Rechtswetenschappelijk onderwijs in een interdisciplinaire context weerspiegelt een visie op recht. Die visie heeft als grondslag dat recht en maatschappij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en een goed begrip van het recht impliceert een goed begrip van de bredere maatschappelijke en wetenschappelijke context waarin het recht (en de rechtswetenschap) functioneert.
De geschetste visie betekent dat een jurist naast kennis en inzicht van het recht en de daarbij behorende vaardigheden, ook over de vaardigheid beschikt zich te kunnen bewegen langs en over disciplinaire grenzen, door het recht te kunnen bestuderen in die bredere maatschappelijke en wetenschappelijke context. Op deze manier kan de jurist de dialoog aangaan met professionals uit andere wetenschappelijke perspectieven. De grondslag ervan wordt gevormd door het idee van gedisciplineerde interdisciplinariteit (Klein; Van der Tuin & Lambalgen): dat professionals vanuit de eigen discipline in staat zijn de dialoog aan te gaan met collega’s uit andere wetenschappelijke disciplines. Kennis van de eigen discipline is essentieel voor die interdisciplinaire dialoog omdat het studenten in staat stelt perspectief in te nemen vanuit een wetenschappelijke thuisbasis.
Het doel van hoger onderwijs is er in gelegen studenten tot een transformatieve relatie ten aanzien van kennis te brengen, dat wil zeggen een relatie die een verandering teweegbrengt in wie de student is en wat de student kan doen in de wereld (Ashwin). Die transformatie vindt plaats op basis van wetenschappelijke kennis en de vaardigheden die daarbij horen (kwalificatie), het worden van student én, in dit geval, jurist (socialisatie) en zelfverwezenlijking (subjectificatie) (Biesta). Vanuit het onderwijskundige perspectief is onderwijs een proces dat bestaat uit activiteiten op basis van vaste principes en uitgangspunten (zoals de casuïstiek als centraal element van rechtswetenschappelijk onderwijs) én uit experimenten, disruptieve interventies en didactische vernieuwingen
In mijn leeropdracht initieer ik onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen en de uitdagingen die deze ontwikkelingen stellen aan de vormgeving en invulling van het academisch juridische curriculum. Daarbij streef ik ernaar om in de kaders daarvoor te voorzien, onder meer door onderzoek naar het concept van disciplined interdisciplinarity en de betekenis van dit concept in de rechtswetenschappelijke context voor wat betreft onderwijsontwerp en curriculum design. Ook reflecteer ik op de vaste principes en uitgangspunten, en jaag experimenten en interventies aan. Daarbij doe ik ook onderzoek naar die vaste principes en uitgangspunten, experimenten en interventies onder de noemer van “evidence-informed education. Ik richt mij daarbij in het bijzonder op de noties van subjectificatie en socialisatie: wat voor een jurist wil je zijn en wat doe je dan?
Ik ben ook Academic director van het Centre for Academic Teaching & Learning (CAT). Het CAT is een netwerk van docenten en onderwijsprofessionals. Als organisatie faciliteren en ondersteunen wij de ontwikkeling van docenten, de innovatie van onderwijs en onderzoek naar onderwijs onder de noemer van “evidence informed education”. Als Academic director vervul ik een brugfunctie vanuit het Centre naar de faculteiten, departementen en hun opleidingen. Als lid van het Focusgebied Higher Education Research jaag ik onderwijsonderzoek nog verder aan. Een belangrijke huidige opdracht voor het Centre is het ondersteunen en faciliteren van de implementatie van onze UU-visie op onderwijs en het geactualiseerde onderwijsmodel dat daarop is gebaseerd. (Zie ook deze videoclip.)
Julie T. Klein, Interdisciplinarity: History, Theory and Practice, Wayne State University Press 1990.
Rianne van Lambalgen & Iris van der Tuin, Teaching Integration, in R Szostak (ed.), Handbook of Interdisciplinary Teaching and Administration, Edward Elgar 2024, pp. 114-135.
Paul Ashwin, Transforming University Education – A Manifesto, Bloomsbury 2020.
Gert Biesta, The Beautiful Risk of Education, Paradigm 2013.