Cursussen

Vakinhoudelijk: taaloverstijgende cursussen

Literatuuronderwijs (verplicht)

In deze collegereeks komen centrale thema’s op het gebied van onderzoek en praktijk van het literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs aan de orde. In het bijzonder wordt het onderwijs aan de bovenbouw van havo en vwo, bij zowel Nederlands als de moderne vreemde talen belicht.

De vraagstelling in de cursus wordt gekoppeld aan praktijkgericht onderzoek. Bijvoorbeeld: Welke ruimte is er voor literatuur, mede gelet op de exameneisen? Hoe kan literatuur onderdeel van taalvaardigheid zijn? Wat zijn de voor- en nadelen van literatuur per taal of met alle talen gezamenlijk? Welke andere constellaties zijn mogelijk?

Aan bod komen de literaire ontwikkeling, literatuurgeschiedenis en literaire begrippen; niveaukenmerken van leerlingen en literaire teksten; canondiscussies; culturele benaderingen; taalvaardige benaderingen; mogelijkheden van film voor het literatuuronderwijs.

Taalverwerving (verplicht)

De cursus gaat in op de vraag hoe taalleerprocessen tot stand komen. Meer specifiek zullen de volgende onderwerpen aan bod komen:

  • Het verschil tussen T1 en T2 verwerving;
  • Het verschil tussen spontane en gestuurde T2 verwerving;
  • Verschillen tussen leerders: leerderseigenschappen, tussentaal (interlanguage) en ‘ultimate attainment’;
  • Tweetaligheid en de invloed daarvan op het leren van een derde taal;
  • Taalleerstoornissen: hoe gaan bijvoorbeeld dyslectische leerlingen om met de eisen van het Moderne Vreemde Talenonderwijs? 

Taalonderwijs (verplicht)

In deze cursus staat effectief taalvaardigheidsonderwijs centraal. Welke concepten spelen daar vandaag de dag een belangrijke rol? Onderzoek naar lees- en schrijfvaardigheid in het Nederlands en vreemde talen staat centraal. Hierbij ligt de nadruk op de leerder: welke kennis en vaardigheden moet hij of zij ontwikkelen om een vaardig lezer / schrijver te worden?

Daarnaast wordt aandacht besteed aan de wijze waarop deze inzichten vertaald kunnen worden in het taalonderwijs. Hiervoor bestudeer je onderzoeksartikelen en je beoordeelt deze met het oog op de implicaties voor - en de bruikbaarheid in - het eigen onderwijs. Je rapporteert schriftelijk over de (mogelijke) toepassing van de theorie uit de artikelen in het onderwijs in de klas.

Taal en literatuur in de educatieve praktijk (verplicht)

In deze cursus besteden we aandacht aan kernconcepten van het taalonderwijscurriculum, aan noties van leerganganalyse en toetsing, en de relatie tussen de lespraktijk en het onderwijsbeleid. Theorie en inzichten uit de cursussen Literatuuronderwijs, Taalverwerving en Taalonderwijs worden aan de praktijk getoetst en in een bredere onderwijscontext geplaatst.

De cursus is bedoeld om gericht de context van de taalonderwijspraktijk te leren kennen en begrijpen, en fungeert daarmee als een contextualisering voor Masterstage 1 en 2. In de bijeenkomsten en in observatie- en ontwerpopdrachten ga je in op (een selectie van) de volgende vragen:

  • Waaruit bestaan de curricula Nederlands en vreemde talen (mvt) op het havo-vwo?
  • Hoe is de onderlinge afstemming tussen de curricula?
  • Hoe worden tussendoelen en eindtermen bepaald?
  • Hoe worden het Europees Referentiekader (ERK) en Referentieniveaus Taal gebruikt?
  • Wat is de relatie tussen leerdoelen/eindtermen, inhouden en toetsen?
  • Hoe zit het PTA voor de talen in elkaar? Wat is de rol van Cito, SLO, CvTE enz.?
  • Hoe zijn leerlijnen en eindtermen zichtbaar in leergangen?
  • Hoe worden kennis en vaardigheden in leergangen opgebouwd?
  • Welke typen opdrachten worden ingezet voor welk type leerdoelen?
  • Welke keuzes maken docenten en talensecties in het taalonderwijsprogramma, op basis van leergang, curricula, eindtermen, praktische randvoorwaarden en wettelijke regelingen?

Vakinhoudelijk: taalspecifieke keuzecursussen

Over de taalspecifieke keuzecursussen

Je kiest gedurende je masterprogramma ten minste één cursus van minimaal 5 EC op het gebied van de letterkunde en één cursus van minimaal 5 EC op het gebied van de taalkunde. Iedere cursus heeft een omvang van 5 EC, behalve de cursussen van Masterlanguage. Die kun je voor 5 of 10 EC afsluiten.

LET OP: Dit zijn de keuzecursussen 2017-2018. In 2018-2019 zal het cursusaanbod van Masterlanguage vernieuwd worden. Hetzelfde kan gelden voor een deel van de andere keuzecursussen.

