jarenlang onderzoeksdirecteur was en uiteindelijk ook hoofd van dit departement. Deze maand verscheen bovendien Handel als wapen, een prikkelend en bijzonder actueel boek dat hij schreef met Steven Brakman en Tristan Kohl, dat de economische dimensie van internationale macht blootlegt.
Het is goed getimed dat ‘Handel als wapen’ juist nu verschijnt.
Het boek stond al langer in de steigers, maar het kwam in een stroomversnelling door de ontwikkelingen in Amerika. Trump doet zijn best om het heel up to date en veel kapot te maken. Dat doet hij al bijna een jaar lang en hij gaat er mee door. Toch moet je niet proberen helemaal up to date te zijn, dat heeft weinig zin, juist omdat de ontwikkelingen zo snel gaan. Het idee van dit boekje is dat we een beetje achtergrond geven van de algemene handelsontwikkelingen: wat zijn de dingen die spelen, en hoe werken ze? We willen een beetje een framework creëren zodat mensen het beter kunnen plaatsen. Het is bedoeld voor een brede doelgroep, er staan veel voorbeelden in.
Is het schrijven van boeken iets dat je na je emeritaat vaker wil gaan doen?
Naar mijn idee hoef ik de minder leuke dingen van het werk nu niet meer te doen, en doe ik nu alleen nog de leuke dingen. Het idee is wel dat ik wat artikelen blijf schrijven, en ik wil inderdaad boeken schrijven. Ik denk ook dat die meer aandacht zullen krijgen.

Deze maand verscheen Handel als wapen van Steven Brakman, Tristan Kohl en Charles van Marrewijk. Handel als wapen is een prikkelend en bijzonder actueel boek dat de economische dimensie van internationale macht blootlegt. De auteurs laten zien hoe landen handel steeds vaker inzetten als een strategisch wapen. Door middel van eigentijdse voorbeelden – van de sancties tegen Rusland tot de handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China – onthullen zij hoe economische afhankelijkheid kan worden omgezet in politieke invloed.
Wil je ons eens meenemen door je loopbaan, en bijvoorbeeld vertellen hoe je bij de economie bent uitgekomen?
Ik ben laat begonnen bij de universiteit, ik was 22. Je hoort vaker van mensen met drie middelbare schooldiploma’s, maar ik heb er vier! Toen ik op de basisschool zat, was ik gewoon niet bezig met school; ik was heel speels op die leeftijd. Dus de school vond dat ik maar naar de mavo moest gaan. Maar uit de Cito-toets kwam vwo als advies. Dus toen ben ik naar een brugklas havo-vwo gegaan, maar dat niet gehaald, dus door naar de tweede klas van de mavo. Eigenlijk hadden ze allebei gelijk, de mensen van de basisschool, en die Citotoets. Het zat er wel in, maar het kwam op dat moment niet uit.
Op de mavo kon ik ook redelijk tekenen, dus leek het me leuk om naar de kunstacademie te gaan. Maar daar moet je havo voor hebben. Dus ging ik eerst dat doen. Ik werd echter niet toegelaten tot de kunstacademie – zeer terecht, overigens. Daarop zei mijn moeder: dan word je toch tuinder? Want ik kom uit een tuindersfamilie – in de bloemen. Dus ging ik de tuinbouwschool doen. Nou, het was niet echt mijn forte, laat ik het zo zeggen. Maar… het gunstige van die school was wel dat ik een goede docent economie had, en niemand was in economie geïnteresseerd, behalve ik. Die docent kon goed uitleggen over modellen, en modelleren. Dat vond ik echt leuk, en dat was het moment waarop ik besloot alsnog vwo te doen en economie te gaan studeren. Die docent is daar dus heel belangrijk in geweest. De andere belangrijke invloed was de uitnodiging als student-assistent, later in Rotterdam. Het studeren aan de universiteit ging heel snel, dus ik heb daar een beetje de tijd ingehaald, zo moet je het maar zien.
Maar je hebt dus ook nog een diploma van die tuinbouwschool.
Als je ergens aan begint, moet je het ook afmaken. Dat vind ik ook. Ik heb een half jaartje in de tuin van mijn vader gewerkt. Maar ik zag het helemaal niet zitten om dat de rest van mijn leven te doen. Dus heb ik een paar maanden later alle moed bij elkaar geschraapt om te zeggen tegen mijn vader dat ik het eigenlijk niet wilde. Waarop hij zei: als je dat niet wil doen, moet je dat niet doen. Ik had daar heel erg tegenop gezien, maar hij vond gewoon dat als ik het niet leuk vond, ik het niet moest doen. Dus dat vond ik heel fijn.
