Gegenereerd op 2017-09-23 02:31:02
Alle publicaties
  2016 - Vakpublicaties
Leurs, R.H. & Crone, V.C.A. (2016). Media. (218 p.). Groningen: Noordhoff.
  2016 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (29-02-2016) Biseksualiteit wordt vaak genegeerd in de media en wanneer een personage in een serie biseksueel is, is dat meestal slecht nieuws. In de 35e aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over de representatie van biseksualiteit. Hoe komt het dat hier zo weinig onderzoek naar is gedaan en is de manier van verbeelden erg? Linda en Vincent praten hierover in de studio met dr. Jaap Kooijman, Universitair Hoofddocent Mediastudies aan de UvA. Vincent, Linda en Jaap bespreken waar de letters LHBTQI voor staan en stellen dat de B (biseksueel) vaak uitgegumd wordt, terwijl er steeds meer aandacht is voor de andere letters. De biseksualiteit van Tofik Dibi en zanger Gordon wordt in media niet serieus genomen. Jaap stelt dat het definiëren van biseksualiteit als identiteit eigenlijk niet aan hem is, maar aan de groep die deze identiteit ook aan neemt. Linda vertelt dat biseksualiteit in vooral Amerikaanse populaire cultuur ambigu is: het is niet echt zichtbaar en het wordt zijdelings genoemd. De meeste biseksualiteit die we zien is in relatie tot trio’s en dan zijn het altijd twee vrouwen met een man. Jaap haakt hierop aan dat biseksualiteit vaak wordt gezien als een vorm van opportunisme en bespreekt de term bi-chique uit de jaren zeventig, een vorm van excessieve glamour. Er bestaan verschillende tropes rond biseksualiteit in populaire cultuur. Jaap en Linda vertellen dat het dan vaak gaat over de gevaarlijke, manipulatieve biseksueel of over onsterfelijke personages (vampiers). Ook wordt biseksualiteit in tv-series en films vaak gekoppeld aan een korte experimentele fase in de studententijd. Jaap benadrukt dat er in de afgelopen 40 jaar eigenlijk weinig is veranderd wat de representatie van biseksuelen in de media betreft en dat het daarom belangrijk is om hier over na te denken en praten. Linda sprak met Hilde Vossen, coördinator van het European Bisexual Network for Activists, over de onzichtbaarheid. Hilde verzoekt om bekende mensen hun identiteit te geven die ze ook zelf benoemt hebben. Biseksuelen in de media worden nu heel erg geseksualiseerd of juist ver-homoseksualiseert. [Snel luisteren] Jaap bespreekt heteronormativiteit, waarin het huwelijk en het gezin de belangrijkste instituties zijn. Er zijn nu ook vormen van homoseksualiteit die binnen dit hetero-normatieve passen. Linda legt uit dat dit in fictie ook terug is te zien: homoseksuele personages worden op een dergelijke manier neergezet, zodat er bijna geen onderscheid meer is met heteroseksuele personages. Mediastudent Folkert Koehoorn maakte een item over een bekende biseksueel: Lady Gaga. Jaap concludeert dat we misschien biseksualiteit moeten zien als iets dat niet gevangen wil worden in het strategisch essentialisme: het moet ons er constant aan blijven herinneren dat we de hokjes proberen open te breken. Linda legt pan-seksualiteit uit: het vallen op mensen ongeacht hun gender. Jaap vult aan dat biseksualiteit als identiteit en praktijk zeker zal blijven bestaan, maar dat het wellicht niet meer zo benoemd zal worden. Pan-seksualiteit begint terrein te winnen en het is goed mogelijk dat dit de 21e-eeuwse benaming zal worden.
V.C.A. Crone (05-12-2016) Christenen gaan steeds minder naar de kerk, jonge moslims komen steeds minder vaak in de moskee en veel Nederlanders geloven niet in God, maar wel in iets. Welke rol hebben de media hierin? In de 47e aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over religie en populaire cultuur. Dat doen zij met theoloog Mirella Klomp, verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit. slack-for-ios-upload-4Klomp legt uit hoe we in hedendaagse media liturgische rituelen kunnen herkennen: voornamelijk christelijke handelingen die teruggevoerd kunnen worden op oude tradities. Tegenwoordig wordt de rol van de geïnstitutionaliseerde kerk steeds kleiner. Klompt stelt dat door die verkleining er een verplaatsing van de rituelen plaatsvind, richting andere domeinen in de cultuur. Hierdoor veranderen religieuze rituelen. Redacteuren Thom Aalmoes, Narin Esmaeel en Folkert Coehoorn maakten een item over christelijke en islamitische hiphop. Een voorbeeld waarin religie en populaire cultuur samen komen. De G in ‘what up G’ blijkt niet te staan voor gangster, maar voor God. [Snel kijken] The Passion is een ander voorbeeld. Dit lijdensverhaal van Jezus Christus wordt uitgezonden op de nationale televisie. Volgens Klomp hebben dergelijke evenementen een seculiere vorm, maar zit er vanuit de makers toch een evangelische toon achter. Andersom heeft populaire cultuur ook invloed op liturgische rituelen. Zo willen de producenten van de EO Jongerendag het evenement jong en hip laten lijken en gebruiken ze daarvoor muziek en andere elementen uit populaire cultuur. Redacteur Sebastiaan van de Poll interviewde kerkelijk jongerenwerker Samuel Gerrets. Hij legt in zijn werk makkelijk links tussen populaire cultuur en Bijbelverhalen. [Snel kijken] Linda voegt hier aan toe dat het gebruik van elementen uit populaire cultuur gelovige jongeren een eigentijds gevoel geeft. Aan het einde van de aflevering formuleren we een antwoord op de vraag. Linda vindt het vreemd om te stellen dat populaire cultuur en religie elkaar bijten. Wat je voornamelijk ziet is dat populaire cultuur en religie elementen van elkaar overnemen en gebruiken. Klomp stelt dat ze het sowieso niet eens is met een dichotomie tussen kerk en populaire cultuur. Wellicht zorgt wederkerige beïnvloeding voor een toename aan religiositeit. Onze genetwerkte samenleving kan volgens haar zorgen voor nieuwe religieuze uitingsvormen waarbij zingeving en zin centraal staan.
V.C.A. Crone (28-03-2016) De media, en vooral ook sociale media, spelen een belangrijke rol in het doorvertellen, herhalen en in leven houden van folkloristische verhalen. In deze aflevering verwonderen we ons over broodje aap-verhalen. Waarom trappen we er iedere keer in? We doen dat met dr. Peter Burger, docent journalistiek en nieuwe media aan de Universiteit Leiden en het brein achter de website Gestolen Grootmoeder, waar hij zulke verhalen bijhoudt. BroodjeAap (1) (2)Burger vertelt waar de naam broodje-aap vandaan komt: Ethel Portnoy was wereldwijd de eerste die dit soort verhalen verzamelde in haar boek Broodje Aap uit 1978. Maar het idee van virale verhalen is al ouder. Al in de 19e eeuw werden dergelijke verhalen verspreid via kranten, iedere keer weer in een iets andere vorm. Vincent merkt op dat het mensen broodje aap-verhalen altijd via verre, vage kennissen te horen krijgen, maar de originele bron blijft onbekend. Mediastudent Folkert Coehoorn maakte een item over een bekend broodje aap-verhaal, ‘de smiley-bende’, dat in 2003 volop in de media was. Deze bende zou meisjes de keuze bieden tussen een groepsverkrachting of een eeuwige glimlach door de mondhoeken in te snijden. [Snel kijken] Burger en Vincent leggen uit waarom dit verhaal zo tot de verbeelding spreekt. Burger handelt in zijn proefschrift over de retorica van broodje aap-verhalen: wat doen mensen om zo’n verhaal en zichzelf geloofwaardig te maken? Hierbij zijn vooral de waarheid en de waarde van het verhaal belangrijk. Ondanks dat mensen niet zo zeker weten of het echt klopt, willen ze toch anderen waarschuwen en doorgeven wat verstandig gedrag is en wat niet. Linda stelt dat er een sterk moralistisch aspect is bij het doorvertellen van broodje aap-verhalen. Mediastudent Iris Verhulsdonk interviewde journalist Bart Braun over 1 april grappen. Tijdens het interview vertelt Bart over hoe hij twee keer als journalist in een 1 april grap trapte. Hij geeft aan dat dit vaak leuke verhalen zijn die je als journalist niet kunt laten lopen. [Snel kijken] Peter denkt dat dit ook de reden is waarom journalisten vaak broodje aap-verhalen verslaan. Linda vraagt zich af of sociale media ook worden ingezet om dit soort verhalen te ontkrachten. Peter legt uit dat het oorspronkelijke verhaal vanwege het veel grotere bereik vaak veel harder gaat dan het corrigeren. Vincent concludeert dat broodje aap-verhalen aantrekkelijk zijn om te vertellen en te horen: we willen graag een beetje gruwelen. Ook zit er een intrinsieke kwaliteit aan bepaalde verhalen die altijd terug zullen komen: nooit op precies dezelfde manier, maar altijd met een aanpassing die het relevant maakt voor deze tijd. Peter vult aan dat het maken van verhalen een van onze beste manieren is om zin te geven aan ons leven en de wereld. Linda: ook het waarschuwingsaspect speelt een grote rol in het tuinen in broodje aap-verhalen.
V.C.A. Crone (09-05-2016) De Mediadoctoren zijn nooit te beroerd geweest om anderen de maat te nemen. Deze keer gaat het over diversiteit en moeten zij ook bij zichzelf te rade gaan: waarom hebben ze in 39 afleveringen nog nooit een niet-witte gast gehad? Waarom zijn de media zo overweldigend wit? En wat kunnen we daar aan doen? In de 40e aflevering bespreken de Mediadoctoren diversiteit (en vooral het gebrek daaraan) in de media. IMG_2172 (3)Te gast is Reza Kartosen-Wong. Hij promoveert binnenkort op de consumptie van Aziatisch-Nederlandse populaire cultuur en is docent aan de Universiteit Utrecht. Uit het onderzoek van Kartosen-Wong blijkt dat jongeren zich afkeren wanneer zij zichzelf niet terugzien in de media. Het gevolg is dat zij zich mogelijk ook afkeren van Nederland omdat ze zich niet erkend voelen. Linda denkt dat we een onderscheid moeten maken tussen diversiteit in redacties en diversiteit in onderwerp en beeld. Het lijkt haar geen goed idee dat kranten alleen Marokkaans-Nederlandse journalisten aannemen voor een reportage over de shariadriehoek. Deze mensen moeten juist ook schrijven over allerlei andere zaken, anders ligt essentialisme op de loer. We bespreken via er schuldig zijn aan gebrek aan diversiteit. Nederlandse televisie was in de jaren ’50 spierwit, totdat Donald Jones verscheen. Marloes de Jong en Iris Verhulsdonk maakten hier een item over: [snel kijken]. Was Jones een wegbereider of werd hij simpelweg gebruikt als een stereotype zwarte man? Kartosen-Wong denkt niet dat je daar een eenduidig antwoord op kunt geven. Enerzijds was het een wegbereider – dankzij hem hebben andere acteurs van kleur een kans gekregen. Anderzijds waren de rollen die hij speelde stereotype en bevestigend. Dit lijkt heel erg op hoe Aziaten worden afgebeeld in de Amerikaanse media: als ‘model minorities’. Onder Nederlands-Aziatische jongeren bestaat een groot verschil tussen de ‘cosmopolitans’ en de ‘Asians’. Voornamelijk de Asians keren zich af van de Nederlandse populaire cultuur. Dit heeft ook te maken met het feit dat ze Nederlandse media heel slecht vinden. Er zijn namelijk geen blockbusters van Amerikaanse kwaliteit. Bovendien wordt men vaak stereotype gepresenteerd: denk aan meneer Chung in ‘Ik Hou van Holland’. Dit wordt door veel Aziatische jongeren als kwetsend ervaren. Sebastiaan van de Poll sprak met schrijver, journalist en actrice Anousha Nzume. [snel kijken]. Zij vertelt dat veel talentvolle journalisten met een kleur nog steeds moeilijk aan de bak komen. Pleit een gebrek aan diversiteit voor een quotum? Kartosen-Wong is het hier niet mee eens. Dit zou immers ook kunnen betekenen dat er slechtere acteurs of journalisten worden aangenomen. Het binnenhalen van gekleurde journalisten leidt bovendien niet per definitie tot diversiteit in beeld of tekst. Het gaat niet om cijfers of percentages alleen. Een quotum in de sollicitatieprocedure lijkt hem wel een goed idee. Kartosen-Wong komt tot de conclusie dat het draait om macht – wie de posities bezet wil zijn positie niet opgeven. Maar nieuwe technologie zorgt er wel voor dat mensen met minder macht zich kunnen uitten. Linda concludeert dat er een nieuw besef moet komen: Nederland is een multiculturele samenleving en er is bovendien een markt die we kunnen aanboren. Wie geen mensen van kleur heeft rondlopen is een culturele sukkel: je mist ontwikkeling op allerlei vlakken en de wereld gaat ondertussen verder.
V.C.A. Crone (24-10-2016) Een date hoef je allang niet meer te regelen via een avondje uitgaan. Datingsites – en apps als Tinder of Happen worden veel gebruikt. Media schrijven graag over de invloed van technologie op daten, maar heeft de technologie onze afspraakjes wel zo veranderd? In de 44e aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over datecultuur, traditionele genderrollen en technologie. img_3986-2 Dat doen we met antropoloog Jitse Schuurmans. Hij schreef zijn masterscriptie over de verleidingsgemeenschap in Californië en werkt nu aan een promotieproject over dating en hooking up in de VS en Hong Kong. Hij maakt onderscheid tussen het traditionele date-script dat voorschrijft hoe een jongen een meisje moet uitvragen. Hooking up daarentegen gaat om snel seksueel contact, waarbij emotionele intimiteit wordt afgehouden. We bespreken de geschiedenis van datecultuur. Linda legt uit dat daten een fenomeen is uit de moderniteit. Eind achttiende eeuw beginnen mensen een relatie te zoeken via media, maar dit was hevig gestigmatiseerd. Met de opkomst van internet heeft dit een vlucht genomen. Schuurmans vertelt dat buitenshuis afspreken eerst een gewoonte was van de lagere klasse die later is overgenomen door de midden- en hoge klasse. Apps als Tinder hebben dankzij de ludieke vorm het stigma rondom datingsites voor twintigers deels doorbroken. We bespreken verleidingsgemeenschappen, waarin mensen (voornamelijk mannen) zich opgeven om te leren versieren. Het lijkt daarbij alsof mannen niet meer weten hoe ze zich moeten gedragen. Om te versieren moet je nu niet alleen geld hebben en macht, maar ook een leuk praatje kunnen maken. We bespreken wat je moet doen om succesvol te zijn als ‘kwaliteitssingle’. Het zoeken naar liefde is misschien nog nooit zo moeilijk geweest. Redacteuren Folkert Coehoorn en Iris Verhulsdonk maakten een item over liefde en Tinder [snel kijken] Tot nu toe is het alleen nog over hetero’s gegaan. Redacteur Sebastiaan van de Poll interviewde Joseph Kearney van gay datingsite Planet Romeo. Volgens hem zijn hetero’s minder open over hun wens om casual seks te hebben. Bij hetero’s is het minder normaal om aan te geven wat precies je seksuele voorkeuren zijn. [Snel kijken]. De scripts zijn op andere manieren ontwikkeld. Linda stelt dat het heteroseksuele script is gevormd door stigma, historische context en sociale klasse terwijl homo’s zelf hun scripts konden invullen. Schuurmans voegt toe dat homoseksuele mannen vaak early-adopters zijn van dit soort technologieën omdat zij vaak in gebieden zitten waar niet heel veel andere homoseksuele mannen te vinden zijn. In het beantwoorden van de vraag hoe technologie daten heeft verandert verschillen Schuurmans en Linda van mening. Hij benadrukt dat de hoeveelheid mogelijke partners waarmee je in contact komt ongekend groot is, bovendien komen ze uit een andere poule dan vrienden-van-vrienden. Volgens Linda zorgen apps als Tinder er juist voor dat bestaande processen worden vergemakkelijkt, in plaats van dat deze doorbroken worden. Het culturele script van daten voor hetero’s verandert eigenlijk nauwelijks.