Kultur und Identität im deutschen Kontext

Gegenstand des Kurses ist die Analyse von Elementen einer fremden Kultur. Im Mittelpunkt steht dabei der Kulturvergleich zwischen dem niederländischen und dem deutschen Sprachraum. Studenten beschäftigen sich mit der Beschreibung und kontrastiven Analyse kulturspezifischer Phänomene des niederländischen und deutschen Sprachraums. Aktuelle Themen und Diskurse werden anhand der dazugehörigen Texte verschiedenen Ursprungs (bspw. literarisch, politisch, gesellschaftlich) in verschiedenen Formen (Kommentare, Websites, Filme, Broschüren, Kurzgeschichten, Romane etc.) diskutiert, wobei auch kulturhistorische Perspektiven fokussiert werden. Dabei werden Fragen der Bildformung und der sprachlichen und kulturellen Identitätskonstruktion aufgeworfen und kritisch betrachtet, um auf diese Weise das Bild der eigenen kulturellen Identität nuancieren zu können und den Umgang mit dem Anderen (interkulturelle Mediation) und Fremdverstehen möglich zu machen.

Dieser Kurs gehört zu mehreren Masterstudiengängen. Studierende erhalten Aufgaben, die auf den jeweiligen Masterstudiengang ausgerichtet sind.

Arbeidsmarktoriëntatie
Opdrachten met arbeidsmarktvaardigheden
Opdrachten met transfer voor de arbeidsmarkt

Deutsche Gegenwartsliteratur

Im Mittelpunkt des Erkenntnisinteresses stehen literarische Texte der deutschsprachigen Gegenwartsliteratur und ihre kulturellen, medialen und politischen Kontexte. Im Tutorial werden ausgewählte Werke verschiedener Gattungen aus literaturanalytischer, -theoretischer und -historischer Perspektive eingehend diskutiert.

Arbeitsmarktorientierung
Kenntnisse des literarischen Markts.

Kultur und Kommunikation im deutschen Kontext

Gegenstand des Kurses ist die Vermittlung von Elementen einer fremden Kultur. Im Mittelpunkt stehen dabei Unterschiede zwischen dem niederländischen und dem deutschen Sprachraum. Unter anderem auf der Basis des „Linguistic awareness of cultures“-Modells von Müller-Jacquier (2000) wird untersucht, inwiefern scheinbare Kulturunterschiede auf unterschiedliche Strategien des kommunikativen Handelns zurückgeführt werden können. Anschließend wird auch die Interaktion in einem mehrsprachigen Kontext fokussiert und werden diese interkulturellen Interaktionen analysiert.
Desweiteren werden unterschiedliche Möglichkeiten zur Darstellung und Vermittlung von Kultur(en), Kulturinhalten und Kulturunterschieden behandelt. Studierende erarbeiten im Kurs selbständig Vermittlungsformen für spezifische Interaktionsmuster unter Bezugnahme auf spezifische Segmente einer fremden Kultur bzw. untersuchen Auswirkungen von bestimmten Vermittlungsformen. Hierzu kann unter anderem das ICC-Modell von Byram herangezogen werden. Dies erfolgt theoretisch und/oder praktisch und in Bezug auf unterschiedliche Kontexte (Schule, Erwachsenenbildung, Weiterbildung/interkulturelles Training, interne und externe Kommunikation von Firmen).

Dieser Kurs gehört zu mehreren Masterstudiengängen. Studierende erhalten Aufgaben, die auf den jeweiligen Masterstudiengang ausgerichtet sind.

Arbeidsmarktoriëntatie
Opdrachten met arbeidsmarktvaardigheden
Opdrachten met transfer voor de arbeidsmarkt

Literatur in der Schule

Für die 8.-9. Klassen gibt es leichte Lektüren ("Easy Readers") auf A2-Niveau. Welche Texte sind für die 9.-12. Klassen angemessen? Und welche Didaktisierungen sind sinnvoll? Dieses Tutorial bietet auf Basis des Modells von www.lezenvoordelijst.nl ein praxisorientiertes Konzept, um literarische Leseniveaus unterscheiden zu können, damit für individuelle Schüler/innen geeignete Prosatexte gefunden werden können. Die Teilnehmenden absolvieren eine Leseliste, damit sie eine Basis haben, in Zukunft literarische Lese-Entwicklung von (niederländischen) Schülern erfolgreich fördern zu können. Außerdem lernen sie, nach einem fachdidaktischen Modell Textanalysen und Aufgaben zu erstellen.

Mehrsprachigkeit in deutschen Kontext

Gegenstand des Kurses sind theoretische Konzepte zum Thema Mehrsprachigkeit und deren Anwendung in konkreten linguistischen Analysen. Im Mittelpunkt stehen dabei Aspekte der Mehrsprachigkeit im deutschen Sprachraum und  Unterschiede zwischen dem niederländischen und dem deutschen Sprachraum. Die behandelten Themengebiete sind u.a. bilingualer Spracherwerb und Zweitspracherwerb, Transfer und Interferenz, Sprachwechsel und Sprachmischung, Migrantensprachen/Kiezdeutsch und Sprachpolitik.

NB: Studenten van de individuele masterprogramma’s, waarvan deze cursus deel uitmaakt, krijgen (verwerkings)opdrachten die op het betreffende masterprogramma gericht zijn.