Na het vwo ben ik dus in Rotterdam economie gaan studeren, en werd ik ook gevraagd om student-assistent bij Internationale economie te worden. Dat was mijn eerste intensieve kennismaking met de wetenschap. Daar is Casper de Vries heel belangrijk voor mij geweest. Hij was mijn scriptiebegeleider, kwam net uit de Verenigde Staten en stimuleerde mij ook om daar te gaan studeren. In de Verenigde Staten heb ik anderhalf jaar onderzoek voor mijn proefschrift gedaan, aan Purdue University.
Overigens zat ik in Rotterdam op een kamer met Guido Imbens (de latere Nobelprijswinnaar – red.). Ja, sommigen gaan wat verder dan anderen.
Is je promotieonderzoek de basis geweest voor onderwerpen waarmee je je daarna hebt beziggehouden?
Nee, gelukkig niet. Je moet dingen doen die je leuk en interessant vindt, dat is mijn algemene advies. Het is wel een hele goede basis geweest om op voort te borduren. Ik werkte daar aan een proefschrift met de titel
Three essays in mathematical economics.
Een goede titel is het halve werk – en dit was dus geen goede titel. Het waren drie artikelen met een nietje erdoorheen. Dat was ook de standaard in Amerika.
Ik was toen heel theoretisch bezig. Gaandeweg, en terecht, is daar veel meer empirische relevantie bijgekomen. De samenhang tussen theorie en empirie en beleid is belangrijker geworden. Ik heb daarin eigenlijk gevolgd wat er in het algemeen in de wetenschap is gebeurd.
Na terugkeer in Nederland heb ik een open brief gestuurd naar alle universiteiten in Nederland met een economie-opleiding en ben ik in Groningen terechtgekomen. Daar heb ik mijn dissertatie afgemaakt, en met heel veel plezier drie jaar gewerkt. Ik werk trouwens nog steeds samen met mensen uit Groningen, met name Steven Brakman en Harry Garretsen. Vervolgens kreeg ik de kans om terug te gaan naar de Erasmus Universiteit, als UHD. Ik kom uit het Westland van een tuindersfamilie, dus dat was ook wat dichter bij huis. Tenslotte, na achttien jaar in Rotterdam, deed de mogelijkheid zich voor om naar Utrecht te gaan. En hier zit ik nu ook al weer achttien jaar, sinds 2008.
Kun je ons iets vertellen over het verloop van je loopbaan?
In het begin was ik dus erg bezig met theorie en de nieuwe ontwikkelingen daarin. Gaandeweg heb ik ook steeds meer belangstelling voor politiek en samenleving gekregen, en is tegelijkertijd ook de belangstelling voor beleidsrelevantie er bijgekomen. Dat is een geleidelijk proces. De laatste twintig jaar praten we regelmatig met de Tweede Kamer of worden gevraagd door het ministerie om iets uit te zoeken. Dat vind ik toch ook wel leuk, het heeft ook echt nut voor de samenleving. Ik vind theoretische ontwikkeling heel belangrijk voor de wetenschap in het algemeen, daar houd ik ook van. Maar die beleidsmatig relevante aspecten, daar wil ik toch meer aandacht aan blijven besteden.
Wat ik leuk vind, dat is steeds de doorslaggevende motivatie geweest om de wetenschap in te gaan en internationale economie heeft daarin altijd de leidende rol gespeeld. Ik ben in Utrecht op mijn plek omdat hier aandacht voor economie is als onderdeel van het geheel. Er zijn allerlei factoren die een rol spelen; er zijn geschiedkundige en geografische aspecten van economische ontwikkelingen. De laatste jaren heb ik met name de samenhang tussen economie en andere vakgebieden proberen te bekijken. Want dat maakt dat je weer een stapje verder kunt denken.
Wat is volgens jou je belangrijkste bijdrage aan het vakgebied geweest?
Je kunt natuurlijk kijken naar wat het meest aangehaald wordt, of waar je het bekendste door geworden bent. Dat is, denk ik, mijn werk over geografische economie. We hebben artikelen geschreven over clustering van economische activiteit, en over stedenbouw bijvoorbeeld, en ook boeken die vrij veel geciteerd worden – in het algemeen veel werk op het terrein van internationale handel. Ik heb ook veel werk gedaan over comparatieve voordelen. Met Jeroen Hinloopen heb ik een artikel geschreven waarin we duidelijk maken dat het vergelijken tussen landen moeilijk is. Een Balassa index voor een industrie in het ene land kun je niet zomaar vergelijken met eenzelfde cijfer voor een ander land. Want die landen en verdelingen kunnen heel verschillend zijn. Dat werk heeft veel aandacht gekregen.