V.C.A. Crone (23-05-2016) Een goede journalist hoort zijn mening voor zich te houden. Sterker nog: het zou beter zijn als de journalist helemaal geen mening zou hebben. In de geestes- en sociale wetenschap zijn we echter heel kritisch op het idee van objectiviteit. We kunnen niet meten zoals natuurwetenschappers dat doen en een groot deel van wetenschapsfilosofie bestaat uit kritiek op het idee van waardevrije of objectieve wetenschap. Daarom vragen we ons in aflevering 41 af: is het mogelijk om objectieve journalistiek te bedrijven? Dat doen wij met Rens Vliegenthart, hoogleraar bij de afdeling Communicatiewetenschap van de UvA en gespecialiseerd in politieke communicatie. IMG_2379 (2)We beginnen met een begripsbepaling, want wat is subjectieve journalistiek precies? Vliegenthart zegt dat het zou moeten gaan om feiten in plaats van meningen. Bovendien moet objectieve journalistiek een gebeurtenis van meerdere kanten belichten. Maar de exacte betekenis van objectieve journalistiek is niet zo duidelijk afgebakend. Vincent vindt dat objectiviteit een inherente waarde van journalistiek is, wanneer een stuk niet objectief is, is het minder journalistiek geworden. Vliegenthart is het hier mee eens, maar stelt wel dat er een grote vervaging is van grenzen. Deze vervaging is bijvoorbeeld zichtbaar bij de selectie van feiten. Op het moment dat je bepaalt welke onderwerpen aan bod komen, is er al sprake van subjectiviteit. Vincent voegt hieraan toe dat we ook juist graag de kritische vraag van de journalist willen horen, ook als die vraag niet objectief is. Vincent ziet objectiviteit vooral als een gelegenheidsargument om de journalistiek te ondermijnen. Het ideaal van de objectieve journalistiek stamt uit de 19e eeuw, in Nederland begon toen de verzuiling: Linda vraagt zich af of hoe objectief de journalistiek toen was. Vliegenthart zegt dat we hier op twee manieren naar kunnen kijken. Op het niveau van het individuele bericht was de berichtgeving sterk gekleurd naar de zuil. Aan de andere kant zorgde het verzuilde systeem er wel voor dat de verschillende stemmen die aanwezig waren in de maatschappij aan bod kwamen. Toen de ontzuiling in Nederland inzette, kwam in Amerika een nieuwe vorm van journalistiek op waarbij de journalist ook activist was. Sebastiaan van de Poll maakte een item over Gonzo-journalistiek. [Snel kijken] Vliegenthart schreef zijn proefschrift over framing in het immigratiedebat. Linda vraagt zich af of het bestaan van frames niet al een bewijs is dat objectieve journalistiek eigenlijk niet bestaat. Vliegenthart zegt dat dit inderdaad zo is, maar wil wel benadrukken dat we moeten loslaten dat framing per se een slecht ding is. Elke berichtgeving is namelijk op een bepaalde manier geframed. Een Amerikaanse studie laat zien dat jongeren nieuws met een mening sterk waarderen. Ook in Nederland is nieuws met een mening populair, dit zien we bijvoorbeeld bij Zondag met Lubach. Onze redactieleden Iris Verhulsdonk en Folkert Coehoorn interviewden Arjen Lubach. Lubach stelt dat hij niet zozeer een journalistiek programma maakt. Omdat zij komedie maken hoeven ze niet alle kanten van een verhaal te belichten. Maar volgens Lubach is het wel van belang dat alle informatie die in Zondag met Lubach komt waar is. [Snel kijken] We concluderen dat echte objectiviteit een onmogelijk ideaal is. Het is nou eenmaal niet mogelijk feiten te presenteren zonder dat er een selectie optreedt. Vliegenthart stelt bovendien dat het ook geen probleem hoeft te zijn dat deze objectiviteit niet volledig gerealiseerd kan worden.
V.C.A. Crone (15-02-2016) Een nieuw jong dier in Artis, gestrande potvissen op Texel of een hond die ontvoerd is: dieren komen vaak uitgebreid in het nieuws. Maar waarom eigenlijk? In deze 34e aflevering van Onder Mediadoctoren verwonderen wij ons over dieren in het nieuws. Dit doen wij in de studio met Maarten Reesink, werkzaam bij de UvA bij Media en Cultuur en op oprichter van Animal Studies netwerk Nederland. Volgens de traditionele eisen van nieuwswaardigheid: mensen, hoe dichtbij iets is en hoeveel impact een gebeurtenis heeft, zouden dieren niet nieuwswaardig moeten zijn. Toch zijn we geïnteresseerd in dieren die mensachtige dingen doen. Linda zegt dat dieren nieuwswaardig zijn als ze iets onverwachts doen, of als de entertainmentfactor om de hoek komt kijken. Linda vraagt zich dan ook af of je dan nog wel kan spreken van nieuws, in plaats van entertainment. Niet alle dieren zijn geschikt als lijdend voorwerp, we hebben nou eenmaal liever beelden van schattige konijntjes dan van gieren, hoe belangrijk die ook zijn voor het ecosysteem. De vraag die hier naar boven komt is welke dieren voor welk doeleinde worden gebruikt en de uitsluitingsmechanismen die hierbij komen kijken. In het item van Rosanne is een rechtszaak bezig tegen ‘De Big’. We bespreken hoe dit fictieve voorbeeld interessant is voor de rol van het dier. Maarten zegt dat het mogelijk is om dieren zowel rechten als plichten te geven. Dat dierenrechten voor veel mensen belangrijk is zien we aan de reactie op dierenmishandeling. Dierenmishandeling legitimeert volgens Vincent een buitengewoon agressieve reactie die zorgt voor volkswoede. Linda haakt hier op in: op het moment dat er zoveel emotie komt kijken en er wordt opgekomen voor de ‘zwakkeren’ – mens of dier – wordt de waarheid van ondergeschikt belang. De vraag is of de media deze emotie zouden moeten faciliteren. We komen tot de conclusie dat er belang is bij het benoemen van dierenleed, maar dit zou niet zo selectief moeten zijn. [Snel kijken] Tot de tijd dat we geen onderscheid maken in het belang van dieren, moeten we er ook geen nieuwswaarde aan koppelen. Maarten voegt hieraan toe dat we beter moeten nadenken over een ethiek van dieren want juist deze ethiek bepaalt ook de manier hoe media omgaan met dieren.
V.C.A. Crone (19-12-2016) Films komen tegenwoordig in verschillende bioscoopversies uit, zoals 3D, terwijl mensen ook thuis steeds meer geavanceerde thuisbioscopen hebben. In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over bioscoopcultuur: waarom gaan mensen in hemelsnaam nog naar buiten om een film te zien als je alles thuis op je eigen bank kunt bekijken? Dat doen zij samen met Clara Pafort-Overduin, Universitair Docent bij Media & Cultuur aan de Universiteit Utrecht. In Nederland gaan relatief weinig mensen naar de bioscoop. We bespreken uitgebreid de rol van de Nederlandse Bioscoopbond, verzuiling en de internationale profilering van de Nederlandse film. Naast de film draait het natuurlijk ook om de bioscoop zelf. In Amsterdam staat de mooiste bioscoop van het land, Tuschinski. Redacteur Folkert Coehoorn maakte met Vincent Crone een item over een bijzonder opwindend plekje in deze bijzondere bioscoop [snel kijken]. Redacteuren Thom Aalmoes, Sebastiaan van de Poll en Pim Prins interviewden de Amerikaanse filmfanaat Jeffrey Babcock over de ervaring die hij zijn bezoekers wil geven met zijn Underground Cinema’s in Amsterdam [snel kijken]. Zowel het Tuschinski als Jeffrey Babcock proberen hun bezoeker een bepaalde ervaring mee te geven. We praten over de verschillende manieren waarop de bioscoop kan fungeren als sociale handeling, die kan leiden tot een gedeelde ervaring. Aan het einde van de aflevering formuleren we een antwoord op de vraag. Vincent beargumenteert dat de ervaring van de bioscoop als avondje uit niet zo veel verschilt met vroeger, omdat de reden om een bioscoop te bezoeken niet is veranderd. Pafort-Overduin stelt dat er meerdere aspecten meespelen, maar de sociale handeling – die niet alleen is voorbehouden aan stelletjes die op date zijn – van belang is.
V.C.A. Crone (20-06-2016) Het lijkt wel alsof ieder muziekgenre zijn eigen drugs heeft. Reggae klinkt extra lekker met een jointje en menig festivalganger slikt graag een pilletje om de techno extra te waarderen. In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de relatie tussen muziekgenres en drugs. Dit doen wij in de studio met criminoloog Ton Nabben, verbonden aan Bonger instituut van de Universiteit van Amsterdam. 2016-06-20 (3)Nabben maakte in zijn proefschrift onderscheid tussen de set, de setting en drug zelf. De setting kan een locatie of een regio zijn, bij de drug kan gekeken worden naar de chemische samenstelling van de drug of bijvoorbeeld de prijs. Bij de set gaat het om de eigenschappen van de gebruiker. Zo was heroïne in de jaren ’30 in Noord-Amerika erg cool onder de hipsters en de zwarte jazzmuzikanten die door het land trokken. Linda voegt hieraan toe dat veel muziekgenres ook sterk verbonden zijn met settings, namelijk met specifieke jeugdculturen. Die hebben bepaalde kenmerken die overeenkomen met bepaalde drugs. Dit is duidelijk zichtbaar in de dancescene: de muziek is erop gericht om in een trance te komen door de eeuwige repetitie. Xtc maakt het gemakkelijker om in die trance te komen. Er zijn grote verschillen tussen de bepaalde groepen en de drugs die zij gebruiken. Hierbij zijn onder andere factoren als geld en de tijd waarop je de drugs neemt van belang. Speed staat volgens Nabben bijvoorbeeld voor snelheid en reizen. Speed paste daarom bij de artiesten in Amerika die het hele land door moesten en bij de motorgangs die ruw waren en zich veel verplaatsten. Volgens Nabben gaat het om de symbolen die een subcultuur omarmt, die slechts bekend zijn onder insiders. Ook in de klassieke muziek speelde drugs een rol. Redacteuren Sebastiaan van de Poll en Folkert Coehoorn maakten een item over de rol van drugs in het leven van de componist Hector Berlioz. [Snel kijken] Nederland is niet alleen groot in het voortbrengen van DJ’s, maar ook de productie van xtc. Linda interviewde DJ Joost van Bellen over het succes van acid house en de komst van xtc. [Snel kijken] Xtc is tegenwoordig heel populair, maar de festivals zijn gereguleerd. Het mag dan niet heel effectief zijn, maar de organisaties werken allemaal netjes mee met de gemeente. De housescene krijgt vaak de beschuldiging apolitiek zijn, maar dat maakt het juist laagdrempelig. We concluderen dat drugs en genres kenmerken hebben die elkaar kunnen versterken. Niet alle genres gaan met alle drugs samen. Nabben voegt hieraan toe dat de setting en drug van groot belang zijn.
V.C.A. Crone (18-10-2016) Lecture for Cinekid Zappdag
V.C.A. Crone (11-04-2016) Lijden en sterven zijn niet de meest gemakkelijke onderwerpen, maar toch zijn ze niet weg te denken uit de media. In programma’s als Over Mijn Lijk gaat het zelfs over de terminale ziektes van jonge mensen. Hoe vertel je een verhaal over sterven? Waarom is het belangrijk dat we dit zien op tv? En, worden we banger of minder bang voor de dood door de verhalen in de media over onze eigen sterfelijkheid? In de 38e aflevering van Onder Mediadoctoren verwonderen we ons over terminale ziektes in de media. 2016-04-10Dit doen wij in de studio met Bart van Heerikhuizen, socioloog en sinds 1972 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft het idee dat media tegenwoordig veel meer bezig zijn met ziek zijn en lijden dan enkele decennia geleden. Ook zien we steeds meer aandacht voor ziektes in de openbare ruimtes. Linda vindt dit Amerikaans aanvoelen, waar goede doelen geen geld krijgen van de overheid en van fondsen moeten leven. Afgezien van de financiële toevoeging bespreken de mediadoctoren het maatschappelijk belang van dit soort zichtbaarheid. Van Heerikhuizen denkt dat het voor veel mensen bevrijdend kan werken, niet zozeer de reclames zelf, maar juist door de verhalen te horen van mensen die overlijden. Hij herinnert zich nog een tijd dat het onbesproken bleef en ziet deze openheid als positief. Linda heeft het idee dat mensen vooral bezig zijn met zéggen dat zij het taboe aan het doorbreken zijn. Vincent vraagt waarom we zo veel morele waarde toekennen aan mensen die gaan sterven. Van Heerikhuizen ziet het ook vooral als een manier waarop iemand die dood gaat een indruk achter laat. Dat maakt het programma bijna sacraal en heilig. Media leren ons op een bepaalde manier omgaan met de dood, zoals dat eerder in de kerk gebeurde. Daarnaast ziet Linda een patroon in dat we de mensen die doodgaan ophemelen: het zijn altijd leuke en lieve mensen die doodgaan. Als het gaat om terminale ziektes in de media is het vaak de bedoeling om geld op te halen. Bij het fondsenwerven voor ziektes komt nogal wat kijken: het is een ware industrie. Mediastudent Folkert Coehoorn sprak met een adviseur fondsenwerving Niels Kattenberg. Hij legt uit dat er elementen zijn die een verhaal meer geschikt maken voor fondsenwerving. Hierbij spelen urgentie een rol, maar mensen moeten ook het gevoel hebben dat zij echt een verschil kunnen maken in de ziekte van de ander. Linda vindt dit problematisch: door dit systeem worden bepaalde ziektes bevoorrecht. [Snel kijken] Over de aandacht die zieke mensen krijgen maakten Marloes de Jong, onze nieuwe mediastudent, en Linda een item. Zij bespreken het syndroom van Münchhausen by internet, dat als een apart syndroom wordt onderscheiden van de andere vormen van Münchhausen. [Snel kijken] Opvallend is dat deze vorm van aandacht vragen online als een syndroom geclassificeerd is, terwijl veel andere manieren van online aandacht vragen dat niet zijn. De mediadoctoren sluiten af met de vraag hoeveel nut dit soort verhalen over terminale ziektes hebben. Linda stelt dat media de rol van verloren religie vervullen, zodat we houvast vinden en bang zijn voor de dood. Daarbij is het wel van belang te bekijken welke ziektes en groepen worden buitengesloten. Van Heerikhuizen ziet het laten zien van dood en lijden als een bevrijding. Het bespreekbaar maken van dingen is belangrijk: iedereen gaat uiteindelijk dood en door dit vertoog komt er meer herkenbaarheid en openheid.