Arbeidsmarktoriëntatie:
Opdrachten met arbeidsmarktvaardigheden
Opdrachten met transfer voor de arbeidsmarkt

Masterlanguage

Met Masterlanguage volg je door heel Nederland vakken van topdocenten. Masterlanguage is een landelijk cursusaanbod. Daarnaast worden er allerlei activiteiten georganiseerd, zoals lezingen en masterclasses.

Je mag de taalspecifieke cursussen vervangen door cursussen uit het aanbod van Masterlanguage, mits je voldoet aan de voorwaarde van letterkunde en taalkunde.

Het cursusaanbod van Masterlanguage wordt elk studiejaar vernieuwd.

 

Vakinhoudelijk: masterscriptie

Masterscriptie (verplicht)

In je scriptie geef je blijk van inzicht in de relatie tussen wetenschappelijk vakinhoudelijk onderzoek aan de ene kant, en de vakdidactiek en de praktijk van het talenonderwijs aan de andere kant.

De scriptie wordt bij voorkeur verbonden aan:

  • een verplichte of vakspecifieke cursus uit het vakinhoudelijke deel;
  • het praktijkgerichte onderzoek;
  • een van de vakdidactische opdrachten; en/of
  • een van de keuzecursussen uit het beroepsvoorbereidende deel.

In alle domeinen van taalonderwijs zijn scripties mogelijk: taalvaardigheid, taalontwikkeling, taalbewustzijn, taalbeschouwing, literaire competentie (literaire ontwikkeling, literaire begrippen, literatuurgeschiedenis, literaire canon, literatuur en diversiteit), geschiedenis van het taalonderwijs, internationale context van het taalonderwijs, taalonderwijs en media, interculturele competentie, interactie in de klas, enz.

In alle gevallen geldt dat de relevantie van het onderzoek voor de educatieve praktijk wordt verantwoord. Afhankelijk van de reikwijdte kan dit op verschillende curriculumniveaus plaatsvinden: leeractiviteit, les, leerlijn, onderwijsprogramma, onderwijsbeleid.

Focus van onderzoek kan zijn de leerling, de docent of het les- of toetsmateriaal; het onderzoek kan zich zowel richten op het leerproces als op het leerresultaat. Je onderzoek richt zich op het voortgezet onderwijs, maar in overleg is ook onderzoek mogelijk naar taal in het basis-, beroeps- of hoger onderwijs, volwasseneneducatie of publiekseducatie.

Je schrijft je scriptie in het Duits.

Beroepsvoorbereidend: kerncurriculum

PRAKTIJKERVARING VIA STAGE OF BAAN

Het onderwijs van de lerarenopleiding van de GST is georganiseerd in drie onderdelen: Praktijk (stage/baan), Pedagogiek, Vakdidactiek en keuzecursussen. Het kerncurriculum wordt gevormd door de cursussen Professional in Praktijk, Vakdidactiek en Pedagogiek. Tijdens de cursus Professional in de Praktijk doe je ervaring op in de schoolpraktijk en zal je op de universiteit uitwisselen over deze ervaringen en bepalen op welke manier je jezelf kan en moet ontwikkelen als docent. Je kunt de praktijkervaring opdoen middels een stage of middels een baan als (onbevoegd) docent. Zie verder onder ‘Stagevariant’ en ‘Baanvariant’.  De pedagogische en vakdidactische cursussen richten zich op de rol van de docent, de leerling, de school en op het ontwerpen en uitvoeren van lessen. In het onderdeel Keuzecursussen krijg je de gelegenheid om je te verdiepen in specifieke aspecten van het leraarsberoep zoals bijvoorbeeld burgerschapseducatie of het gebruik van ICT in het onderwijs. 

Stagevariant

De opleiding kent drie onderwijsstages: 1A, 1B en 2. Bij stage 1A en 1B loop je minstens 6 dagdelen per week stage op school, verspreid over 4 dagen. In stage 1A verzorg je 25 lessen en observeer je lessen. In stage 1B verzorg je 40 lessen. In stage 2 verzorg je ten minste 60 lessen in de bovenbouw en neem je deel aan buitenschoolse activiteiten. Bij beide stages neem je deel aan activiteiten buiten de lessen. Stage 1A en 1B worden op dezelfde school gedaan. Houd er rekening mee dat je in verband met de schoolroosters geacht wordt fulltime beschikbaar te zijn naast de colleges op de universiteit. De stageschool wordt geregeld door de universiteit. Gedurende je stages krijg je ondersteuning tijdens begeleidingsbijeenkomsten. Deze colleges zijn gericht op intervisie, het ondersteunen van het praktijkproces en de voortgang van je studie.

Omdat wij ons onderwijs starten in de laatste week van de zomervakantie (regio Midden), kun je direct meedraaien op je stageschool. Ook bij een start in februari begin je direct met je stage.