Je hebt natuurlijk ook allerlei ontwikkelingen in de handelsliteratuur over het belang van het productieproces dat in steeds kleinere stapjes opgedeeld wordt. De vraag is dan: waar zit de toegevoegde waarde? Vroeger had je een fabriek waar ruwe staal er aan de ene kant in ging en aan de andere kant de Ford model T eruit kwam. Maar nu is die hele productie zover opgeknipt in onderdelen dat landen zich kunnen toeleggen op veel kleinere aspecten van het productieproces. Dat betekent wel dat je heel veel interactie hebt met elkaar, ook veel moet vervoeren, onderdelen moet vervoeren. Je wilt je onderdelen wel ergens anders vandaan halen, maar dat moet ook weer niet van te ver weg zijn, want dan moet je dat ook weer coördineren. Dus die clustering leidt vanzelf tot clustering in de buurt. Denk aan Duitsland en Tsjechië in Europa, aan de Verenigde Staten en Mexico in Amerika, of aan Taiwan of Zuid-Korea en China in Azië. Er zit een nabijheidscomponent aan. Dit soort ontwikkelingen hebben dan ook weer hun weerslag op het meten van comparatieve voordelen.
Een ander onderwerp waar ik veel onderzoek naar gedaan heb, is economische groei en ontwikkeling in het algemeen. Daar hebben we ook weer een boek over geschreven. Dus ja; het is een belangrijk aspect van wat ik denk dat leuk is: boeken schrijven. Die krijgen ook aandacht. We hebben het geluk gehad dat dat voor hele goede uitgevers is, dus eigenlijk altijd bij Cambridge en Oxford University Press.
Ons boek voor Cambridge University Press over ontwikkelingshulp,
international transfers
zoals dat heet, werd heel goed ontvangen en is ondertussen een paar keer herdrukt. Dat heeft ons een ingang geboden om later ook een boek over economische geografie te schrijven. Ik heb daarnaast ook boeken geschreven over internationale economie, ontwikkelingseconomie en over de combinatie van International Business en Economics. En nu is er dan ‘Handel als wapen’ waarin ons algemene academische werk wordt uitgelegd voor een breder publiek.
Hier wil je dus mee doorgaan, de komende tijd?
Ja. We zijn ook nog bezig met een aantal artikelen, die maken we sowieso af. Ik weet niet of we nog nieuwe gaan doen, dat is altijd een beetje afwachten. We zijn gevraagd om na te denken over het samenstellen van een serie voor Cambridge University Press over urbane en geografische economie. Dat is een serie korte boekjes, van zo’n honderd pagina’s elk, gefocust op een bepaald onderwerp, waarvan we dan de editors worden. Ik denk dat we daar ook een paar bijdragen aan gaan doen, of in andere series.
Je spreekt steeds over ‘we’. Werk je graag in teamverband?
Bijna alle artikelen en boeken zijn met meerdere mensen geschreven. We hadden het net al over ‘comparatieve voordelen’… iedereen is weer sterk in iets anders, en samenwerken met anderen is ook gewoon fijn, want dan kun je elkaar uitleggen wat je denkt en de ander kan daar dan kritiek op geven.
Nu we het toch over samenwerken hebben; wat kun je ons vertellen over je werk voor U.S.E.? Je was tot voor kort ook departementshoofd bij het departement.
Je hebt noemt mijn rol als departementshoofd, maar ik ben voor mijn gevoel veel langer onderzoeksdirecteur geweest. Toen ik werd aangetrokken door U.S.E., was ik onderzoeksdirecteur bij de Erasmus Universiteit, bij het Institute for Housing and Urban Development Studies, en ze zochten hier ook een onderzoeksdirecteur.
Dat is een taak die in het verlengde ligt van wat ik zelf belangrijk en interessant vind. Ik heb dat met veel plezier gedaan en geprobeerd om het onderzoek stap voor stap, in allerlei opzichten verder te ontwikkelen. Daar moet je de juiste stafleden bij aantrekken, bijvoorbeeld.
Dat heb ik uiteindelijk als hoofd departement voortgezet. In die rol krijg je veel bredere algemene verantwoordelijkheden natuurlijk voor het personeel en voor het welzijn. Er komen allerlei beleidsaspecten bij, bijvoorbeeld in relatie tot besluiten van de Tweede Kamer en het ministerie, en in overleg met andere universiteiten.
Never a dull moment
om het zo maar te zeggen. Het is aan de ene kant leuk om te zorgen dat het departement steeds in goede banen leidt. Gelukkig wordt er veel door andere mensen gedaan. Maar wat ik zelf het fijnste vind van die periode, is dat je regelmatig mensen een stapje verder kunt helpen; voor specifieke personen kun je iets betekenen in hun carrière. Dat is fijn.
Maar je vergadert natuurlijk wel heel veel. Het voordeel van departementshoofd zijn, is dat je meestal de voorzitter bent. Dan ben je er dus zelf verantwoordelijk voor dat de vergadering op tijd start en stopt. Maar ja, vergaderen in het algemeen… sommige mensen vinden het misschien leuk, maar ik hoor daar niet bij.
