Studieprogramma

Studieopbouw

De masteropleiding Diergeneeskunde kent drie masterprogramma's: Geneeskunde van gezelschapsdieren, Gezondheidszorg landbouwhuisdieren / veterinaire volksgezondheid en Gezondheidszorg paard. Elk programma heeft twee onderdelen: de major en de profileringsruimte.

Major, uniform en gedifferentieerd
De onderdelen van de major zijn verplicht en identiek voor alle studenten in het betreffende programma. De major heeft een uniform deel en een gedifferentieerd deel. Het uniforme deel is identiek bij de drie programma’s. Het gedifferentieerde deel verschilt per programma, maar is identiek voor alle studenten binnen een programma.

Profileringsruimte
De profileringsruimte bestaat uit drie onderdelen: de onderzoekstage, de keuzeruimte en de track. In de keuzeruimte kunnen cursussen worden gevolgd aan de Universiteit Utrecht of andere Nederlandse bekostigde universiteiten, maar de ruimte kan ook worden gebruikt voor een verlenging van de track bestuur en beleid, de track onderzoek of de onderzoeksstage.

Je maakt een keuze uit vijf tracks: klinisch, bestuur en beleid, onderzoek, One Health* of Animal Welfare Management* (* waarin verplicht opgenomen onderzoekstage en keuzeruimte/keuzecursussen).

Schematisch overzicht van cursussen in de master Geneeskunde van gezelschapsdieren met daarbij per cursus het aantal studiepunten en weken

Onderwijsvormen

Het onderwijs in de master is gericht op het werkplek leren. Dit betekent dat het onderwijs praktisch georiënteerd is en in het theoretisch onderwijs veel ruimte wordt geboden voor zelfstudie.

Je wordt begeleid op verschillende niveau’s, namelijk door docenten, andere faculteitsmedewerkers en door (senior) studenten. Kernbegrippen in het onderwijs zijn activerende werkvormen en toenemende zelfstandigheid van de student. Je doorloopt in steeds grotere mate van zelfstandigheid je onderwijsprogramma.

De groepsgrootte varieert per onderwijsvorm:

  • (interactief) Hoorcollege; alle masterstudenten in het programma op een bepaald moment
  • Theoretisch onderwijs zoals werkcollege; 12 tot 25 studenten
  • Practica; maximaal 15 studenten
  • Werkplek en (overig) praktisch onderwijs; 1 tot 5 studenten

Let op: er zijn avond-, nacht- en weekenddiensten.

Toetsmethoden

Je houdt met een elektronisch systeem (ePASS) een portfolio bij, waarin beoordelingen betreffende je competentieontwikkeling zijn terug te vinden. Het portfolio beschrijft en levert een bijdrage aan de longitudinale ontwikkeling van de student.

Competentieprofiel van de dierenarts
Cirkel met daarin de zeven competentiedomeinen van de veterinair professional

 

Op basis van zeven competentiedomeinen uit het competentieprofiel van de veterinair professional ontvang je feedback en word je op gezette tijden beoordeeld.

In het portfolio zijn feedback-instrumenten opgenomen, zoals:

• Korte Praktijk Beoordelingen (KPB’s)
• Multi Source Feedback (MSF)
• Evidence Based Case Reports (EBCR)

Daarnaast is er in het portfolio ruimte voor een Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP), waarvan je er bij het vervolgen van je programma meerdere maakt. Je formuleert SMART leerdoelen en een actieplan op basis van verzamelde feedback en reflectie. Je voert gesprekken met je tutor, die je POP’s valideert.

De beoordelingscommissie beoordeelt je elektronisch portfolio tweemaal gedurende je master op integratie van kennis, inzicht en vaardigheden.

Overige toetsmethoden:

• Kennistoetsen, bloktoetsen
• Opdrachten, presentaties, verslagen
• Vaardigheidstoetsen
• Engelstalig onderzoeksstageverslag