Baanvariant

Wij geven de voorkeur aan de stagevariant, omdat leren via een stage iets minder verantwoordelijkheden kent dan wanneer je direct via een aanstelling als docent de gehele verantwoordelijkheid over klassen hebt. In de huidige arbeidsmarkt komt het echter steeds vaker voor dat studenten, met name in de tekortvakken, al werkzaam zijn als docent in het voortgezet onderwijs.  Mits de baan geschikt is, kan deze worden ingezet voor de praktijkuren die je tijdens de opleiding moet maken . Sommige studenten starten in de stagevariant en stappen na stage 1B over naar de baanvariant als dit met de rest van de opleiding gecombineerd kan worden. De student is zelf verantwoordelijk voor het tijdig vinden van een geschikte baan.

Wanneer kun je de baanvariant van deze opleiding doen?

  • Je werkt in het voortgezet onderwijs als docent in het schoolvak waarin je een bevoegdheid wilt halen.
  • Je hebt een collega als begeleider en beoordelaar die daar tijd voor vrijmaakt en affiniteit heeft met begeleiden.
  • Je bent beschikbaar op de momenten dat de lerarenopleiding onderwijs aanbiedt (indien nodig moet je je lesrooster op school kunnen aanpassen).
  • De eisen die aan een baan worden gesteld zijn een minimum van zes lesuren (50 minuten) per week en een maximum aanstelling van 0,5fte.

We hanteren een deadline voor de keuze van de student voor één van de varianten in verband met de hoeveelheid benodigde stageplaatsen. De exacte datum staat in voorwaardelijke toelatingsbeschikking die je krijgt via bureau Mastertoelating.

Professional in Praktijk 1a/b

Het grootste deel van de cursus vindt plaats op de stageschool. Afhankelijk van het traject dat de student volgt doet hij/zij deze individueel of in 2-of 3-tallen in respectievelijk baan- of stagevariant. De student is tenminste 2½ dag per week op school en heeft minimaal 120 schoolcontacturen. De student geeft minimaal 65 lessen zelfstandig in vooral onder- en soms ook bovenbouw (uitgaande van lesuren van 50 minuten).* Op school wordt de student begeleid door een stagebegeleider.
De docent van de cursus bezoekt minimaal één les en bespreekt deze na.
Naast de stagebegeleiding op de school zijn er tweewekelijkse bijeenkomsten (in Utrecht) in een vaste basisgroep, waarin studenten werken aan hun eigen professionele ontwikkeling.
Meer concreet:

  • integreren studenten in deze bijeenkomsten diverse soorten kennis en maken zij een start met het ontwikkelen van een eigen praktijktheorie
  • wisselen zij eigen ervaringen uit en verwerken doelgericht feedback
  • expliciteren zij de eigen vaardigheden van de docent in opleiding en koppelen deze aan Theorie
  • stellen zij leerdoelen op
  • analyseren zij eigen professionele ontwikkeling en wordt er (middels een portfolio) gewerkt aan vastlegging van de ontwikkeling en competenties.

Het is verplicht de cursussen Professional in de praktijk 1, Pedagogiek 1 en Vakdidactiek 1 naast elkaar te volgen. De lessen in Utrecht zijn altijd op maandag.

Als je start met deze cursus in blok 1, begint het onderwijs met een verplichte voltijd startweek in de week van 26 augustus 2019, de laatste week van de schoolvakantie in regio Midden. Bij een start per februari (blok 3) is er een startweek begin februari.

* Gedetailleerde richtlijnen voor de stage zijn vastgelegd in de stagebrochure.

Professional in Prakijk 2

Het grootste deel van de cursus vindt plaats op de stageschool. Deze stage is een individuele eindstage met een duur van 20 weken. Deze praktijkperiode kan ook middels een baan worden gedaan, de student moet dan zelf voor een geschikte baan zorgen. 

Gedurende deze tweede praktijkperiode moeten minimaal 60 lessen (uitgaande van lessen van 50 minuten) in de bovenbouw worden gegeven. De student is tenminste full-time voor de opleiding beschikbaar. Op school wordt de student begeleid door een stagebegeleider.
De docent van de cursus of de docent vakdidactiek bezoekt minimaal één les en bespreekt deze na.
Naast de stagebegeleiding op de school zijn er regelmatig bijeenkomsten (in Utrecht) in een vaste basisgroep. In dit gedeelte reflecteren de studenten op hun docentgedrag, ontwikkelen zij een eigen docentstijl en een eigen praktijktheorie. De in Professional in praktijk 1A/B opgedane integratie van diverse kennisbronnen en kennis over het leren van docenten, gelden als basis voor het ontwikkeling van de praktijktheorie.

Meer concreet:

  • stellen zij leerdoelen op
  • wisselen zij eigen ervaringen uit, geven en verwerken doelgericht feedback
  • ontwikkelen studenten een professionele identiteit
  • krijgen zij inzicht in hun eigen leren en koppelen dat aan het leren van docenten in algemene zin
  • integreren studenten in deze bijeenkomsten diverse soorten kennis en ontwikkelen een eigen praktijktheorie.
  • analyseren zij hun eigen professionele ontwikkeling en werken (middels een portfolio) gewerkt aan vastlegging van de ontwikkeling en competenties.
  • expliciteren zij de eigen vaardigheden van de docent in opleiding en koppelen deze aan Theorie
  • verwerven vaardigheden voor toekomstige leerlingbegeleiding, de student krijgt ervaring en (werk)vormen om leerlingbegeleiding en stimuleren eigen groei van de leerling.