V.C.A. Crone (21-11-2016) Online vind je allerlei woorden en afkortingen die je niet in de krant leest. Hoe ontstaat deze taal en heeft deze taal ook invloed op de standaardtaal? In deze 46e aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over internettaal. Dit doen we met Marc van Oostendorp, hoogleraar Fonologie en werkzaam bij het Meertens Instituut. fullsizerender-6 Om internettaal te begrijpen, definiëren we eerst wat taal is. Van Oostendorp haalt daarbij Aristoteles aan: taal zijn gedachten die je vorm hebt gegeven. Taal gebeurt dan ook veel in je hoofd. Maar wat is internettaal dan? Onze redacteur Folkert Coehoern interviewde internetdeskundige en socioloog Gyurka Jansen. Volgens hem hangt internettaal samen met subculturen: mensen bevestigen door middel van taal dat ze tot een specifieke groep behoren. [snel kijken] Vincent vraagt hoe we die groepen kunnen begrijpen. Dit is volgens Van Oostendorp niet erg veel veranderd door internet. Iedereen praat net iets anders dan een ander en aan de hand daarvan kun je een hoop te weten komen over mensen. Mensen denken vaak aan taal als communicatiemiddel, maar het is net zo goed een middel om te laten zien wie je bent. Dit verklaart hoe divers taal is. Ook past men zich volgens Van Oosterdorp aan de taal van de gesprekspartner aan. Vincent vraagt waarom dan niet alle mensen op internet dezelfde taal spreken. Dit is omdat je je meer aanpast aan de mensen op wie je wilt lijken en dat verschilt per persoon. Subculturen en de taal die gebruikt wordt binnen zo’n groep, hangen sterk met elkaar samen. Linda legt uit dat subculturen over de communicatie van verschil gaan: als groep anders zijn dan de rest en anderen buitensluiten. Internet behoorde ooit toe aan een subcultuur – nerdy computergebruikers die als eerste op internet zaten. Is de technologie waarmee we communiceren dan ook bepalend voor de manier waarop we taal gebruiken? Van Oostendorp stelt dat we taal steeds meer gaan gebruiken op de manier waarop we in een ver verleden taal gebruikten. Heel direct en zonder al te veel over na te denken. Volgens Van Oostendorp leidt onze drang naar informeel taalgebruik ons naar sociale media. Internettaal gaat dus niet alleen over woorden, maar heeft ook een groot visueel aspect. Redacteuren Marloes de Jong en Sebastiaan van de Poll maakten een item over Emoji. [snel kijken] Van Oosterdorp maakt de vergelijking met lichaamshouding, gezichtsuitdrukking en intonatie die, net als Emoji, onderdelen zijn van communicatie die niet in woorden zijn uitgedrukt. Ook in het geval van brieven kon je dingen aflezen aan bijvoorbeeld iemands handschrift. Maar hebben we straks dan nog wel letters nodig? Communiceren we straks in een soort hiëroglifische taal? Van Oostendorp benadrukt dat de gemiddelde mens vooral gesproken taal gebruikt. Linda vult aan dat we de ‘gewone’ taal gewoon nodig hebben, al is het alleen maar om de conventies van bijvoorbeeld Emoji duidelijk te maken. Maar wat is de invloed van internettaal dan? Van Oosterdorp trekt de conclusie dat de internettaal niet per se invloed heeft op de taal, maar dat taal vooral invloed heeft op internet.
V.C.A. Crone (25-04-2016) Televisie- en radiostudio’s zijn gevestigd in Hilversum en mediamakers wonen in de grachtengordel. Mediaproducties richten zich op een nationaal publiek, maar hoe zit het buiten de Randstad? Wat is het belang van lokale cultuur? In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over populaire cultuur in de regio. Te gast is Irene Stengs, cultureel antropoloog verbonden aan het Meertens Instituut. Stengs is gespecialiseerd in lokale identiteiten. Deze gaan over een verbintenis met de plek waar je woont of waar je vandaan komt. Dit kan dus overal zijn, ook in de stad. Er is echter sprake van een specifieke categorie, de plattelands- of streekidentiteit. Mensen die hierover spreken zetten die lokaliteit op één lijn met het platteland of de regio. Momenteel doet Stengs onderzoek naar André Rieu, wereldwijd bekend en beter verdienend dan Bruce Springsteen. Waarom is hij interessant in een onderzoek naar lokale identiteit? Enerzijds draagt hij heel duidelijk een Limburgse identiteit uit, terwijl hij anderzijds mondiale bekendheid heeft. Linda merkt op dat als we het over zingen in dialect hebben, het nooit gaat over zingen in plat Amsterdams. Hierin zien we volgens Stengs een bestaande hiërarchie, waarin het Amsterdams niet als dialect wordt gezien. Iets benoemen als dialect is dus eigenlijk al een politieke handeling. 2016-04-25Muziek in dialect was lang niet te horen op de Hilversumse radio. In reactie hierop kaapten zendpiraten de ether en begonnen geheime zenders, waarin de lokale identiteit een grote rol speelt. Onder de luisteraars van deze geheime zenders ontstaat een gemeenschapsgevoel, dat volgens trouwe luisteraars ontbreekt rondom de Hilversumse radio. Onze nieuwe student Sebastiaan van de Poll maakte hier een item over. [Snel kijken] Dat Hilversum het type muziek dat op geheime zenders werd gedraaid niet uitzond, komt volgens Vincent doordat dit te volks en niet verheffend voor het publiek was. Stengs vertelt dat het begrip ‘piraten’ tegenwoordig breder is. Het verwijst niet alleen naar die illegale zenders, maar ook de nieuwe levenslied zangers worden ‘piraten’ genoemd. Vincent vindt de fancultuur bij de ‘piraten’ interessant, omdat deze sterren heel erg dichtbij staan. Er is weinig afstand en veel gelijkheid. Mediastudent Folkert Coehoorn interviewde Meppelaar Jaap de Boer, die betrokken is bij nagenoeg alle festiviteiten in Meppel. [Snel kijken] Volgens De Boer zit de kracht van de Meppelse festiviteiten in de binding, gastvrijheid en gemoedelijkheid die de Meppelaars creëren tijdens hun evenementen. Linda merkt op dat lokale identiteit verschuifbaar en flexibel is, maar het toch als heel eigen wordt gepresenteerd. Er is een soort constructie van een mythische lokale identiteit. De Mediadoctoren sluiten of met de vraag wat het belang is van populaire cultuur in de regio. Vincent merkt op dat het gaat over de lokale identiteit die gevierd moet worden. Hierin is geen enorm verschil met stedelijke cultuur, alleen de afkomst is anders. Irene is het hier mee eens. Wat volgens haar interessant is, is dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen populaire cultuur en lokale populaire cultuur. Het hoe en waarom hiervan zegt iets over hoe mensen zichzelf in de wereld zien en is dus belangrijk om te onderzoeken.
V.C.A. Crone (10-12-2016) The independent filmmaker is a local artist
V.C.A. Crone (01-02-2016) Vanaf deze aflevering kunt u live meekijken hoe onze podcast wordt opgenomen. Dat roept meteen de vraag op of we dan nog wel een podcast zijn. Is dit nu een televisietalkshow? Doen we aan beeldradio? De Mediadoctoren verwonderen zich over die vervagende grenzen. Dat doen we samen met internetjournalist Erwin Blom, gespecialiseerd in technologische media-innovaties. Blom maakt vanuit zijn bedrijf Fast Moving Targets het programma Top Names. Hij vertelt dat hij graag televisie wilde maken met de eenvoud van radio. Top Names is een online televisieprogramma dat je ook zou kunnen karakteriseren als beeldradio. Beter is misschien het te zien als ruw materiaal dat op verschillende manieren ingezet wordt: je kunt het als geheel kijken, maar ze gebruiken ook quotes in andere producties. Blom wijst daarbij op het belang van niche-doelgroepen. We bespreken wat een podcast eigenlijk is. Het antwoord heeft te maken met technologische kenmerken maar ook met inhoudelijke genre-eigenheid. Dat is niet nieuw. Vincent legt uit hoe media zich altijd ontwikkeld hebben en eigen kenmerken zijn gaan krijgen in de loop der jaren. Podcasts hebben volgens hem wortels in programmatypes als het hoorspel. Blom benadrukt dat podcasts de mogelijkheid bieden te ontsnappen aan het stramien van radio waar je een bepaalde plek in de programmering inneemt. Iris hield een interview met Karin van Es, universitair docent aan de Universiteit Utrecht en onlangs gepromoveerd op liveness. Ze vertelt dat liveness ingezet wordt om het belang van een programma te onderstrepen [snel luisteren]. We discussiëren over het gevoel van aanwezigheid dat liveness geeft en de toegevoegde waarde van interactie. Erwin stelt dat beeldradio ook een gevoel van uitsluiting kan geven. Tot slot proberen we antwoord te geven op de vraag of Onder Mediadoctoren nog wel een podcast is [snel luisteren]. We concluderen dat we óók een podcast zijn. Een relevantere vraag is misschien of dat uitmaakt. We zijn gewend over media te denken in termen van programmering, maar dat verschuift naar denken in platforms.
V.C.A. Crone (07-11-2016) Vertellen de media ons wel het hele verhaal? Zijn we echt zo naïef om te denken dat de samenleving niet wordt geregeerd door enkele machthebbers in de wereld? Die sporen van vliegtuigen in de lucht, duiden die er niet op dat we besproeid worden met chemicaliën? En de maanlading heeft toch nooit plaatsgevonden: Stanley Kubrick heeft dat gefilmd in een studio. In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over complottheorieën. We doen dat met Stef Aupers, hoogleraar Mediacultuur aan de KU. fullsizerender-1Een complottheorie is volgens hem een claim over een kleine, onzichtbare maar zeer machtige elite die een ongekende invloed uitoefent. Voorheen ging het in Westerse landen vooral over de exotische ander, zoals joden, communisten en moslims. Rond de moord op John F. Kennedy – de moeder van de moderne complottheorie – vond er echter een verschuiving plaats. Complottheorieën gaan sindsdien vooral over onze eigen instituties, overheden, industrieën en financiële markten. Het Mediadoctoren Bevrijdingsfront breekt in tijdens de uitzending. Soros zou de geheime sponsor van de Mediadoctoren zijn. [Snel kijken] In de media en sociale wetenschappen heerst het beeld van de complotdenker als schuimbekkende fundamentalistische idioot. De werkelijkheid is echter een stuk genuanceerder. Vaak zijn complotdenkers twijfelaars. Ze krijgen allerlei beelden op zich af, goochelen met informatie, proberen alle theorieën uit maar komen nooit tot een definitieve conclusie. Vincent vindt het opvallend dat complottheorieën vaak verklaringen geven voor situaties die te groot en allesomvattend zijn om te begrijpen. Aupers denkt dat medialogica hierbij een rol speelt. Complottheorieën zijn een voorbeeld van digitale memes: kleine ideeën die zich in razend tempo over het internet verspreiden. Onze redacteur Marloes de Jong interviewde Pepijn van Erp, bestuurslid van Stichting Skepsis. Hij probeert complottheorieën gebaseerd op onjuiste feiten en verkeerde interpretaties te ontkrachten. [Snel kijken] We bespreken of het ontkrachten van complottheorieën enig effect heeft. In veel gevallen zijn de theorieën inderdaad onzin maar het leidt zelden tot radicalisering. We moeten begrijpen dat we in een cultureel klimaat leven waarin de meest onvoorstelbare scenario’s langskomen. Soms blijken deze scenario’s nog waar te zijn ook! We concluderen dat complottheorieën een verbeelding zijn van de vervreemding die wij meemaken. Vincent stelt dat de invloed van complottheorieën in de toekomst toenemen. We staan volgens hem aan het begin van een totale ondermijning van welke autoriteit dan ook. Volgens Aupers komt dit omdat we niet zien wat de media doen omdat er achter de interface van alles gebeurt. We zijn ons bewust van die macht – en dit spreekt tot de sociale verbeelding.
V.C.A. Crone (06-06-2016) We kijken vaak naar films of video’s die eigenlijk heel vies of eng zijn. Waarom is het lekker om te gruwelen? Heeft wansmaak ook een functie? En waarom walgen wij eigenlijk? In de 42e aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over walging en de media. Te gast is Jan Doense, ook bekend als Mr Horror. Hij is oprichter van Schokkend Nieuws, een filmtijdschrift voor liefhebbers van horror, fantasy en science fiction. Daarnaast is hij voormalig directeur van het Amsterdam Fantastic Filmfestival en richtte hij productiemaatschappij House of Netherhorror op, dat onder andere de film The Pool produceerde. Doense vertelt dat de horror in de jaren ’60 extreem gruwelijk was, terwijl horror nu juist vrij gematigd is. Linda vermoedt een verband met de seksuele tijdsgeest: die was in de jaren ’60 een stuk vrijer dan in de huidige verpreutsende samenleving. Vincent vraagt zich af of het zo is dat mensen tegenwoordig zoveel gewend zijn dat ze niet meer te choqueren zijn. Doense denkt echter dat de eerder genoemde films uit de jaren ’60 en ’70 nu flink zouden choqueren. Zowel horror als seksualiteit staan in relatie tot taboes. Horror is bij uitstek een genre dat grenzen opzoekt en overschrijdt. Doense vindt het jammer dat horror vaak niet serieus wordt genomen, terwijl het juist een uitstekend genre is om mensen bewust te maken of te confronteren met taboes in de samenleving. De aantrekkingskracht van horror- en walgingsbeelden dooft niet uit: er is steeds weer een nieuwe generatie die dit interessant vindt. Naast walging door beelden kan walging ook een grote rol spelen in literatuur. Redacteuren Iris Verhulsdonk, Folkert Coehoorn en Rosanne Eijsink maakten een item over het boek Vochtige Streken. [Snel kijken] Peter de Jong, hoogleraar Experimentele Psychopathologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, deed onderzoek naar walging. Redacteur Marloes de Jong interviewde hem over de definitie en functie van walging. [Snel kijken] We concluderen dat horror en walging een functie hebben: het is soms nodig om met je eigen duistere kant geconfronteerd te worden. Er is sprake van catharsis: ze bieden een veilige manier om te gruwelen.