Hoe kijk je verder naar de ontwikkeling van het onderzoek en het departement?
Het departement is in 2003 begonnen, en in die korte tijd hebben we een heel sterk departement opgebouwd binnen de wereld, binnen Nederland. We doen het heel goed en ik ben blij dat we steeds verder groeien, weer wat beter en sterker worden. Als je kijkt naar de Shanghai Ranking dan wordt U.S.E. al een behoorlijke tijd tussen 76 tot 100
gerankt
in de wereld. Dat is bijvoorbeeld gelijk aan München, Groningen, King's College, John Hopkins, London Business School en hoger dan zeven andere universiteiten in Nederland. Dus we doen het gewoon heel goed.
Je ziet ook nog steeds een stijgende lijn in de kwaliteit van het onderzoek dat we doen, in de mensen die we aantrekken. Ik wil daar wel de kanttekening bij maken dat een belangrijke reden dat we dat kunnen doen, is omdat we aantrekkelijk zijn voor het buitenland, met name omdat we ook in het Engels lesgeven in de bachelor en de master. Voor de masteropleidingen staat dat niet ter discussie, in de bachelor wel. Dus daar maak ik me wel zorgen over. Hoe lang blijven wij aantrekkelijk voor hooggekwalificeerd buitenlands personeel? Dat is de uitdaging voor het nieuwe departementshoofd.
Over het onderwijs gesproken. Ga je het lesgegeven ook missen?
Ik ga er deze maand nog een klein beetje mee door. In februari geef ik ‘Economics of Global Challenges’, samen met Paul Schoepfer. Als er om wat voor reden nog een keer naar gevraagd wordt, en ik heb tijd, dan ben ik daar bereikbaar voor. Maar ik weet niet hoe lang de vraag daarnaar nog blijft.
Heb je in al die jaren onderzoek nog een fundamenteel inzicht opgedaan over de economie?
Als je het hebt over de internationale economie, dan zie je al heel lang toenemende globalisering, en het steeds verder opknippen van productieprocessen, daar hadden we het al even over. Nu zie je wat ze ‘slowbalisation’ noemen. Jarenlang steeg de handel sneller dan het inkomen, maar nu niet meer.
Het ‘opknippen’ heeft ook het nadeel in die zin dat als je dat te specifiek en te gericht doet, je te veel afhankelijk wordt van een bepaalde leverancier of een bepaald land. Dan word je kwetsbaar. Daar is nu meer aandacht voor dan vijftien jaar geleden, dat is duidelijk. Bedrijven zijn er meer mee bezig, landen zijn er meer mee bezig. Het is belangrijk dat je voor sommige onderdelen niet alleen afhankelijk bent van bijvoorbeeld China, of van één producent.
Denk maar aan de chipindustrie, want die is afhankelijk van één leverancier voor het produceren van de machines en die zit in Nederland: ASML. Er is geen enkel ander bedrijf in de hele wereld dat die machines kan maken.
We werken natuurlijk wel samen met heel veel andere bedrijven die het mogelijk maken. Zonder al die toeleveranciers kan ook ASML bijvoorbeeld zijn producten niet maken. Maar voor de wereld als geheel betekent het wel dat ze afhankelijk zijn van één specifiek bedrijf voor de levering van die machines.
Waar moeten volgens jou de andere economen zich de komende jaren mee bezig gaan houden?
Mensen moeten je vooral niet vertellen wat je moet gaan onderzoeken. Je moet doen wat je leuk en interessant vindt. Meestal gebeurt dat in interactie, dat is het mooie van een universiteit. Dus ik heb geen grote vergezichten over wat er moet gebeuren. Op mijn eigen vakgebied kan ik een beetje vooruitkijken voor de komende twee, drie jaar. Veel verder kan ook niet, hoeft ook niet. U.S.E. staat er ontzettend sterk voor op dit moment en ik heb er alle vertrouwen in dat dat zo blijft. Ik zou wel willen dat de vrijheid en de focus op kwaliteit behouden blijven.
Er wordt veel van je gevraagd op het gebied van onderwijs, onderzoek, op het gebied van fondsenverwerving, enzovoort. En eigenlijk moet je alles goed doen; dat is ook weleens een beetje te veel van het goede. Dus een goed team vormen, dat is belangrijk.
Kun je het met een gerust hart loslaten?
Zeker. Ik denk dat Niels Bosma een beter departementshoofd is dan ik, eerlijk gezegd. Omdat hij er oog voor heeft en het van nature liever doet. Ik denk dat hij wat inspirerender is voor andere mensen dan ik misschien. Maar uiteraard moeten anderen daarover oordelen. Ik heb er in ieder geval heel veel vertrouwen in dat het nieuwe bestuur het departement in goede banen zal leiden.
Tekst: Gert den Toom