Het is verplicht om naast Professional in de praktijk 2, de cursussen Pedagogiek 2, Vakdidactiek 2 inclusief het Vakdidactisch onderzoek te volgen. De bijeenkomsten in Utrecht zijn altijd op de dinsdag.

Vakdidactiek 1

In het eerste beroepsvoorbereidende semester ligt de focus op de onmiddellijke onderwijssituatie en het ontwerpen en uitvoeren van een goed gestructureerde onderwijseenheid (les of korte lessenreeks). Onderwerpen die aan bod komen zijn: leerdoelen stellen, samenhangende vakspecifieke lessen uitwerken met passende werkvormen en de voortgang van leerlingen volgen, toetsen, analyseren en beoordelen.

Het is verplicht om de cursussen Professional in Praktijk 1A/B, Vakdidactiek 1 en Pedagogiek 1 naast elkaar te volgen.

Vakdidactiek 2

In het tweede beroepsvoorbereidende semester ligt de focus op het leren van de leerling. Een centrale vraag is: wat hebben leerlingen nodig en hoe organiseer ik dat? Naast de onmiddellijke onderwijssituatie is er ook aandacht voor de bredere curriculaire en maatschappelijke context waarin dat leren plaatsvindt. Onderwerpen die aan bod komen zijn bijvoorbeeld het adequaat begeleiden van leerlingen bij het doorlopen van het bovenbouwprogramma op vak- en profielniveau, leerproblemen signaleren en indien nodig met hulp van collega’s oplossingen zoeken en systematisch een vakspecifiek leerprobleem of curriculumprobleem onderzoeken, gericht op verbetering van de praktijk.

Het is verplicht om de cursussen Professional in Praktijk 2, Vakdidactiek 2 en Pedagogiek 2 naast elkaar te volgen.

Pedagogiek 1

In de cursus Pedagogiek 1 ligt de focus op de leraar, de klas en de leerling en dan met name op het creëren van een veilig leerklimaat en het scheppen van voorwaarden voor individuele ontwikkeling.

Pedagogiek 2

In de cursus Pedagogiek 2 wordt de focus uitgebreid naar de school en de samenleving, waarbij vragen rond de rol van de leraar in de school als morele gemeenschap en het invullen van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de leraar aan de orde zijn. 

Een van de keuzecursussen die je in blok 3 of blok 4 gaat kiezen zal moeten passen in de pedagogische leerlijn, zoals bijvoorbeeld burgerschapseducatie, interculturele educatie of leerlingzorg.

Vakdidactisch onderzoek

Het  Vakdidactisch onderzoek in onderdeel van de cursus Vakdidactiek 2. Je werkt aan een leeronderzoek binnen een schoolrelevant thema, waarin delen van het  onderzoek al voor je zijn bepaald, en dat aangeboden wordt door experts op het gebied van dat thema. Andere delen van het onderzoek voer je –onder begeleiding van een docent- zelf uit. Dit mondt uit in een onderzoeksverslag dat beoordeeld zal worden. Je kunt ook werken aan een onderzoeksdossier dat je zelf hebt ingebracht. In overleg stel je vast welke onderdelen van het dossier jij zelf gaat uitvoeren.

Beroepsvoorbereidend: Pedagogische keuzecursussen

Burgerschap en educatie

Alle Nederlandse scholen zijn wettelijk verplicht om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen en docenten van alle schoolvakken hebben daarin een rol. Dat vraagt veel van jouw professionaliteit als docent en de keuzes die je maakt op het gebied van vak-inhoud, didactiek en de manier waarop je omgaat met je leerlingen. Hoe leid je leerlingen bijvoorbeeld naar zelfstandigheid terwijl je ook verwacht dat ze zich aanpassen aan de regels van jou, de klas, de school en de samenleving? Die uitdaging staat centraal in deze keuze-cursus. We verkennen de betekenissen van burgerschap, toegespitst op de relatie met onderwijs, en onderzoeken vanuit verschillende invalshoeken het spanningsveld tussen socialisatie en emancipatie, tussen aanpassing en zelfstandig worden. Kernthema’s zijn: ‘Bildung’, ‘Liberal Education’, canonvorming, democratie, vrijheid van onderwijs, het gezag van de leraar, democratie op school, burgerschap in een informatiesamenleving, religie en radicalisering.
De cursus heeft 9 bijeenkomsten met elk een eigen thema. Ieder thema bereid je voor op basis van (keuze)literatuur. Na de bijeenkomsten werk je het thema burgerschap uit voor je eigen vak en je eigen onderwijs. In de loop van de cursus ontwikkel je zo je eigen perspectief op burgerschap en onderwijs.
Als afsluiting van de cursus schrijf je een integrerend essay.