  2015 - Wetenschappelijke publicaties
Post, Jeroen & Crone, Vincent (2015). Reporting revolution - Technological determinism in journalistic reports on social media and movements. Digital Journalism, 3 (6), (pp. 871-887) (17 p.).
Crone, Vincent & Mueller, Floris (2015). The Reel claiming the Real - An actor network approach to understanding the achievement and management of documentary authority and authenticity. Journal of Applied Journalism and Media Studies, 4 (2), (pp. 293-308).
  2015 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (17-02-2015) Bij grote nieuwsgebeurtenissen plaatsen nieuwssites tegenwoordig live berichtgeving. Een of meer journalisten houden op een liveblog de laatste ontwikkelingen bij. Dynamiek en crossmedialiteit zijn daarbij belangrijk: er worden filmpjes van YouTube gedeeld, tweets besproken, en feiten en geruchten lopen soms door elkaar. De Mediadoctoren houden niet van speculeren en verwonderen zich over de toegevoegde waarde van die liveblogs. Dit doen we met Alexander Pleijter, hoofdredacteur van De Nieuwe Reporter en lector Journalistiek en Innovatie op de Fontys Hogeschool voor Journalistiek in Tilburg. Volgens Pleijter zijn liveblogs niet zo heel nieuw. In de jaren ’90 zag je ze vooral op technologiesites, waar congressen live bijgehouden werden. In Nederland verschenen de eerste liveblogs over nieuws tijdens de Arabische Lente. De opkomst van liveblogs kan in het licht van de ontwikkeling van sociale media gezien worden: liveblogs zijn eigenlijk een georganiseerde twitterstroom over één specifiek onderwerp. De meeste kenmerken zijn niet specifiek voor liveblogs, maar voor liveverslaggeving in het algemeen. Bij zo’n live verslag zijn er periodes waarin er niets gebeurt, terwijl er wel verslag moeten worden gedaan. Liveblogs vooral veel op kantoor gelezen. Het is makkelijker om een pagina te verversen dan tv te kijken op je werk. Bovendien laat onderzoek zien dat mensen liveblogs gebruiken om mee te kunnen praten op het werk. Linda maakte een item waarin live verslag wordt gedaan van een liveblog [snel luisteren]. We bespreken wie nou eigenlijk een liveblog maakt. De informatie komt immers van meerdere bronnen waarin kranten en sites van elkaar lenen. Chris ziet het als iets simpels: livebloggen is niets meer dan het bij elkaar brengen van informatie. Dit vraagt echter wel om andere vaardigheden. De rol verandert van gatewatching naar gatekeeping. Een journalist cureert informatie en zorgt er zo voor dat lezers van bijvoorbeeld nrc.nl ook andere journalisten lezen. In liveblogs is er ook ruimte voor burgerjournalistiek, vooral in de vorm van foto’s. Chris interviewde Bas Paternotte, adjunct-hoofdredacteur van The Post Online (TPO) [snel luisteren]. TPO start liveblogs bij gebeurtenissen met veel verwachte impact over een onderwerp dat veel lezers zal trekken. Bij een liveblog op TPO is een team bezig met informatie zoeken en één redacteur filtert hier de informatie uit. Paternotte zegt dat door liveblogs de bezoekersaantallen omhoog schieten. Volgens Paternotte zitten mensen dus zeker te wachten op liveblogs, maar is dat wel zo? Onderzoek wijst uit dat in de meeste onderzochte landen minder dan twintig procent van alle mensen in de afgelopen maand een liveblog heeft geraadpleegd. We concluderen dat liveblogs niet zo bijzonder zijn, maar simpelweg gemakkelijker en efficiënter te volgen [snel luisteren]. Het is verslaggeving over verslaggeving. Volgens Pleijter kunnen liveblogs echter wel gezien worden als de enige grote journalistieke verandering door het internet.
V.C.A. Crone (20-04-2015) Grappen gaan vaak over onderwerpen die gevoelig liggen, en eigenlijk werkt humor ook alleen als het een beetje ongepast is. Maar wanneer kan een grap echt niet door de beugel? In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over humor. Dit doen we met Giselinde Kuipers, Hoogleraar Culturele Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, en met Jeroen Weghs, tekstschrijver en hoofdredacteur van het satirische Tijm Magazine. We bespreken waarom een grap soms te ver kan gaan. Dit heeft te maken met de afstand die humor creëert. Kuipers stelt dat grappen wel een beetje pijnlijk moeten zijn: wanneer iets te ver weg staat – geografisch of historisch – doet het ons niets. Humor is een manier om kritiek te leveren. Het kan mensen verbinden door samen te lachen maar ook mensen uitsluiten. Humor heeft dan ook niet één functie. Weghs zegt dat humor op Tijm Magazine functioneert om iets op de kaart te zetten. Hij gaatop zoek naar grappen die genoeg pijn doen om iets teweeg te brengen. Dat is volgens hem de zoektocht naar wat mensen het meest aan het lachen maakt. Vaardigheden spelen daarbij een rol. Kuipers legt uit dat er een groot verschil is tussen wat hoger- en lageropgeleiden leuk vinden. Weghs maakte speciaal voor ons samen met Folkert een item over foute grappen. [Snel luisteren] We horen nieuwsberichten over Prins Friso, het neerstorten van het toestel van German Wings en van de aanslagen op de Twin Towers en bijbehorende harde grappen. We bespreken het ongemak dat zulke kwinkslagen oproepen. Iris interviewde Jochem van den Berg, hoofdredacteur van de satirische website De Speld, [Snel luisteren] Volgens Van den Berg kan je overal grappen over maken, mits de juiste invalshoek aanwezig is. Hij maakt een onderscheid tussen ethiek en moralisme. Ethiek is nodig om te verantwoorden waarom een grap wordt gemaakt, maar bij moralisme leg je anderen een moraal op. Lachen is deels een onvrijwillige reactie, terwijl het ook een sociale performance is om te laten zien hoe goed je iets begrijpt. Het delen van grappen op sociale media maakt dat laatste element extra pregnant. Weghs vertelt daarbij over de werkwijze van Tijm Magazine. We buigen ons over de discussie omtrent grappen over de islam. Volgens Kuipers gaat die allang niet meer over humor zelf: de situatie is dermate beladen geworden dat een grap over de islam eerder een politiek statement is van ‘wij’ Nederlands met harde grappen tegen ‘de moslims’ zonder gevoel voor humor. Linda koppelt dit aan het idee van de seksuele repressie van Foucault, we hebben de mythe van repressie nodig om te laten zien hoe vrij wij nu zijn. Aan het einde van de aflevering proberen we vast te stellen wanneer een grap nu over de schreef is. [Snel luisteren] Volgens Weghs kan een grap niet te ver gaat, mits deze ook echt grappig is. Linda sluit zich hierbij aan en voegt daaraan toe dat er enkel mensen zijn die een grap niet aankunnen, terecht of onterecht. Het is ontzettend moeilijk omhumor te analyseren en te duiden. Kuipers concludeert toch met een algemene sociologische overweging: een grap gaat te ver wanneer de morele betekenis van een grap zwaarder weegt dan de vondst of de verrassing en het niet lukt iets niet serieus te nemen.
V.C.A. Crone (23-11-2015) In de 32e aflevering buigen de mediadoctoren zich over dit soort campagnes waarin mensen worden opgeroepen zich bewust te worden van een bepaald onderwerp of probleem. Samen met Wouter Oomen die bezig is te promoveren op het gebied van een gedeeld gevoel van menselijkheid bij goede doelen en Jeroen Weghs, die een artikel schreef over de campagne #zeghet, vragen we ons af wat de zin is van bewustwordingscampagnes. Ben je je wel bewust van de desastreuse gevaren van regen en de toenemende stroom toeristen? Mediastudent Iris Verhulsdonk begint de uitzending met een item van twee voorbeelden van bewustwordingscampagnes. [Snel luisteren] Vincent legt uit dat het gaat om campagnes die je oproepen om een bepaald onderwerp of probleem bespreekbaar te maken, zonder call to action. Er wordt dus geen geld of een lidmaatschap van iemand gevraagd. Via de campagne #zeghet konden vrouwen en mannen op twitter hun ervaringen delen over seksueel geweld. Jeroen Weghs bespreekt waarom hij hierover een artikel heeft geschreven. Wouter Oomen doet onderzoek naar campagnes waarbij fondsen werven en geld inzamelen wel het doel is. Hij legt uit dat bewustwordingscampagnes niet direct bijzonder zijn, maar dat het wel belangrijk is om ons af te vragen in hoeverre speaking up ook daadwerkelijk iets veranderd. De overheid is voor sociale veranderingen altijd een belangrijk instituut geweest, maar het internet is nu een soort zero institution geworden, waarin het heel makkelijk is om problemen te bespreken zonder dat er daadwerkelijk iets mee gebeurd. We discussiëren over hoe dergelijke campagnes inzetten op sociale druk. Er heerst gedeelde ethiek, waarbij mensen zich verplicht voelen om mee te doen met de menigte om bepaalde maatschappelijke betrokkenheid te laten zien. In tegenstelling tot campagnes in de jaren 90 waarin vanuit een helikopter perspectief werd ingespeeld op emoties door zielige, arme mensen te tonen, proberen campagnes nu in te spelen op reflectiviteit en self awareness. Mediastudent Folkert Koehoorn interviewt Pieter Brokx, directeur van de Hiv Vereniging Nederland, over de campagne Hiv uit de Kast voor het algemeen publiek en mensen met hiv. [Snel luisteren] Brokx legt uit dat de vereniging naar aanleiding van eigen onderzoek te weten is gekomen dat veel mensen met hiv nog stigma ervaren. De hoop is om door middel van deze campagne met positieve voorbeelden van mensen met hiv dit stigma te verminderen of zelfs doorbreken. De campagne zal in 2016 en 2017 nog herhaald worden en ergens tussen door wordt een meetpunt gepland. In de studio praten we verder over of een campagne als Hiv uit de Kast zin heeft. Wouter stelt dat het probleem eerst benoemt moet worden, voordat het besproken en verbroken kan worden. Er is eerst bevestiging nodig! Linda en Wouter leggen uit waarom campagnes nu een subtielere vorm van marketing zijn geworden. Een van de bekendste bewustwordingscampagnes zonder call to action was Kony 2012, waarin de organisatie Invisible Children de gruweldaden van Joseph Kony in Oeganda onder de aandacht bracht. Invisible Childeren publiceerde in 2012 een korte documentaire op YouTube, die binnen een maand 100 miljoen keer bekeken werd. We vragen ons af wat deze campagne eigenlijk heeft opgeleverd? Niemand heeft een idee wat er met Kony is gebeurd. Vincent benadrukt dat de campagne uiteindelijk een oproep was aan westerse landen om zwaardere militaire middelen in te zetten tegen Kony. Wouter merkt op dat hier ook een interventionistische gedachte achter zit en dat ook deze campagne weer om een spiegelbeeld van jezelf vraagt: door te delen laat je zien hoe goed bent door ook tegen Kony te zijn. We concluderen dat het niet mogelijk is om geld te geven, zonder te weten wat het probleem echt is: benoeming en bewustwording en intrinsieke motivatie is dus nodig. De vraag blijft of het ook sociale verandering oplevert.
V.C.A. Crone (19-01-2015) In Europa wordt steeds meer bepaald voor de lidstaten. Europees beleid is dus ook Nederlands beleid. Maar met de verslaggeving is iets vreemds aan de hand . Als journalisten de Nederlandse politiek verslaan, noemen we ze parlementaire journalisten. Maar wanneer journalisten in Brussel hetzelfde doen, noemen we ze Europese correspondenten. In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de verschillen in verslaggeving tussen Den Haag en Brussel. Dit doen we met Sophie Lecheler, Universitair Hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Veel journalisten wagen zich liever niet aan Europese onderwerpen. De gedachte daarbij si dat kijkers en lezers niet geïnteresseerd zijn. Wat blijft er dan over van de functie van de journalist als watchdog, wanneer journalisten zelf geen onderwerpen over Europa aan durven? Linda interviewde Joop Hazenberg, correspondent voor onder andere de Deutsche Press Agentur in Brussel. Volgens hem hebben beslissingen in Brussel pas op lange termijn impact op de mensen thuis. Door deze traagheid en door krimpende budgetten is Europa weinig interessant voor media. Hazenberg ziet zichzelf echt als correspondent. Volgens hem is het verslaan vanuit Brussel iets anders dan parlementaire verslaggeving, omdat Europa een complex krachtenveld beslaat dat veel meer vraagt dan alleen verslaggeving over wat het parlement beslist. We bespreken hoeveel invloed die krimpende budgetten hebben. Chris ziet een opmerkelijke verandering. Eerst was er meer verslaggeving. Dat is afgenomen, hoewel er meer berichtgeving is gekomen vanuit de Europese identiteit. Die berichtgeving is ook minder kritisch. Lecheler maakt zich zorgen. De verslaggeving is misschien wel meer Europees, maar er wordt maar weinig gesproken over het lobbyisme in Brussel, wat ontzettend groot is. Er is een verschil tussen grote landen, als Duitsland, en kleine landen als Estland in de grootte van het journalistencorps en dus ook in de kwaliteit van verslaggeving die burgers in de verschillende lidstaten voorgeschoteld krijgen. Folkert en Vincent maakten een item over tolken in Brussel, waar grote vraag naar is. Het goed vertalen van iemands woorden is essentieel. Maar is het ook nuttig? We concluderen dat we de journalisten in Brussel correspondenten noemen, omdat Europa voor ons gevoel ver weg is. De complexe Europese wetgeving lijkt vooral niet over ons eigen leven te gaan.
