Self-control debate in San Diego

Denise de Ridder, Utrecht University (March 29th, 2016)

At a preconference on self-control research prior to the annual convention of the Society for Personality and Social Psychology in San Diego in January 2016 self-control guru Roy Baumeister was challenged by outsider Greg Walton from Stanford in a debate on self-control. The idea of a debate on pressing issues in self-control research is timely and organizers Marina Milyavskaya and Elliot Berkman should be applauded for their initiative as there is so much controversy about the nature of self-control these days. An exchange of opposing views could help to provide a bit more clarity. However, the focus of the debate was somewhat indefinite. Walton – who has co-published with Veronika Job from Zürich University on self-control beliefs – started with explaining the relevance of naïve lay conceptions about self-control for understanding when and how individuals are capable of self-control but was missing the point in presenting self-control beliefs as an alternative for current self-control theories. As Baumeister explained, research on self-control beliefs is a valuable addition to the literature but not at all at odds with mainstream research on self-control. If there is controversy in self-control research, it is about the nature and the existence of the ego-depletion phenomenon. Whereas Baumeister and other scholars claim that self-control relies on a scarce resource, other researchers posit that self-control depends on attentional and motivational processes that may guide the decision to exert effort in prioritizing long-term goals rather than indulge in immediate gratification. A debate on self-control in view of these competing models about ego-depletion would have been very useful to learn more about whether the two approaches are really incompatible or share more similarities than both parties would like to admit. Maybe the whole debate on the exact nature of ego-depletion and its underlying mechanisms will be overruled by new evidence on whether ego-depletion exists at all. During the convention Martin Hagger presented the results of a replication study on ego-depletion on behalf of a large number of researchers  who ran the same study in psychology labs all over the world. In view of the remarkable findings that featured considerable absence of evidence in favor of the depletion phenomenon, Hagger’s presentation was largely ignored as it was attended by only a handful of researchers (mostly from European origine). Much more research is needed to determine whether or not ego-depletion exists and under which conditions it can be observed. For now, we can safely conclude that self-control research is in dire need of alternatives to the way ego-depletion is assessed to make significant steps forward in understanding how self-control operates. As psychologists, we should invest in developing ecologically valid paradigms that allow for studying ego-depletion outside the lab, and that take account of the real self-control dilemmas people experience when they are confronted with a choice between long-terms goals they care for and immediate gratifications they long for. Let’s hope for more debate on self-control whenever there is an opportunity to exchange views on one of the most important human qualities.

-----

Brussels by Night

Denise de Ridder, Utrecht University (December 24th, 2015)

On a dark night in November I arrived in Brussels to attend the launch of a book on nudges and  the law. While Brussels street life still was a bit gloomy only shortly after the state of emergency that was announced by the Belgian government in response to the Paris attacks and filled with heavily armed security people, St Louis university where the event took place was quiet by comparison. About sixty people, both academics and policy makers, had come to learn more about nudging and the law from a European perspective. Maybe they had also travelled to Brussels to meet with Ben Smulders, Chief of Staff of Vice-President of the European Commission Frans Timmermans, and Despina Spanou, Director for Consumer Affairs at DG Justice of the European Commission, who had been invited to comment on the book. I myself was curious to learn more about the EC’s ideas for implementing nudges, a concept that was originally designed in the US as an alternative for legislation and regulation, in EU policy making. Nudging in Europe is, in spite its growing popularity, still in its infancy. This was also acknowledged by book editors Anne-Lise Sibony, professor of European Law at the University of Louvain-la-Neuve in Belgium, and Alberto Alemanno, professor of European Law and Risk Regulation at HEC Paris and Global Clinical professor at New York University School of Law. Sibony and Alemanno emphasized the unique contribution of nudges to European policy making. While for American policy makers nudging may be the only option for government interfering in sensitive issues because many Americans seem to be preoccupied with freedom of choice, in  the European context nudges shouldn’t be regarded as an alternative to (absence of) regulation but as an integral part of regulation. This is simply because many Europeans do accept that sometimes government takes a paternalistic stance and is involved in protecting citizens from making silly decisions such as not wanting to invest in health insurance or pensions. Nudges allow for wide-scale experimentation in Europe, Smulders agreed with Sibony and Allemano, and should be part of the standard policy toolbox of any European country. However, he added, such experiments should not be guided by Brussels but initiated by national governments. Interestingly, Smulders also emphasized that it is psychological science rather than behavioral economics that lies at the heart of designing good choice architecture – a wise lesson for European psychologists who are not very involved in the European nudging debate right now. And to those of you who have been wondering whether we should continue to use the sexy but unscientific term of nudges instead of choice architecture: it was revealed that the term nudges was not the idea of Thaler and Sunstein who wrote the original bestseller on nudges in 2008 (almost a million copies sold worldwide), but rather their publisher’s. Indeed, once again social science seems to be one step behind on marketing people. 