Pedagogiek en passend onderwijs

De invoering van de wet Passend Onderwijs heeft als doel zoveel mogelijk leerlingen met gedrag- en leerproblemen onderwijs te laten volgen op een reguliere school. Dit betekent in de praktijk dat in de klassen steeds meer leerlingen zitten met autisme, ADHD, externaliserend gedrag, leerproblemen, hoge intelligentie, etc. De cursus richt zich op kennis over deze leerlingen en hoe je als docent met deze leerlingen om kunt gaan. Wat heeft deze specifieke leerling nodig in de school en van docenten? Hoe zorg je dat de leerling een goede werkhouding krijgt voor je vak? Wat is de rol van ouders bij deze leerling?

Onderwerpen die aan bod zullen komen: de leerling met autisme en/of ADHD, de regelovertredende leerling, de leerling met angst en stress klachten, de ongemotiveerde en/of verzuimende leerling, de hoog-intelligente leerling, de leerling met leerproblemen en de gepeste of pestende leerling. Deze onderwerpen worden geplaatst binnen het HandelingsGericht Werken en het beleid van Passend Onderwijs.

NB: Voor deelname aan deze cursus is het noodzakelijk dat je gedurende de cursusperiode toegang hebt tot een vo-klas (als stagiair of docent)!
 

Interpersoonlijk leraarsgedrag

Wat er in de klas gebeurt kan vanuit verschillende oogpunten worden beschreven, bijvoorbeeld:
Welke kennis komt aan bod? Welke leeractiviteiten? Maar ook: wat gebeurt er interpersoonlijk tussen docent en leerlingen? Interpersoonlijke processen in de klas hangen aan de ene kant samen met leeropbrengsten van leerlingen (hoe goed presteren leerlingen, maar ook hoe leuk vinden leerlingen een vak) en aan de andere kant met opbrengsten van docenten. Hoeveel stress ervaren docenten en hoe gemotiveerd zijn zij voor hun berope? Basisbeginsel van het interpersoonlijke perspectief is dat een klas een sociaal systeem is, waarin docent en leerlingen elkaars gedrag wederzijds beïnvloeden en dat al het gedrag dat een docent in de klas vertoont een interpersoonlijke betekenis heeft. Deze betekenis beschrijven we met de mate van invloed van een docent (d.w.z. dominantie of sturing) en de mate van nabijheid (de warmte in het contact met leerlingen).
In dit keuzevak wordt een begrippenkader aangereikt waarmee interpersoonlijke aspecten van lesgeven, zoals relaties met leerlingen en interactie in de klas kunnen worden beschreven.
Studenten leren de wetmatigheden van interpersoonlijke processen kennen en leren hun gedrag als instrument in de klas in te zetten. We leggen uit waarom je wél moet 'lachen voor de kerst'.

NB: Voor deelname aan deze cursus is het noodzakelijk dat je gedurende de cursusperiode toegang hebt tot een vo-klas (als stagiair of docent)!

Maatschappelijke diversiteit en het onderwijs

 

Leerpsychologie

Tijdens deze cursus zal vanuit een leerpsychologisch perspectief een antwoord geformuleerd worden op de centrale vraag: Onder welke omstandigheden leren mensen het beste? Om dit complexe vraagstuk te doorgronden moet je weten hoe mensen eigenlijk leren, hoe je er als docent voor kan zorgen dat leerlingen zo goed mogelijk presteren, maar ook, hoe ze gemotiveerd blijven en zichzelf leren reguleren tijdens het leerproces. Door verschillende, deels zelfgekozen, bronnen te bestuderen, zal niet alleen theoretisch inzicht ontstaan van de (on)mogelijkheden van ons leren, maar komt ook de praktische vertaling naar lesgeven in de klas aan bod.

Talentontwikkeling in de VO-schoolvakken

Onderwijs moet natuurlijk alle leerlingen ondersteunen en uitdagen. Maar in elke klas in het voortgezet onderwijs zitten wel enkele leerlingen die méér kunnen en willen dan het reguliere curriculum hen biedt. Zij laten over een langere tijd excellente prestaties zien, of ze laten die prestaties niet (meer) zien maar als docent merk je op verschillende momenten dat er meer inzit dan eruit komt. Als de leeromgeving hen te weinig uitdaagt, missen ze de kans om zich te blijven ontwikkelen. Zij kunnen zelfs hun interesse in de leerstof en in leren kwijtraken. Juist op deze leerlingen richten we ons in deze cursus. In de cursus komt aan de orde hoe je als vakdocent deze leerlingen kunt herkennen en hoe je hun de uitdaging kunt bieden om excellente prestaties te gaan of blijven leveren, toegelicht met ervaringen en lesmaterialen vanuit verschillende schoolvakken.

Beroepsvoorbereidend: Overige keuzecursussen

Toetsing en beoordeling

Op vele manieren en momenten in het onderwijs wordt er getoetst en beoordeeld, om na te gaan hoeveel leerlingen van het onderwijs hebben opgestoken, om hen feedback en aanwijzingen te geven, om te bepalen welk niveau ze op een bepaald moment hebben bereikt of welk vervolg passend zou zijn, etc.
Voor docenten is het belangrijk om inzicht te hebben in wat er komt kijken bij goede toetsing. Wat en hoe leerlingen leren wordt vooral bepaald door hetgeen wordt beoordeeld of getoetst, maar het maken van goede toetsen is niet eenvoudig. In deze cursus komt een aantal aspecten van toetsing aan bod: diverse vormen van toetsing, hun sterke en zwakke kanten, werkwijzen voor de cyclus van toetsconstructie tot evaluatie achteraf, methoden om de kwaliteit van toetsen te analyseren, het bepalen van zak-slaag grenzen en cijfers, en de onderliggende theorieën. Er wordt bovendien ingegaan op ontwikkelingen in het VO op terrein van toetsing (zoals RTTI) en op de nationale en internationale context (centrale examens, cve, cito, PISA).