V.C.A. Crone (23-03-2015) Kunst komt voort uit de unieke verbeelding van een individu. Althans, dat denken we graag. Maar als we kijken naar de fictieproducten van onze tijd, of het nu gaat om superheldenfilms of Fifty Shades of Grey, zien we dat media helemaal niet zo creatief zijn. We worden overspoeld door herbewerkingen. Hier zijn verschillende termen voor zoals remake of re-imagening. Er bestaat zelfs een apart vakgebied dat zich hiermee bezig houdt: adaptatiestudies. In deze aflevering duiken de Mediadoctoren in de hervertelling: gaat het om creatieve rijkheid of is het gewoon een vorm van diefstal? Dit doen we met Dan Hassler-Forest, Universitair Docent Engelse Taal en Cultuur. Het hervertellen van verhalen is altijd onderdeel geweest van de menselijke cultuur. De wetenschappelijk analyse van adaptaties vindt zijn oorsprong in de vroege filmwetenschap waarin de transformatie van boek naar film werd bevraagd. Iris maakte een korte geschiedenis van het sprookje [snel luisteren]. Hassler-Forest legt in reactie uit hoe sprookjes telkens onderhevig zijn aan een vertaalslag die in de eerste plaats iets zegt over de industriële vorm die verhalen in de twintigste eeuw hebben gekregen. Verhalen zijn niet langer een gemeenschappelijk erfgoed, maar onderdeel van een industrie met een concept van een auteur. We praten over de transitie van gemeengoed naar commerciële toe-eigening. Onze hele cultuurindustrie gebaseerd is op het idee van een franchise. Elk verhaal is intellectueel eigendom geworden en er moet betaald worden om dit te mogen gebruiken. Maar de vraag wie eigenaar is van een tekst is moeilijk te beantwoorden. De veelheid aan termen op dit gebied heeft met mode te maken, maar ook met marketing. Het is commercieel aantrekkelijker om iets te brengen als een creatieve bewerking omdat het dan de illusie van originaliteit heeft. Er is hier sprake van een paradox: iets maken wat radicaal anders en origineel is, maar dat voortbouwt op iets dat het grote publiek wel al kent. Linda interviewde Femke Halsema, die De Fractie bedacht. Deze politieke dramaserie is niet gebaseerd op Borgen, zoals veel mensen denken, maar eerder op Parks & Recreation. Dankzij de fictieve vorm kan Halsema veel meer vertellen over hoe het voelt om politiek te bedrijven dan in haar memoires. [Bonusmateriaal: het gehele interview] In onze tijd is eigenlijk alles een adaptatie geworden: we kunnen nergens van zeggen dat er nooit eerder iets was dat erop lijkt. Tegelijkertijd blijven grote mediaconglomeraten copyright claimen en vervolgen zij amateurs, die bijvoorbeeld fanfictie schrijven, met rechtszaken. Het is op dit moment moeilijk om juridisch vast te stellen wat intellectueel eigendom nog is of kan zijn. We concluderen [snel luisteren] dat makers pas de term remake of adaptatie gebruiken als het commercieel interessant is om te zeggen dat iets gebaseerd is op iets anders. Dit doet niets af aan de mogelijkheden die hervertellen biedt. Juist in de huidige hoeveelheid superheldenfilms zien we terug dat cultuur een gemeenschappelijk goed is.
V.C.A. Crone (12-10-2015) Levenslang met Dwang, The Undateables, Je zal het maar hebben en Bizarre Etters: een kleine greep uit een groot aanbod van reality programma’s waarin het overkomen van psychologische problemen centraal staat. In deze aflevering buigen de Mediadoctoren zich over stoornissen in de media en dan specifiek op TV. Wat brengen dit soort programma’s op voor de kijkers, de makers en de deelnemers? Het aan een groot publiek tonen van afwijkingen en stoornissen is geen nieuw fenomeen. In vorige eeuwen bekeken we vrouwen met baarden en mensen met drie armen. Onze mediastudent Iris Verhulsdonk maakte een item over deze freakshows. [Snel luisteren] We praten over het verschil tussen de vroegere freakshows en programma’s over mensen met een stoornis. Draait het om het tentoonstellen van de afwijking of weegt het kweken van begrip toch zwaarder? En welke economische redenen hebben programmamakers? Vincent concludeert dat er sprake is van ruilhandel waarin de deelnemer eerst zijn stoornis of afwijking moet tonen en in ruil daarvoor krijgt hij hulp. Folkert Coehoorn, onze andere mediastudent, interviewde Jasper van der Schalie. Hij is producent bij Stepping Stone Producties, het productiebedrijf achter het programma Bizarre Eters. Jasper schets een beeld van de deelnemers en legt uit waarom zij dit programma als een laatste redmiddel zien om geholpen te worden. Hij laat zich uit over de vergelijking met de vroegere freakshows en de ethische kant van het programma. Jasper benadrukt tot slot dat Bizarre Eters vooral datgene in de maatschappij laat zien wat wij niet weten. [Snel luisteren] Linda verwondert zich over deze ongelijke onderhandeling van extra kwetsbare mensen en we vragen ons af of deze vorm van reality TV normaliserend is. Wat levert het voor de kijkers op? Kijken we alleen vanwege het leedvermaak van anderen of willen we uiteindelijk toch de overwinning zien? We concluderen dat de deelnemers zich, gedurende de opnames en uitzending, geweldig zullen voelen door alle aandacht. Deze ruilhandel staat alleen niet in verhouding met de aangeboden hulp. Programmamakers zeggen de deelnemers te helpen, maar zij houden uiteindelijk toch de lange traditie van het tonen van afwijkingen in stand. Daarbij is het fijn om te kijken naar wat je zelf niet hebt, maar wanneer iemand heeft leren om te gaan met zijn stoornis, wekt dat ook begrip bij de kijker.
V.C.A. Crone (03-11-2015) Op televisie worden bij Proefkonijnen allemaal experimenten gedaan en in het wetenschapskatern van de krant wordt gerapporteerd over doorbraken in de betawetenschappen. Het geesteswetenschappelijk en sociaalwetenschappelijk nieuws lijkt daarmee geen plek te hebben in de media. In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over wetenschapsjournalistiek. Alexander Pleijter wijst erop dat journalisten bètawetenschap ingewikkeld vinden en daarom menen dat het een aparte plek verdient. Linda Duits voegt daaraan toe dat journalisten eerder denken dat ze de geestes- en sociale wetenschappen voldoende beheersen om erover te kunnen schrijven. Het verschilt bovendien per mediagenre welk type wetenschapsnieuws de voorkeur heeft. Opmerkelijk daarbij is dat doorbraken in de bètawetenschap ook hun weg niet vinden naar de krant. Mediastudent Iris Verhulsdonk interviewde wetenschapsredacteur Maarten Keulemans van de Volkskrant. Hij vertelt hoe de Volkskrant wetenschapsnieuws selecteert. Keulemans wijst erop dat het journalisten vaak aan de kennis en vaardigheden ontbreekt om wetenschap op waarde te schatten. [Snel luisteren] Blijkbaar vergeten studenten bij het verlaten van de universiteit hun methodologische kennis. Linda en Alexander hebben hier een discussie over. Alexander stelt dat jonge journalisten zich schikken naar de heersende normen op een redactie: als een senior zegt dat ze een onderzoek gaan brengen, gaat een jonge journalist dat niet corrigeren als het onderzoek slecht is. Mediastudent Folkert Coehoorn maakte een item over de juistheid van wetenschapsnieuws. Worden mannen echt opgewonden van de geur van rotte eieren? Of gaat het om acht transgender vrouwen, penisweefsel en een vleugje waterstofsulfide? Journalisten hebben weinig tijd en geld en gaan daarom te snel af op ronkende persberichten van communicatieafdelingen. Zij brengen te snel iets als een doorbraak omdat universiteiten steeds meer bezig zijn met imago. Bij het beantwoorden van de vraag spreken de mediadoctoren hun zorgen uit over de kwaliteit van wetenschapsjournalisten. Het gaat daarbij om een gebrek aan wetenschappelijke geletterdheid van journalisten. De waakhondfunctie die wetenschapsjournalistiek zou moeten hebben komt daarbij in het geding.
V.C.A. Crone (02-02-2015) We horen succesverhalen van mensen die beroemd zijn geworden via YouTube, zoals de Nederlandse Enzo Knol en de Britse Alfie Deyes. Ze verdienen bakken met geld. Maar hoe gaat dat in zijn werk: wat moet je doen om beroemd op YouTube te worden? In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over YouTube-sterren. Dit doen we met Koos Zwaan, Associate Lector bij het lectoraat Media, Cultuur en Burgerschap van de Hogeschool Inholland. Koos promoveerde op de carrières van popmuzikanten en heeft verstand van fanculturen. Dit is een nieuw fenomeen en er is dus nauwelijks onderzoek naar. Van Idols-deelnemers werd ook gezegd dat ze uit het niets beroemd werden. Zwaan onderzocht hen en concludeerde dat deze zangers wel degelijk een voorsprong op anderen hadden. Het verschil met YouTube is dat Idols een traditioneel broadcastmodel is en dat op YouTube de rollen van kijker en producent door elkaar lopen. YouTube is veranderd: vroeger was er meer een participatiecultuur, nu is het meer een geldmachine geworden. We bespreken hoe de amateurvorm van YouTube geprofessionaliseerd is. De eerdere lage productiewaarde is nu geconstrueerd geraakt. Wat authentiek lijkt, is nu een manier van professionele manier van produceren geworden. Iris interviewde Alexander ‘Ali’ Spoor. Hij is de Creative Director van het YouTube-kanaal Ditisnormaal. Spoor legt uit hoe hij geld verdient aan zijn filmpjes en wat het verschil is tussen oude en nieuwe media. We bespreken hoe de kennis van de YouTube-community zich verplaatst naar de traditionele media. Zij zijn geïnteresseerd in de manier hoe je jongeren bereikt met reclame. Op YouTube is er een veel directere connectie tussen de ‘ster’ en het publiek. Interactie, gemeenschap en nabijheid spelen daarbij een belangrijke rol. Folkert maakte een item over YouTube-ster Enzo Knol. Fans prijzen hem om zijn alledaagsheid, maar wat houdt dat precies in? Er is een spanning tussen een ster zijn en net zo zijn als je fans. Dit gaat erom in hoeverre je erin slaagt een gevoel van authenticiteit neer te zetten. Bij YouTube lijkt de kloof tussen de persoon en de persona van de ster heel klein. We concluderen dat om een YouTube-ster te worden, je goed moet zijn in de constructie van alledaagsheid terwijl je tegelijkertijd heel professioneel moet zijn. Lekker gewoon jezelf blijven en doen alsof het allemaal niet geconstrueerd en gecommercialiseerd is, is het cynische advies van de mediadoctoren.
  2014 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (17-11-2014) De richtingen media en communicatie trekken heel veel studenten. Universitair zijn er opleidingen Media & Cultuur, Communicatiewetenschap en Journalistiek. Aan hbo’s is de waaier nog groter, van game design tot entertainmentmanagement. Dat roept de vraag op of de maatschappij deze aantallen wel kan accommoderen. In deze aflevering verwonderen wij ons over de hoge aantallen media- en communicatiestudenten. We doen dat samen met hoogleraar Mediastudies Mark Deuze. Linda interviewde Thomas van Aalten, docent bij Media, Informatie en Communicatie aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij wijst erop dat deze opleidingen studenten vooral helpen met uitvinden wie ze willen zijn. Van Aalten is kritisch op direct opleiden voor specifieke bedrijven: “je moet geen Sanoma-academie zijn”. Ook pleit hij tegen brede opleidingen. In reactie stelt Deuze dat journalistiekopleidingen in Nederland te zeer op elkaar lijken in hun profiel. Hij vindt daarbij dat de vaardigheden die opleidingen media en communicatie bijbrengen noodzakelijk zijn in onze maatschappij die doordrenkt is van media. Bijna iedere bedrijfstak heeft met media te maken en dat verklaart wellicht waarom deze studenten ook goed terecht komen. Folkert en Iris maakten een item over deze studenten: waarom hebben ze voor een media-opleiding gekozen en wat zijn hun verwachtingen voor een baan? In het tweede deel van het item horen we van mensen die daadwerkelijk in de media werken als redacteur bij Quest, maar die beide geen media-opleiding hebben. Wat missen zij zonder die vooropleiding? We verwonderen ons over het daadwerkelijk werken in de media. Deuze legt op basis van zijn onderzoek uit dat mediamakers veel status en bevrediging uit hun baan halen. Linda brengt daar tegenin dat het ook beroepsgroepen zijn die uitgebuit worden en waarin geen zekerheid bestaat. Aan het einde van de aflevering beantwoorden we de vraag. Deze studenten zijn inderdaad nodig. Ze komen wellicht niet allemaal te werken in de media, maar zijn behapt met vaardigheden die goed van pas komen in andere dienstverlenende beroepen. Dat neemt niet weg dat de opleidingen zich sterker van elkaar zouden moeten onderscheiden om een diverser palet aan te bieden.
V.C.A. Crone (03-02-2014) Er zijn kookboeken, receptenbladen, romans en films waarin eten centraal staat, tvprogramma’s met kookwedstrijden en zelfs complete kookzenders. Facebook en Instagram staan vol foto’s van eten. Dat is best raar: eten is een zintuiglijke ervaring. Waarom willen mensen dat eten dan toch graag gemedieerd beleven, zonder dat ze kunnen ruiken en proeven? In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de populariteit van ‘eetmedia’. Onze mediastudent Folkert Coehoorn maakte een item over de kookprogramma’s van Jamie Oliver. Nadat Oliver eerst zijn kijkers vooral dicteerde wat ze moesten eten, zet hij zijn celebrity status nu in om hen een gezonde levensstijl aan te leren. Klasse speelt hierbij een belangrijke rol: het is de manier van leven van de middenklasse die zo wordt gepromoot. Eten is immers een belangrijke manier om je te sociaal en cultuur te onderscheiden. Media bieden heel veel commerciële mogelijkheden voor voedselfabrikanten, bijvoorbeeld door een programma te sponsoren. Zowel in fictie als talkshows zien we bovendien veel product placement. We bespreken hoe dit werkt aan de productiekant en wat publieksreacties daarop zijn. Het interview is deze keer gemaakt door onze mediastudent Daan Jongen. Hij sprak met foodstylist Hanneke Boers. Zij werkt zowel redactioneel (bijvoorbeeld voor Libelle, AllerHande en Jumbo), als commercieel (zoals Knorr, Hema en Conimex). Ze legt uit hoe zij te werk gaat voor deze verschillende typen media en ze geeft een aantal trucs weg. De mediadoctoren bespreken dit in het kader van echtheid. Aan het einde van de uitzending formuleren we een antwoord op de vraag. We komen tot een opvallend eenvoudige conclusie.
V.C.A. Crone (20-10-2014) Er zijn veel complexe conflicten in de wereld waar media over rapporteren. We hebben bovendien toegang tot veel verschillende media: buitenlandse kranten zijn online te lezen en journalisten zijn op sociale media te volgen. Maar hoe weten we welke berichten we kunnen vertrouwen? In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich samen met Cees Hamelink, emeritus hoogleraar Internationale Communicatie, over oorlogspropaganda. Dat klinkt een beetje als een woord uit de Koude Oorlog. Wat is oorlogspropaganda eigenlijk en is dat door de jaren heen veranderd? Het woord propaganda stamt uit de zeventiende eeuw en werd oorspronkelijk gebruikt voor het verspreiden van het geloof, legt Hamelink uit. Dat ging toen over religie, en later – bijvoorbeeld in de Koude Oorlog – over het verspreiden van ideologie. Alle zijden in een conflict doen aan propaganda en objectieve informatie bestaat niet. Wat je hooguit kunt bereiken is een veelheid aan perspectieven. Vincent had een interview met journalist Olaf Koens. Hij werkt als correspondent voor de Volkskrant en RTL-Nieuws in Rusland. Koens vertelt over contacten met de bureaucraten van de nieuwe Volksrepubliek Donetsk, die weinig professioneel zijn in het volgen van zijn verslagen. Taal is daarbij een barrière. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en de diplomatieke dienst hebben heel weinig informatie en zijn eerder aangewezen op journalisten als Koens dan dat ze sturend zijn in het verspreiden van hun belangen. Linda maakte een item over propaganda in populaire muziek, beginnend bij spindoctor avant-la-lèttre Willem van Oranje. Muziek is een uitstekende manier om oorlogspropaganda mee te bedrijven. Dit veranderde in de jaren ’60 toen popmuzikanten zich tegen gezag keerden. Propaganda moet alomtegenwoordig zijn om te werken, stelt Hamelink. Leiders bedenken dat er oorlog gevoerd moet worden, terwijl het volk daar geen zin in heeft. Propaganda is bedoeld om het volk te overtuigen dat er een duidelijke vijand is en dat die vijand verslagen moet worden. Dit blijkt ook uit een anekdote die Olaf Koens vertelde over krijgsgevangenruil die als bonus apart te beluisteren is. De mediadoctoren concluderen dat oorlogspropaganda is veranderd net zoals de media zelf ook veranderd zijn. We zijn goed geworden in het doorzien van leugens. Aan de andere kant zijn de verspreiders van propaganda ook beter geworden: ze verspreiden ‘grijze propaganda’ waarbij het veel onduidelijker is wat waar is en wat niet. Ze zijn daarbij meer gebruik gaan maken van ‘oerbeelden’ waarmee diepe emoties worden aangesproken.