Nudge and the Law. A European perspective is published by Hart Publishing (Oxford, 2015).

-----

Denise in NRC column # 9, October 10, 2017

Door de vegetarische slager te corrigeren, leidt de NVWA ons af van het echte probleem: de vleesconsumptie moet omlaag. Dat schrijft Denise de Ridder deze week in de Gedragscolumn.

Vlees vinden we lekker, dus prijs vega aan als ‘vlees’

(Lees het NRC artikel)

Afgelopen week tikte de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) de Vegetarische Slager op de vingers. De slager die geen vlees verkoopt zou de consument misleiden door haar vegetarische producten aan te prijzen met termen als ‘vegetarische kipstuckjes’, ‘gerookte speckjes’ en ‘gehackt’. In het algemeen gesproken zit ik als consument niet te wachten op quasi-nostalgische aanduidingen met ‘ck’ op de verpakking, maar in het geval van de kipstuckjes kan ik daarmee leven omdat deze vleesvervanger een van de weinige lekkere vegetarische producten is, die zeg maar bijna net als echt vlees smaakt. Na de commotie rondom de recente actie van de NVWA, begreep ik dat de ‘ck’ het antwoord was van de Vegetarische Slager op aantijgingen van een paar jaar geleden dat de consument in de war zou raken van de naam ‘vegetarisch vlees’; de opzettelijke spelfout zou de consument attenderen op het vleesloze karakter van het vegetarisch product. Ik mag die kwinkslag juist wel en ik kan me niet goed voorstellen dat consumenten werkelijk zou denken dat ‘vegetarische kipstuckjes’ ook echt kip bevatten.

Het echte probleem wordt genegeerd door NVWA
Het kan natuurlijk zijn dat sommige mensen de grap in deze contradictio in terminis niet appreciëren, maar dan nog doet de bezorgdheid van de NVWA om de arme onwetende consument wat benepen aan en gaat ze in haar scherpslijperige redenering voorbij aan het echte probleem – namelijk dat de vleesconsumptie drastisch omlaag moet om ons dieet gezonder, veiliger en duurzamer te maken. De grote vraag is alleen hoe je consumenten kunt bewegen om minder vlees te eten, want mensen zijn dol op vlees. Niet alleen verstokte vleeseters vinden vlees lekker, maar ook flexitariërs houden van vlees. Zelfs principiële vegetariërs die het immoreel vinden om dieren te slachten voor consumptie hebben een liking voor vlees ondanks de weerzin die het bij hen oproept, zo vond de Amerikaanse psycholoog Paul Rozin in een studie die hij publiceerde in het tijdschrift Psychological Science in 1997.

Het vlees is bij de meeste mensen zwak
Niet iedereen kan zich de morele superioriteit van de overtuigde vegetariër veroorloven om zijn lust voor vlees te overwinnen. Bij de meeste mensen is het vlees zwak; zij vinden vlees gewoon natuurlijk, normaal, nodig en lekker, zelfs als ze verstandige redenen kunnen bedenken om minder vlees te eten. Die grote groep doe je een plezier door hen vegetarische producten voor te schotelen die zoveel mogelijk op vlees lijken.