Het organiseren van leren. De leraar in de context van schoolorganisatie en onderwijsbeleid.

Als docent maak je deel uit van een grotere context waarin verschillende partijen zich mengen in discussies over onderwijs, zoals ouders, collega’s, directie en de maatschappij. Deze partijen hebben vaak verschillende perspectieven op hoe onderwijs het best georganiseerd en verbeterd zou kunnen worden. Recent onderzoek toont aan dat onderwijsverbetering een complex proces is, waarbij schoolorganisatie, schoolcultuur, en leiderschap een belangrijke rol spelen.

In de cursus “Het organiseren van leren” ontwikkel je inzicht in verschillende perspectieven op onderwijs en de manieren waarop scholen georganiseerd en aangestuurd worden. Ook leer je meer over hoe onderwijsbeleid tot stand komt, over de rol van onderwijsadviseurs bij onderwijsverbetering, de maatschappelijke functie van onderwijs, en de rol van (aankomend) onderwijsprofessionals in deze context.

ICT in education

After an introduction of theory about ICT in education (TPACK, learning principles) various themes of ICT will be studied, tested and discussed. The use of ICT at school and in the own teaching context is the base, which will be linked to backgrounds, research, discussions and experiences. First, the own teaching and school practice regarding ICT will be analyzed. Suggestions to improve the use of ICT will be done. Then students will work in small groups to write a well-founded, but also specific design for an ICT application in education. The question is always: how can ICT be used in secondary education to strengthen (and transform) the (subject) pedagogics.
Each seminar will focus on a particular theme on the use of ICT and thus offers the theoretical framework for the (subject) pedagogical and learning psychological underpinnings of the design. Also the justification of technological and practical aspects will be addressed during the seminars by offering different applications to test. Draft designs are evaluated by peer feedback. During the last meeting, the final ICT designs are presented and discussed. The entire course is designed according to principles of blended learning.

 
 

Data in de school

Binnen een school worden doorgaans veel data verzameld over leerlingen. Sterker nog, als docent verzamel je ook veel gegevens over je leerlingen; denk bijvoorbeeld maar aan toetsresultaten, leerlingvolgtoetsen, absentielijsten en misschien houd je wel huiswerkcontroles. In de praktijk worden die gegevens vaak nog niet optimaal benut om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en/of om het onderwijs goed af te stemmen op een specifieke groep leerlingen.
In de keuzecursus “Data in de school” ga je aan de slag met data van jouw leerlingen en leer je hoe je die kunt analyseren om tot verbeteracties te komen. Je zult hiertoe een aantal basistechnieken voor data-analyse leren/opfrissen, die nodig zijn voor datagestuurd werken. Daarnaast kijken we naar gegevens die op landelijk niveau beschikbaar zijn en hoe jouw (casus)school omgaat met het beoordelingskader van de onderwijsinspectie..

CKV-didactiek

In deze keuzecursus staat de didactiek van het schoolvak Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV) centraal. Het doel is om kennis en inzichten te verwerven die je helpen verantwoorde en authentieke keuzes te maken in onderwijzen van het vak CKV.  Als CKV docent heb je namelijk een belangrijke taak: het is aan jou leerlingen te motiveren en enthousiasmeren en hen te begeleiden in het vormen van een nieuwsgierige attitude wat betreft het ervaren en waarderen van culturele en kunstzinnige uitingen. In deze cursus onderzoeken we wat het vak (in praktijk en theorie) inhoudt, waarom er een nieuw examenprogramma ingevoerd is, wat het van je vraagt om een goede CKV docent te zijn en welke rol ICT hierbij speelt.

Duurzaamheidseducatie

Eén van de grootste uitdagingen van deze eeuw is een transitie naar een duurzame wereld. Dit vereist grote inspanning op wetenschappelijk, technologisch en politiek gebied en publieke steun en begrip zijn daarbij noodzakelijk. Onderwijs als motor voor verandering krijgt daarin een belangrijke rol toebedeeld. Daarom heeft UNESCO de periode 2005-2014 uitgeroepen tot ‘Decade of Education for Sustainable Development’. In deze cursus gaan we in op de grote uitdagingen in duurzaamheidseducatie en hoe deze zich verhouden tot onze eigen praktijk in onderwijs en educatie. Het doel hiervan is om uiteindelijk vanuit bestaande kennis en inzichten verantwoorde eigen keuzes te kunnen maken in onderwijs, educatie en communicatie.