V.C.A. Crone (01-12-2014) Groepen willen graag gehoord worden in de media en bij maatschappelijke debatten staat vaak een woordvoerder op. Woordvoerders kunnen ingehuurd zijn of verkozen in de politiek, maar vaak zijn het ook mensen die uitgenodigd worden om te spreken namens de groep waar zij zelf onderdeel van uitmaken. Maar wie bepaalt eigenlijk wie de woordvoerder van een groep is en op welke basis? In deze afleveringen verwonderen wij ons over woordvoerderschap. We bespreken het probleem van de verschillende stemmen binnen een groepering en het verschil tussen officiële woordvoerders en door de media benoemde woordvoerders. Ook vragen we ons af of je eigenlijk als woordvoerder wel kritisch kan zijn over je eigen achterban. Linda maakte een item over Sojourner Truth, een beroemde zwarte activiste die al in 1851 aandacht vroeg voor de ongelijke positie van zwarte vrouwen in de vrouwenemancipatie. Het punt van woordvoerderschap is altijd een heikel punt geweest binnen het feminisme en met dit item wordt pijnlijk duidelijk hoe ook Sojourner Truth zelf niet veilig is geweest voor de problemen van het woordvoerderschap. Chris interviewde Stefan de Koning, tot voor kort voorzitter van de jonge democraten. Hij spreekt over zijn woordvoerderschap en hoe hij door de media in een andere rol geduwd werd dan hij zelf wilde. Aan het einde van de aflevering beantwoorden we de vraag. Een kritische blik op woordvoerderschap lijkt de complexiteit alleen maar groter te maken. Media hebben te kampen met gemakzucht en belangenorganisaties met de politieke mogelijkhedenstructuur. We concluderen dat de spanning vooral in herkenbaarheid te vinden is en woordvoerderschap een probleem van representativiteit is.
V.C.A. Crone (15-12-2014) Het is heel normaal om in een talkshow reclame voor je boek te maken, maar je mag niet zeggen in wat voor auto je rijdt. Reclame voor tabak en wiet zijn verboden, maar voor frisdranken niet. Hoe zitten deze regels eigenlijk in elkaar? In deze aflevering verwonderen we ons over reclame: wat mag er wel en niet als je reclame maakt, en wie bepaalt dat? We doen dat met mediaconsultant en internetfenomeen Gyurka Jansen. Hij werkt onder andere voor Fabmagazine en The Post Online. Folkert interviewde Michael Dijkstra, een eenentwintigjarige ondernemer in de internetreclame. Hij vertelt dat het verschil tussen wat wel en niet mag een groot grijs gebied is. Er zijn veel producten waar gedoogd reclame voor gemaakt mag worden, maar waar wel strenge regels voor zijn. De vuistregel hier is dat als een product gevaarlijk zou kunnen zijn, er vaak regels voor zijn opgesteld. Aan de hand van het interview bespreken met we met Jansen wat de regels online nou eigenlijk zijn. Die blijken er simpelweg nauwelijks te zijn. De Reclamecodecommissie heeft wel een aantal zaken vastgelegd, maar wettelijk gezien kan je daar niet veel mee. Hij benadrukt dat het vooral een overweging is van wat je lezers accepteren en wat je er aan kan verdienen. Chris en Iris maakten een reclameblok met verboden reclames. We bespreken of het wel zo duidelijk is dat dit verboden is. Wanneer mag je bijvoorbeeld wel of geen reclame maken voor alcohol? Het blijkt vooral te gaan om een norm binnen het zelfregulerende systeem van de reclame-industrie. De Reclamecodecommissie kan wel uitspraken doen, maar geen sancties opleggen. Aan het einde van de aflevering beantwoorden we de vraag. De logica achter reclameregels draait om een gezamenlijke norm: zaken waarvan verondersteld wordt dat we die fout vinden, mogen niet. We concluderen dat er een onderliggende ideologie is die betrekking heeft op het idee van fatsoen en het tegen zichzelf beschermen van mensen. Het systeem van zelfregulering zonder sancties lijkt te werken: reclamemakers hebben er niets aan om consumenten voor het hoofd te stoten.
V.C.A. Crone (06-01-2014) Het is spannend in tijdschriftenland. Bij Sanoma, de grootste uitgever van tijdschriften in Nederland, vielen massa-ontslagen. Veel ogen zijn gericht op nieuwe digitale initiatieven zoals Blendle, TPO Magazine en Tone. Maar geeft een digitaal tijdschrift niet een heel andere leeservaring dan een papieren blad? In de eerste aflevering van het nieuwe seizoen verwonderen de mediadoctoren zich over de rituele functies van het tijdschrift. We gaan te rade bij Piet Bakker, lector Massamedia en Digitalisering aan de Hogeschool Utrecht en blogger over tijdschriftcijfers. Bakker legt uit dat de oplages van tijdschriften dalen, maar dat er geen helder patroon is te ontwarren in genres. Tijdschriften hebben een levenscyclus en dat is de voornaamste reden waarom het aantal lezers van bladen als Libelle daalt. Er zijn bijna geen aanwijzingen dat digitalisering daar een effect op heeft. Bakker stelt dat het idee van kannibalisatie naïef is. Als het probleem niet ligt bij digitalisering, moet de oplossing daar dan wel gezocht worden? Er is weinig onderzoek hierover. We bespreken een voorbeeld van customer media-onderzoek, waaruit blijkt de leestijd, -ervaring en het bereik van digitaal ver achterblijft bij die van papier. We weten dat veel lezers een abonnement hebben uit een gevoel van verplichting (bijvoorbeeld bij Opzij) en omdat ze graag aan anderen laten zien dat ze ergens bij horen (bijvoorbeeld een opinie- of lifestyleblad). Onze nieuwe vrijwilliger Folkert Coehoorn maakte een item in de bibliotheek van Meppel om uit te vinden hoe tijdschriften daar gelezen worden. In de bieb zijn ze zelf ook bezig met bedenken hoe digitale content uitgeleend kan gaan worden. Vooralsnog doen ze papieren titels niet weg. Opvallend: de keuze voor titels blijkt vooral het domein van vrouwen te zijn. Van oudsher zijn tijdschriften inderdaad een vrouwenmedium. Hierdoor werd er altijd wat neergekeken op tijdschriften. Dat gegeven staat centraal in het beroemde proefschift van Joke Hermes dat we bespreken. Een van de grootste aantrekkingen van vrouwenbladen is dat je ze makkelijk weer oppakt en weer weglegt. Bij een tablet werkt dat anders. Aan het einde van de uitzending formuleren we een antwoord op de vraag. We concluderen dat een digitaal tijdschrift niet alleen een andere leeservaring biedt, maar zelfs een heel ander product is. Nieuwe initiatiefnemers doen er goed aan te kijken naar de leeservaring en vooral naar de leesbehoefte van tijdschriftlezers.
V.C.A. Crone (14-03-2014) Moord, misdaad en doodslag kunnen rekenen op veel aandacht in de media. Het klassieke ‘wie heeft het gedaan?’-verhaal is nog altijd ontzettend populair, ook als het niet gaat om fictie maar om daadwerkelijke misdaden. Vrijwel elke dag is er in de kranten en op tv aandacht voor vermeende criminelen, hun advocaten, aanklagers en de rechtszaken waarin zij verwikkeld zijn. In deze aflevering verwonderen de Mediadoctoren zich over de relatie tussen media en rechtspraak. Dit doen wij in de studio met Rob Leurs, mediawetenschapper aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in media en rechtspraak. Hij promoveerde op een onderzoek naar de media-aandacht voor Marc Dutroux. Rob stelt dat het bij Dutroux met name interessant is omdat het ook gaat om de staat van een land en niet alleen om de misdaad zelf. Vincent denkt dat de populariteit van de Netflix-documentaireserie Making a Murderer voortkomt uit een gevoel van onrechtvaardigheid, die versterkt wordt omdat het gaat om non-fictie. Rob benadrukt dat het gaat om een puzzel die eigenlijk net te moeilijk is en juist daarom zo interessant is. Daarbij kunnen we ons veilig vanaf de bank afvragen wat wij hier nou van vinden, zeker als het gaat om zaken die symbool staan voor grotere misstanden. We bespreken welke rol de media spelen in rechtszaken. Zo is het mogelijk dat door invloed van de media een zaak anders verloopt. Er kunnen mensen gevonden worden die eerder uit beeld waren, maar de publieke opinie kan ook invloed uitoefenen op het verloop van een zaak. Linda maakte een item over de rechtszaak rond OJ Simpson. De uitspraak was een bepalend moment voor celebrity cultuur, die in de jaren ’90 is opgebloeid. Daarbij was de publieke opinie in deze zaak erg belangrijk. [Snel kijken] Iris interviewde Gabriëlle Hoppenbrouwers, persofficier van justitie in Amsterdam. Ze stelt dat persofficieren rekening moeten houden met veel partijen, zoals de politiek, waardoor zij niet altijd dezelfde vrijheden hebben als advocaten in de media. [Snel kijken] Linda verbaast zich over het feit dat het OM zegt minder vrijheid te hebben. Juist omdat het OM de media in kan zetten voor bijvoorbeeld opsporing, lijkt het juist alsof zij meer macht hebben. Leurs concludeert dat de media een steeds grotere rol hebben bij rechtszaken en dat die rol als mede-sturend kan worden gezien. Hij vindt dat we niet terug moeten willen naar de tijd waarin alles zich binnen de rechtszaal afspeelde. Vincent stelt ook dat we ook willen weten wat er gebeurt. Maar aan de andere kant spelen de media ook een belangrijke rol in het genoegdoeningsaspect van de rechtszaak. Linda problematiseert dit door te stellen dat de media helemaal niet alle zaken gelijk behandelen: zaken die over een groter maatschappelijk probleem gaan als ras of klasse krijgen meer media-aandacht. Leurs meent dat dit niet zozeer een probleem hoeft te zijn: de rechtsspraak is bij uitstek een domein dat gedeeld wordt met andere domeinen en dat de maatschappij samen moet invullen.
V.C.A. Crone (29-12-2014) Porno was voorheen het terrein van mannen, maar daar lijkt verandering in te komen. Meer vrouwen vertellen openlijk over hun voorkeuren. Er is zelfs sprake van vrouwvriendelijke of feministische porno. In deze aflevering verwonderen we ons over vrouwen en porno: wat houdt dat eigenlijk in? Is dat wel iets anders dan de ‘gewone’ pornografie die we met twee klikken op het internet vinden? We reflecteren op gebruikers en producenten en gaan in op vrouwenporno als marketingtruc. Zo problematiseren we het idee dat er zoiets is als porno specifiek voor vrouwen. Iris maakte een item over twee jonge vrouwen die regelmatig porno kijken en vroeg hen naar hun kijkervaringen. Komen die overeen met het stereotype beeld dat vrouwen vooral romantiek willen zien? Chris interviewde Liesbet Zikkenheimer, schrijver van erotiek voor vrouwen en oprichter van Dusk TV: een kanaal dat ‘porna’ uitzendt. Zij legt uit wat Dusk daaronder verstaat en hoe zich dit onderscheidt van porno. We vragen ons af of het beleven van erotiek door vrouwen gezien kan worden als een emancipatoire daad. Is feminisme binnen porno mogelijk? En aan welke kenmerken moet dit dan voldoen? Linda concludeert dat dat eigenlijk alleen over de productiecontext kan gaan, bijvoorbeeld door het garanderen van goede lonen voor de actrices. We concluderen dat porna in de eerste plaats een marketingterm is. Door ergens het label ‘gekozen door vrouwen’ op te plakken, creëer je een niche waarin vrouwen makkelijker op zoek kunnen gaan naar hun eigen voorkeuren. En daar zijn ze bereid voor te betalen. Het genre heeft dus geen specifieke kenmerken, maar is vooral een portal waardoor het zoeken makkelijker is. Specifieke porno voor vrouwen is eigenlijk net als speelgoed voor jongens en meisjes: een onnodig onderscheid dat vergeet dat zowel mannen als vrouwen onderling zeer verschillend zijn.
V.C.A. Crone (14-04-2014) Televisieseries zijn ongekend populair. Vroeger moesten we wachten tot Amerikaanse series in Nederland werden uitgezonden op tv. Nu kijken mensen naar gedownloade of gestreamde series wanneer zij maar willen. Dit betekent vaak meerdere afleveringen achter elkaar. In deze aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over het nieuwe televisiekijken. Verandert deze manier van kijken ook de manier waarop verhalen worden verteld? Wij doen dat samen met Dan Hassler-Forest, Universitair Docent op het gebied van film aan de UvA. Dan Hassler-Forest legt uit dat er een spanningsverschil is tussen een week moet wachten op een aflevering en alles achter elkaar kunnen kijken. Dit kennen we nog van het negentiende-eeuwse feuilleton. Hierbij maakt ook uit of je alleen kijkt of samen. Marathon kijken – de positievere naam voor wat pathologiserend binge viewing wordt genoemd – betekent dat je niet altijd gelijkloopt met je vrienden. We bespreken daarbij de veranderde status van deze series en hun kijkers. Linda had een interview met Willem Bosch, schrijver van onder andere de series Feuten en Van God Los. Hij vertelt wie er allemaal invloed hebben op een scenario en hoe hij te werk gaat. Hij stelt dat makers meer bezig zijn met zorgen dat kijkers iets hebben om over te praten dan met mensen aan de buis gekluisterd houden. Er is veel geld te verdienen met zulke series. Daardoor wordt fancultuur steeds meer door mediaproducenten gestuurd. Er is dan ook sprake van fan-exploitatie. Tegelijkertijd proberen fans ook hun eigen ruimte te behouden. Onze mediastudent Folkert Coehoorn maakte een item over de cliffhangers van Goede Tijden, Slechte Tijden. We bespreken of de cliffhanger verdwijnt nu mensen anders televisiekijken. De cliffhanger heeft echter meer functies dan de kijker verleiden na te zomer weer in te schakelen, het heeft ook te maken met genre. Aan het einde beantwoorden we de vraag. We zitten nu midden in veranderingen. Het ‘ouderwetse’ televisiekijken (real time) zal zeker niet verdwijnen en de oude kenmerken zullen dan ook blijven. Er zijn evenwel dingen nieuw, vooral door de financiële impuls. Hierdoor kan talent tot bloei komen en zien we betere manieren van storytelling en meer engagement met fans. Digitale cultuur brengt ons nieuwe ervaringen. Dan Hassler-Forest eindigt met een zorg: het nieuwe televisiekijken zou de kloof tussen de haves en have-nots wel eens kunnen vergroten.