Erfgoededucatie

De cursus “Erfgoededucatie” biedt een introductie op het fenomeen erfgoed, en op de omgang met materieel en immaterieel erfgoed in samenleving en onderwijs. Aan bod komen de plaats van erfgoed in de samenleving, de omgang met erfgoed door de overheid, de infrastructuur ervan, alsook de vormgeving van formele en informele erfgoededucatie in de klas en in situ: in musea, monumenten, historische binnensteden, landschappen, etcetera. Tijdens de cursus creëren studenten als aankomend docenten hun eigen visie op erfgoed en erfgoededucatie. Hoe kan ik dat op een zinvolle wijze in mijn schoolvak - en in connecties met andere vakken –vormgeven? Deze cursus staat open voor alle studenten aan de lerarenopleidingen die interesse hebben in erfgoed en willen verkennen wat zij er in hun lespraktijk mee zouden kunnen doen.

Vakoverstijgende bètadidactiek

De cursus “Vakoverstijgende bètadidactiek” biedt inzicht in het belang, de mogelijkheden en de moeilijkheden van vakoverstijgende bètadidactiek . Centraal staan vakoverstijgende denk- en werkwijzen welke momenteel nationaal en internationaal veel aandacht krijgen. Deelnemers ontwikkelen vaardigheden om hier in de onderwijspraktijk mee om te gaan, door bestaand en eigen onderwijs kritisch te analyseren. Tevens ontwikkelen zij een visie op wenselijke veranderingen in de uitvoering van het schoolcurriculum voor het eigen vak.

N.B. Alleen voor studenten die tenminste 1 blok stage-ervaring hebben (begonnen met Masterstage 1 of tweedegraads bevoegdheid via educatieve minor of hbo).

Lezen en schrijven: onderwijs en toetsing

Deze cursus is alleen bestemd voor studenten die een Educatieve Master in een taal doen.

In het voortgezet onderwijs wordt lezen vaak opgevat als het maken van een tekst met vragen, terwijl schrijven vaak wordt geleerd door het maar te oefenen. Beide varianten zijn wel erg minimalistisch. Recent onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat observeren van schrijvers veel grotere leereffecten heeft dan leren door doen.

In deze cursus bekijken we eerst wat de noties lees- en schrijfvaardigheid inhouden en wat het belang is van taal bij de toetsing in andere schoolvakken. Vervolgens bestuderen we literatuur waarin de effectiviteit van verschillende lees- en schrijfdidactieken is getest en kijken we naar problemen die zich voordoen bij verschillende manieren om schrijfvaardigheid te beoordelen.

Tot slot kijken we hoe we kunnen komen tot evidence-based adviezen voor de onderwijspraktijk. Via studentpresentaties komt een variëteit aan didactieken en toetsvormen op het gebied van lezen en schrijven aan bod. De verworven inzichten worden vervolgens toegepast tijdens de evaluatie en bijstelling van een lessenserie.

Taalbeleid in onderwijs en maatschappij

Bijna alle leren op school verloopt via taal; daarom is taalbewustzijn en taalvaardigheid een voorwaarde voor schoolsucces. Docenten van alle vakken spelen een belangrijke rol bij de schooltaal- en vaktaalontwikkeling van leerlingen.
In de cursus Taalbeleid leer je vakonderwijs te versterken door een effectieve focus op taal (taalgericht vakonderwijs) en hoe je dat op school en in de maatschappij vakoverstijgend kunt aanpakken (taalbeleid). We richten ons zowel op de ondersteuning van taalzwakke en anderstalige leerlingen als op academische taalontwikkeling in de bovenbouw van havo/vwo. De cursus is nadrukkelijk gericht op docenten in opleiding in zowel exacte vakken, maatschappijvakken als talen, en opstudenten van het GW masterprogramma Taalverwerving en Meertaligheid.

In de cursus zullen de volgende thema’s aan de orde komen:

  • Taalbeleid; ontwikkelingen in de maatschappij en het onderwijs
  • De taal van het leren en de taal van de vakken,
  • Taalgericht vakonderwijs: context, taalsteun, interactie,
  • Taalbeleid: afstemming binnen de school: rollen van vak- en taaldocenten,
  • Taalbeleid en tweetalig onderwijs: content and language integrated learning
  • Academische en vakspecifieke woordenschatontwikkeling, woordleerstrategieën,
  • Interactie in de klas; effectieve leerdialogen,
  • Leesvaardigheid als vakgerichte studievaardigheid
  • Schrijven om te leren in de vakken,
  • Feedback op taal en inhoud

Voor studenten MTV is er een aanvullend thema Taalbeleid in Friesland. In dit thema zal de tweetalige Friese situatie in maatschappij en onderwijs worden belicht en geanalyseerd. Ook zullen parallellen getrokken worden met taalbeleid in andere meertalige regio's in Europa.
Studenten MTV maken over dit thema een aanvullende opdracht.

Cursusmateriaal:

  • Hajer, M., & Meestringa, T. (2015). Handboek taalgericht vakonderwijs.  Bussum, Coutinho.
  • Aanvullende onderzoeksliteratuur (wordt online beschikbaar gesteld)
  • Voorbeelden van lesmateriaal en videofragmenten, o.a. via www.taalgerichtvakonderwijs.nlwww.leoned.nl
  • Aanbevolen voor studenten MTV: Spolsky, B (2009), Language Management,  Cambridge University Press