  2013 - Populariserende publicaties
Crone, Vincent & Duits, L. (18-09-2013). 'De publicatiedwang gaat ten koste van de wetenschap'. De Volkskrant [online]
  2013 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (25-02-2013) BNH’ers worden ze genoemd: Bekende Nederlandse Homo’s. André van Duin, Marc-Marie Huijbregts, Jamai. Er bestaan zelfs lijstjes waarop dit wordt aangeven. Waar is het goed voor dat we weten wat de seksuele oriëntatie is van bekende Nederlanders? Draagt dit bij aan homoacceptatie? En maakt het daarbij uit of die representatie stereotype is, zoals bij Albert Verlinde en Geer & Goor? In de achtste aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over homoseksualiteit in de media. In het tafelgesprek denken we na over het concept rolmodellen en over het belang van zichtbaarheid. Rondom homoseksualiteit hangt een zweem van bijzonderheid: het lijkt erop dat in onze tijd waar authenticiteit hoog gewaardeerd wordt, homoseksuelen een streepje voor hebben. Zij ‘durven’ door uit de kast te komen immers ‘echt zichzelf te zijn’. Is dit ook zo? We spraken met Maartje Buise, voormalig hoofdredacteur van het jongeren-LGBT-magazine Expreszo. Ze vertelt dat je in de media vooral oudere homoseksuelen ziet, zoals Henk Krol. Juist voor jongeren is het belangrijk om ook jonge homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders te laten zien omdat op school de acceptatie erg achterblijft. Buise legt ook uit waarom we het zo spannend vinden om te weten of iemand op jongens of meisjes valt. In de wetenschap is veel over homoseksualiteit in relatie tot media geschreven. Dat gaat enerzijds over representatie (welke homo’s zie je), en anderzijds over receptie (wat doet dat met het publiek)? Homoseksuele mannen komen vaker voor in de media, maar ook onrealistischer. Lesbiennes worden diverser in beeld gebracht. Uit receptieonderzoek weten we dat homo’s het zelf belangrijk vinden dat homo’s in de media te zien zijn, omdat dit hen het gevoel geeft dat het acceptabel is om homo te zijn. Zij storen zich erg aan de stereotypen over homo’s in de media en willen graag een meer realistisch beeld in de media. Aan het einde van de aflevering komen we terug op de rol van homoseksuelen in de media. Het lijkt vooral voor jonge mensen belangrijk te zijn dat deze groepen zichtbaar zijn. Daarbij is er veel te winnen met het idee dat er misschien iets cools zit aan homoseksueel zijn. We concluderen dat representatie nu nog te kort schiet: er zou veel meer diversiteit te zien moeten zijn, waarbij weer leeftijd een belangrijke factor is.
V.C.A. Crone (22-04-2013) Branded content, customer media, product placement zijn termen voor de vervagende grens tussen journalistiek en commercie. Bedrijven, organisaties en overheden maken zelf media, zoals de Kampioen. Televisieprogramma’s als Life & Cooking worden gesponsord of staan zelfs helemaal in dienst van een merk. In de krant staan berichten die geschreven zijn door PR-bureaus, in Nederland is dat ongeveer dertig procent. In de twaalfde aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over deze grensvervaging. Speciale gast is Suzanne de Bakker, onder andere docent corporate-communicatie aan de UvA. Ze doet onderzoek naar merkloyaliteit. De Bakker maakt een onderscheid tussen media bij wie nieuwsvoorziening het primaire product is (zoals kranten) en media gemaakt voor instanties die eigenlijk iets anders verkopen (zoals de Allerhande van Albert Heijn). We bespreken verschillende vormen en de regels waaraan reclame in de media is gebonden. Het 200-seconden-item is een customer media-variant voor Onder Mediadoctoren. Linda legt vermomd als chef in duidelijke stappen uit hoe je een bedrijfsblad maakt. Dit item is ook apart te beluisteren via YouTube. In de nabespreking geeft De Bakker nadere toelichting hoe je zorgt dat je merk het beste voor het voetlicht komt. Het interview is met Pim Mak. Zijn bedrijf wordt ingehuurd door FC Utrecht om FC Utrecht TV te maken. Hij vertelt over de manier waarop de belangen van de club strijdig zijn met journalistieke waarden. Hij ziet zichzelf niet als journalist, maar journalisten nemen wel veel van zijn materiaal over. We bespreken in hoeverre reguliere journalistiek verschilt in onafhankelijkheid en kritische houding. We komen tot de conclusie dat er een buitengewoon troebele grens is tussen moreel zuivere journalistiek en de journalistiek van het grootkapitaal. Er is veel verhuld kapitalisme in de journalistiek en dat probleem zit bij de media die doen alsof ze onafhankelijk zijn. Bij customer media is het duidelijk waar berichten vandaan komen. Bij reguliere journalistiek wordt dat verhuld en dat is een grotere bedreiging.
V.C.A. Crone (08-04-2013) Er bestaat een hardnekkig stereotype over ‘de gamer’, hoewel statistieken dat beeld allang tegenspreken. Heeft dit misschien iets te maken met de tegenstelling bestaan tussen ‘casual’ en ‘hardcore’ games? Tegenwoordig zijn er naast games ter ontspanning ook serieuze games, waarmee chirurgen bijvoorbeeld leren opereren. Is het tijdperk nabij dat we het medium als meer zien dan puzzelspelletjes of gewelddadige shooters? Samen met studiogast David Nieborg (journalist, consultant, maar bovenal onderzoeker op het gebied van games) buigen de mediadoctoren zich over de vraag of games inmiddels mainstream zijn geworden. We definiëren wat een game eigenlijk is. We bespreken waarom games in de wetenschap onder nieuwe media worden geschaard en hoe het onderzoeksveld naar games eruit ziet. Het gaat daarbij niet alleen om publieken, maar ook om technologische innovatie en de verhouding tot andere media. David Nieborg legt uit hoe games zich ontwikkeld hebben, vanuit de kelders van MIT via de arcade naar de console. Vanaf deze aflevering is er een nieuw vast element, het 200-seconden-item. Deze week maakte Vincent een bijzonder verhaal over liefde, de Tweede Wereldoorlog en natuurlijk games. Dit item is ook apart te beluisteren via YouTube. Het interview is met Ellis Bartholomeus van Ellis in Wonderland. Zij is game-ontwikkelaar en gameconsultant. Zij denkt mee met bedrijven of games ook voor hen een oplossing kunnen zijn. We bespreken in hoeverre dit idee strijdig is met de definitie van een game en van spelen. We concluderen dat iedereen wel eens een game speelt, maar niet iedereen ook een gamer-identiteit heeft. Dit gebeurt vooral bij games die veel geld kosten, zoals First Person Shooters, en veel minder bij casual games zoals Angry Birds. Hoe meer games in de mainstream raken, hoe meer deze subcultuur van gamers zich hier tegen verzet. Dat heeft games er echter niet van weerhouden volwassen te worden.
V.C.A. Crone (27-05-2013) In een recente reclamecampagne legt het tijdschrift Guitar Player de schuld voor de economische crisis bij ‘foute muziek’. In de reclames zie je een grafiekje met een correlatie tussen de stijgende populariteit van Carly Rae Jepsen, One Direction en Justin Bieber in 2012 en de economische neergang in dat jaar. Tagline: “nothing goes right when music is wrong”. Dit is natuurlijk grappig bedoeld, maar misschien klopt het wel? Is er een verband tussen muzieksmaak en bredere sociaaleconomische of technologische ontwikkelingen? Over deze vraag buigen de mediadoctoren zich samen met Koos Zwaan, Associate Lector bij de hogeschool INHolland en gepromoveerd op popmuziek. We belichten verschillende invloeden op smaak. Zo hebben ouders invloed, maar niet op de manier waarop de meeste mensen verwachten. We hebben het ook over technologische ontwikkelingen, zoals de opkomst van de walkman en later de iPod, maar ook die van de downloadcultuur. Het praktijkinterview is met Niels Aalberts, voormalig manager van Kyteman en nu vooral actief in marketing van muziek. Hij legt uit wat de rol van marketing is en hoe je als bandje marketing kunt inzetten om succesvol te worden. Aalberts geeft als advies dat je vooral niet je muziek moet afstemmen op trends. Dit item is ook apart via YouTube te beluisteren. Het 200-seconden-item is deze keer gemaakt door Vincent, over de Parents Music Resource Center geleid door Tipper Gore (vrouw van). Hun protest leidde uiteindelijk tot de stickers ‘Parental Advisory: Explicit Lyrics. Aan de ene kant een label om ouders te waarschuwen, aan de andere kant een magneet voor jonge luisteraars die graag grenzen overschrijden. Dit item is ook apart via YouTube te beluisteren. Aan het einde proberen we een antwoord te formuleren op de vraag. Muzieksmaak is verweven met onze maatschappij en veranderingen in de omgeving hebben dus een weerslag op wat we willen luisteren. Muziek verandert dus mee. Die verwevenheid maakt het wel methodologisch lastig om zulke dingen te onderzoeken.
V.C.A. Crone (28-01-2013) Media staan bol van recensies van allerlei cultuuruitingen. Aristoteles deed het al in zijn Poetica; tegenwoordig vertelt menig blogger wat hij vindt van muziek, film, boek of feest. Waarom zijn mensen geïnteresseerd in de mening van een ander? In de zesde aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de recensie. In het tafelgesprek definiëren we de recensie en gaan we kort in op de geschiedenis en ontwikkeling. Ook het economisch aspect komt aan bod: is de recensie niet een marketingmiddel? We bespreken de rol van autoriteit en het verschil tussen recensies over hoge en lage cultuur. Tot slot vragen we ons af of je alles kunt recenseren, zoals Recensiekoning doet, en of recensies bij alle soorten media passen of dat deze vorm voorbehouden is voor printmedia. Om zicht te krijgen op de praktijk van de recensie interviewden we Hans Beerekamp, televisierecensent bij NRC Handelsblad. Hij wil met zijn recensies graag de ambachtelijke kant van televisie maken laten zien. Zijn denkbeeldige lezer is iemand die nooit televisie kijkt. Recenseren ziet hij als “boodschappen doen in de supermarkt in je hoofd”. In het wetenschapsgedeelte bespreken we verschillende onderzoeken naar recensies. Zo is er een verschil tussen recensies van arthousefilms en mainstream-films. Het blijkt dat vooral arthousefilms voor bezoekers afhankelijk zijn van recensies. Televisierecensies zijn weer anders. Hoe waren televisierecensies vroeger in vergelijking tot nu? Aan het einde van de aflevering komen we terug op de waarde van recensies. Zijn recensies een vorm van marketing die ons helpt als consumenten of een vorm van cultuurduiding die ons helpt als burgers?
V.C.A. Crone (06-05-2013) Roddelbladen bestaan in Nederland sinds de jaren ’60. Lange tijd lag er een taboe op roddelen, maar showbizznieuws vind je tegenwoordig overal. Ook serieuze kranten en actualiteitenprogramma’s berichten nu over de minnaars van een presentatrice of de scheiding van een voetballer. Samen met studiogast Maarten Reesink buigen de mediadoctoren zich over de toegenomen media-aandacht voor roddel. Beroemdheden kennen we allemaal, waardoor het makkelijk is om over hen te spreken. Roddel, ook roddel over ‘gewone’ mensen, dient een sociale functie, die niet noodzakelijkerwijs negatief is. Door te praten over andere mensen leren we wat gepast gedrag is en wat er van ons verwacht wordt. We interviewden Hummie van der Tonnekreek, als voormalig hoofdredacteur van Story en Weekend ook wel de roddelkoningin van Nederland genoemd. Zij legt uit hoe de maatschappelijke veranderingen in de jaren ’60 en ’70 ervoor zorgden dat mensen behoefte hadden om te praten over privélevens, terwijl de media in die tijd zich juist afkeerden van zulke verhalen. Roddel is nu terug in de serieuze pers, volgens Van der Tonnekreek waarschijnlijk uit financiële overwegingen. Kranten zijn echter slecht geschikt voor roddel. (Dit item is ook apart te beluisteren via YouTube.) Chris maakte deze keer het 200-seconden-item, over sociale media als roddelmedia. Maurits Kreijveld houdt zich bezig met de wisdom of the crowd en stelt dat de boodschappen die het goed doen op sociale media de kenmerken van roddel hebben. Hierdoor zijn sociale media ongeschikt als manier om serieuze boodschappen te verspreiden. (Dit item is ook apart te beluisteren via YouTube.) We sluiten af met een verhit studiogesprek tussen de mediadoctoren onderling en Maarten Reesink als mediator over de functie van roddel, de vraag of een roddel waar moet zijn en de rol die media spelen in roddelen. We komen desalniettemin tot een antwoord op de vraag. Dat antwoord heeft te maken met de complexiteit van de huidige samenleving en de diversiteit van het medialandschap.
V.C.A. Crone (25-03-2013) Sinds reality-TV in de jaren ’90 zijn intrede maakte, is het genre alomtegenwoordig op televisie. De formats verschillen – van spelshow tot docusoap – maar het genre kenmerkt zich door een relatie met de werkelijkheid. Het zou gaan om echte mensen met echte emoties. Toch is niet alles wat je ziet echt: reality-TV kent scripts. In de tiende aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de echtheid van reality-TV. Reality is zo leuk om te kijken omdat de kijker zich steeds afvraagt wat er echt is. Deelnemers worden in een niet-natuurlijke setting geplaatst en er wordt veel materiaal geschoten waaruit uiteindelijk slechts een selectie te zien. De echtheid zoeken de makers in de emoties. Dit is te begrijpen vanuit het idee van confessiecultuur, waar communicatiewetenschapper Mervi Pantti onderzoek naar heeft gedaan. Vrijwel alle programma’s kennen een soort biechtmoment, waar een kandidaat ‘alleen’ is met de camera en aan de mensen thuis eerlijk vertelt hoe hij/zij alles beleeft. Dit confessiemoment kennen we uit het Christendom en is diepgeworteld in onze cultuur. Om te achterhalen hoe programmamakers de werkelijkheid sturen, spraken we met Lieke van Wijck, die zowel redactie als productie heeft gedaan voor Gastarbeiders (SBS6). Zoals alle televisieprogramma’s kent Gastarbeiders een script, met een begin, midden en eind. In het programma wordt aangestuurd op een disruptie: een conflict tussen de kandidaten en de situatie waarin ze terechtkomen. De makers sturen, maar zijn daarbij afhankelijk van de karakters van de kandidaten. Daarom worden specifiek bepaalde types geselecteerd. Van Wijck vertelt over castingcriteria en de eisen waaraan kandidaten moeten voldoen. Er is veel vluchtig onderzoek gedaan, dat nauwelijks op elkaar voortbouwt, waarmee wetenschappers graag wilden scoren. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een overzicht van het vele onderzoek naar Big Brother. Het onderzoek dat er ligt geeft weinig antwoord op basisvragen als waarom is reality-TV zo populair, waarom doen mensen eraan mee en wat is de aantrekkingskracht voor kijkers. Bovendien blijken onderzoeksresultaten tegenstrijdig, bijvoorbeeld over voyeurisme dat wel en niet een reden zou zijn om te kijken. We concluderen dat het doel van reality is kijkers na te laten denken over wat echt is. Het gaat om geproduceerde televisie waarbij de makers de macht hebben. Geschikte kandidaten voor reality-TV zijn kneedbaar en stereotiep.
V.C.A. Crone (11-03-2013) Tegenwoordig hoef je niet meer te wachten tot de krant in de bus valt om het nieuws te volgen. Kranten hebben ook websites, maar heel veel stukken uit de papieren krant staan niet online. Op de sites van verschillende kranten vind je dezelfde nieuwsberichten, afkomstig van het ANP. De papieren krant biedt daarentegen een bepaalde eigen autoriteit. Voor de lezer zijn deze verschillen vaak niet zichtbaar. In de negende aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over de verschillen tussen de papieren krant en de website van die krant, in doelgroep, in redacties, in inhoud en in de manier van lezen. In het tafelgesprek proberen we eerst duidelijk te krijgen hoe de inhoud van de papieren en de online krant verschilt. De website is gratis, de krant moet je kopen. Daardoor heeft de papieren krant een hogere status. De inhoud van de website is vaak luchtiger, maar je vindt er ook extra dingen zoals liveblogs en reacties op het nieuws. Ook de manier van lezen is anders. Door de papieren krant blader je. Er wordt bijzondere opmaak gebruikt om je aandacht te trekken. Dit betekent dat je met papier sneller een selectie kunt maken uit berichten. Online moet je klikken, maar kan je weer makkelijker verschillende nieuwsbronnen tot je nemen. We interviewden Laurens Verhagen, hoofdredacteur van volkskrant.nl en demorgen.be om inzicht te krijgen in de praktijk. Verhagen vertelt over merkdenken: zijn de krant en de site aparte merken of verschillende producten van hetzelfde merk? Een belangrijk verschil is de redactie. Hoewel er overlegd wordt, bevindt de online-redactie zich fysiek op een andere plek dan redactie van de krant. Zij werken aan direct nieuws, terwijl de reguliere redactie zich richt op de krant van morgen. Slechts een klein gedeelte van de papieren krant staat nu online. Verhagen reflecteert op de benodigde andere werkwijze als de krant in de toekomst helemaal digitaal wordt. In het interview valt sterk op dat de lezer en journalistieke waarden in de strategieoverwegingen vanuit de krant ontbreken. Wetenschappelijk onderzoek biedt daar wel inzicht in, zo is er een groot rapport van het Reuters Institute. Er zijn bijvoorbeeld grote verschillen tussen de manieren waarop lezers uit Europese landen zich informeren over het nieuws. Het nieuws dat mensen online consumeren komt vooral van traditionele nieuwsorganisaties. Het platform verandert dus, maar de nieuwsproducenten niet. Lezers gebruiken daarbij opvallend weinig bronnen en zij zoeken online de bronnen op die ze offline al kenden. Dit is een rugwaartse ontwikkeling: de revolutie blijft uit. Aan het einde van de aflevering sommen we de verschillen op en denken we na over de implicaties hiervan. Wat betekenen deze verschillen nu voor de democratische rol die de journalistiek zou moeten vervullen? Vanuit de burger gezien blijkt het niet zo veel uit te maken of hij nieuws online of offline consumeert. Het verschil tussen de papieren en de online krant gaat hoofdzakelijk om het verdienmodel.
V.C.A. Crone (11-02-2013) Twintigers van nu zijn nostalgisch naar Pokémon en games uit de jaren ’90, ouderen van nu kunnen bij Omroep Max allerlei programma’s uit hun verleden kijken. Hipsters drijven op nostalgie en nostalgische producten. Waar komt die zucht naar een verloren verleden vandaan? In de zevende aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over nostalgie. In het tafelgesprek bespreken we de verschillen tussen nostalgie, melancholie en retro. Nostalgie gaat om een constructie nu van een verleden toen, en daarmee heeft nostalgie altijd een mythisch aspect. We bespreken verschillende voorbeelden van nostalgie en bediscussiëren of nostalgie voor alle leeftijdsgroepen gelijk werkt. Een belangrijke invloed is digitalisering. Dit zorgt ervoor dat allerlei archieven beter ontsloten zijn, maar digitalisering doet ons ook terugverlangen naar een simpelere tijd. Om meer inzicht te krijgen interviewden we Han Peekel, voorzitter van de Stichting Mediageheugen en voor dertigers nostalgische held van het televisieprogramma Wordt Vervolgd. Hij verklaart de zucht naar nostalgie vanuit onzekerheid over de toekomst. Het verleden staat vast en is gedeeld en biedt dus gemeenschappelijke houvast. Hij vertelt over hoe retroprogramma’s werken en hekelt het eenvoudig overnemen van een oud concept als Wie Van De Drie. In de wetenschap duidt het ontstaan van disciplines als memory studies en heritage studies op een groeiende interesse in nostalgie. Het boek Television, Memory and Nostalgia is een goed startpunt voor media en nostalgie. TV kent een groot contrast: aan de ene kant is het medium geobsedeerd met allerlei vormen van herinneren, aan de andere kant heeft tv de naam je juist dingen te laten vergeten. We bespreken drie verschillende onderzoeken waarbij nostalgie centraal staat: nostalgie in toerisme, barbershop singing en retromarketing. Aan het eind van de uitzending komen we terug op de beginvraag. Nostalgie werkt als cement van de samenleving. In oude programma’s, nostalgische programma’s of terugverwijzingen naar vroeger manifesteert zich een zoet verlangen naar het verleden.
V.C.A. Crone (14-01-2013) Zonder media is er geen pornografie, maar in de mediawereld neemt porno een vreemde plek in. Reguliere media doen er wat besmuikt over en consumenten van porno zeggen niet vaak dat ze er graag naar kijken. In deze vijfde aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over porno als drijvende kracht achter media-innovaties. In het tafelgesprek vertellen de mediadoctoren hoe (en waarover!) je aan eerstejaars-studenten college geeft over porno zonder dat iedereen moet giechelen en hoe bepaalde technologie – zoals de Polaroid-camera – uitermate uitstekend bleek voor porno. Het interview uit de praktijk is deze keer anoniem en naverteld. Een hoge marketing-pief van een internationaal entertainmentbedrijf wilde wel aan ons uitleggen hoe zij de ‘adult entertainment industry’ monitoren, maar mocht dit niet herkenbaar doen. Zij kijken vooral naar porno om de adoptie van nieuwe technologie en nieuwe verdienmodellen af te kijken. Communicatiewetenschappers doen onderzoek naar porno, al weten we in vergelijking met andere mediasectoren vrij weinig over de industrie. Piet Bakker en Saara Taalas onderzochten de adoptie van technologie en stellen dat het hier gaat om laagwaardige, ‘good enough’ producten. Wetenschappers hebben geworsteld met het taalgebruik, mag je bijvoorbeeld titwank schrijven of is het beter klinisch te blijven? Aan het einde van de aflevering komen we terug op porno als drijvende kracht achter technologie. Is dat nou een mythe en sexy borrelpraat, of zit er waarheid achter?
  2012 - Wetenschappelijke publicaties
Crone, V.C.A. & Müller, F. (03-12-2012). The Polysemic Documentary: Authenticity, Artistry and Change. JMComm 2012 Singapore: Global Science & Technology Forum, Annual International Conference on Journalism & Mass Communications (JMComm 2012).
  2012 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (21-10-2012) Op televisie zie je veel programma’s die op elkaar lijken, zoals Popstars en The Voice of Holland. In het buitenland zijn hier ook versies van, zoals Idols in de VS en Asian Idol. Hoe komt het dat je overal op de wereld min of meer dezelfde programma’s ziet? In de tweede aflevering verwonderen de mediadoctoren zich over formats. In het tafelgesprek proberen we duidelijk te krijgen wat een format is en wat de verschillen zijn met genres. Formats gaan niet alleen over zangwedstrijden, maar ook programma’s als Expeditie Robinson en The Bachelor worden aan de hand van een vaststaand sjabloon gemaakt. Kun je een format zien als een Big Mac? Om meer te weten te komen over de rol van formats bij het produceren van televisie interviewden we Wendy Groeneweg, redacteur bij Endemol waar ze onder andere werkte aan Outback Jack, Hotter Than My Daughteren So You Think You Can Dance. Het beeld dat Groeneweg schetst deprimeert de mediadoctoren: alles lijkt te draaien om efficiëntie waardoor er minder ruimte is voor creativiteit. De wetenschap schetst een heel ander beeld. Het onderzoek naar formats (zie deze overzichtsbundel) is heel positief over formats, omdat ze worden gezien als tegengas tegen Amerikaans cultureel imperialisme en mediaconcentratie. Exemplarisch voor zulk onderzoek is een recente studie [abstract] over de handel in formats waarin gesteld wordt dat formats gezien moeten worden als bruggen tussen culturen. Tot slot beantwoorden we de hoofdvraag en bespreken we of formats nu aanleiding geven tot vrolijkheid of somberheid over Nederlandse televisie.
V.C.A. Crone (17-12-2012) Vroeger werd in de aankondiging van The Cosby Show gezegd dat het ‘live opgenomen’ was. Allerlei dingen worden live genoemd maar zijn dat niet echt, zoals live in een voetbalstadion op scherm naar een wedstrijd kijken of radio die al eerder opgenomen is. En waarom wordt steeds benadrukt dat iets live is? De mediadoctoren verwonderen zich over de meerwaarde van ‘live’. In het tafelgesprek bespreken we verschillende vormen van live en proberen we onze vinger te leggen op de kenmerken van live. Voor het praktijkgedeelte interviewden we Mattie Valk, die bij Q Music een ochtendshow heeft. Daarin zijn niet alle elementen even ‘live’ als de luisteraar misschien denkt. Hij legt uit waarom dat is. Tegen verwachting in is dat niet om te vermijden dat iemand iets onverwacht zegt op de radio, omdat bij radio spontaniteit een belangrijke rol speelt. In het literatuurgedeelte bespreken we onderzoek naar live nieuws. Op basis van inhoudsanalyse van Amerikaans nieuws blijkt dat in helft van de gevallen heeft het geen toegevoegde journalistieke waarde heeft dat een verslaggever live op locatie is. Bij live verslaan van nieuws is er een extra risico van nieuws gebaseerd op geruchten. Voor het publiek maakt het niet uit, al draagt het bij aan het begrijpen van de context. Vanuit de cultuurwetenschappen (Williams) weten dat de liveness bijdraagt aan het gevoel van ‘erbij zijn’ en betrokkenheid. Tot slot formuleren we een antwoord op de vraag. Live heeft een andere functie voor makers dan voor luisteraars, maar beide groepen ervaren een speciale toegevoegde waarde.
V.C.A. Crone (03-12-2012) Zelfhulpboeken zijn populair. Ze staan vol met tips om een beter mens te worden, op allerlei terreinen: van afvallen en gelukkiger worden tot je liefdesleven verbeteren. Ook op televisie zijn er veel programma’s die je laten zien hoe je een beter leven kunt leiden – zoals de dr. Phil-show. De mediadoctoren verwonderen zich in de derde aflevering over de sterke relatie tussen media en zelfhulp. In het tafelgesprek proberen we te kenschetsen wat zelfhulp eigenlijk is. Er is een duidelijk economisch imperatief om media te maken waarin mensen ‘hulp’ krijgen. We bespreken dat de boodschappen soms tegengesteld zijn en dat er altijd mensen ongelukkig zullen zijn. De markt lijkt dan ook niet te verzadigen: in de VS zijn er meer dan 20.000 boeken die beginnen met ‘how to’. Twee schrijvers van zelfhulpboeken vertellen waarom zij deze hebben geschreven. Lucas Slager is auteur van verschillende boeken over coaching, zelfontwikkeling en Maya’s. Hij schreef onder meer Coach Jezelf. Bea Pols is gewichtsconsulente en auteur van Afslanken en Persoonlijke Groei. Wetenschappelijk onderzoek naar zelfhulpboeken is divers, zo is er veel marktonderzoek gedaan en wordt er geprobeerd het succes te verklaren. Binnen de cultural studies wordt zelfhulp bijvoorbeeld gezien als disciplinering door het kapitalisme. We bespreken onderzoek [abstract] van Ad Bergsma over welke zelfhulp werkt. Aan het eind van de aflevering proberen we de vraag te beantwoorden. We reflecteren daarbij ook of het eigenlijk wat uitmaakt of zelfhulpmedia helpen. Zijn er ook gevaren?
  2011 - Wetenschappelijke publicaties
Crone, V.C.A. (2011). Televisiereceptie: het debat over de kwetsbare kijker. In Joke Hermes (Eds.), Televisiestudies (pp. 129-139) (11 p.). Den Haag: Boom Lemma.
Crone, V.C.A. (2011). The Rise and Fall of Ayaan Hirsi Ali: The Dutch Media and the Mythology of the “Enlightened Muslim”. In S. Hutchings (Eds.), Islam in its International Context: Comparative Perspectives (pp. 101-118) (18 p.). Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing.
  2009 - Populariserende publicaties
Crone, V.C.A. (2009). Het Alledaagse leven: Spelprogramma’s & studiogasten. Over televisie. Zwolle: Waanders.
  2008 - Wetenschappelijke publicaties
  2008 - Overige resultaten
V.C.A. Crone (15-02-2008) Visual Culture as a battlefield
  2007 - Wetenschappelijke publicaties
Crone, V.C.A. (2007). 'Mits in de juiste handen'. Het discours rondom televisie vóór de officiële introductie in Nederland. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 35 (4), (pp. 290-306) (17 p.).
  2005 - Wetenschappelijke publicaties
Crone, V.C.A. (2005). ‘Het journaal als tegengif. Over de rol van het NTS-JOURNAAL in de discussie over de betekenis van televisie voor Nederland’. Tijdschrift voor mediageschiedenis, 8 (2), (pp. 43-60) (18 p.).
^ naar boven
Gegenereerd op 2017-09-23 02:31:03
Op dit moment verzorgt dr. Vincent Crone de volgende cursus(sen):
CodeBeschrijvingV/DNiveauECTS
TC2V15003 Tcs-Basiscursus Media Onderzoek V 2 7,5
Gegenereerd op 2017-09-23 02:31:03
Volledige naam
dr. V.C.A. Crone Contactgegevens
Muntstraat 2-2a

Muntstraat 2-2A
Kamer 1.02
3512 EV  UTRECHT

Telefoonnummer direct 030 253 6154
Postadres
Muntstraat 2A Muntstraat
NULL    UTRECHT
Aanwezigheid
Ma Di Wo Do Vr
Ochtend
Middag
Gegenereerd op 2017-09-23 02:31:03
Laatst bijgewerkt op 17-11-2016