De Vegetarische Slager heeft dat goed begrepen tot ergernis van de vleeslobby die de vega-slager van hypocrisie beschuldigt en stelt dat ze meelift op de populariteit van vlees onder consumenten terwijl ze vlees verguizen. Maar dat is precies het punt. De marketing van de Vegetarische Slager speelt perfect in op het verlangen van consumenten naar vlees door haar producten zoveel mogelijk te laten lijken op vlees. Als je wil dat mensen minder vlees eten moet je ze een alternatief bieden dat de smaak en de uitstraling heeft van vlees. Wat je vooral niet moet doen is proberen  consumenten over te halen om goed bedoelde buitenissige vega-producten te kopen als zeewierburgers of krekelburgers omdat het eten van zeewier of insecten (op zich goede vleesvervangers) op grote weerzin stuit, afgezien van die enkele grootstedelijke hipster die het leuk vindt om deze burgers uit te proberen. Vegetarische kipstuckjes met ck mogen wat mij betreft gewoon blijven.

Denise de Ridder is hoogleraar psychologie aan de Universiteit Utrecht en doet onderzoek in het SelfRegulationLab. De gedragscolumn verschijnt wekelijks en wordt geschreven door sociale wetenschappers.

-----

Denise in NRC column # 8, April 26, 2017

Neem menselijk tekort serieus als burger zelfredzaam moet worden

(Lees het NRC artikel)

“Overheid heeft geen realistisch beeld van burger” kopte de NOS app gisterenmiddag en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Mark Bovens haalde er het 8 uur journaal mee. De WRR laat van zich horen met haar rapport Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid dat gisteren werd aangeboden aan staatssecretaris Klaas Dijkhoff van Veiligheid en Justitie.

In dat rapport adviseert de WRR de overheid om wat meer rekening te houden met het doenvermogen van burgers en beleid niet uitsluitend te baseren op hun denkvermogen. Het rapport laat met allerlei voorbeelden overtuigend zien dat het vermogen van mensen om goede keuzes te maken niet alleen afhankelijk is van goed kunnen nadenken over de vele opties op het gebied van werk, gezondheid en financiën, maar ook en vooral van het vermogen om actie te ondernemen, plannen te maken en verleidingen te weerstaan – kortom om je eigen gedrag in goede banen te leiden.

Rationeel handelen

Met een handzame samenvatting van psychologisch onderzoek naar doenvermogen in de afgelopen tien jaar laat de WRR zien dat burgers in de problemen komen als beleid ervan uitgaat dat mensen onder alle omstandigheden rationeel handelen. Dat geldt niet alleen voor kwetsbare groepen als mensen met weinig geld of opleiding of mensen die onverwacht te maken krijgen met allerlei tegenslag, maar eigenlijk voor iedereen die even geen zin om de post van de belastingdienst open te maken, zich aan de snelheidsbeperkingen te houden of bij te houden hoeveel stappen hij vandaag heeft gezet om gezonder te leven.

Deze inzichten zijn al jaren gemeengoed onder gedragsexperts maar die zijn er tot dusver niet in geslaagd om deze kennis goed op de agenda te krijgen van beleidsmakers en politici. Goed dus dat de WRR hier prominent aandacht voor vraagt.

Soft paternalisme

De WRR signaleert verder terecht dat er vooralsnog weinig aanwijzingen zijn dat het individuele doenvermogen gemakkelijk verbeterd kan worden. Zij adviseert om die reden om te investeren in keuze-architectuur, een vorm van soft paternalisme waarin de overheid de burger niet in zijn eentje laat aanmodderen met al die lastige beslissingen maar een helpende hand toesteekt in de vorm van beleid dat is toegesneden is op het menselijk tekort.

Het is verheugend dat het rapport goed werd ontvangen bij het gezelschap van beleidsmakers, ambtenaren en wetenschappers (onder wie ikzelf) dat bij de presentatie aanwezig was. Zo ook bij onze slimme staatssecretaris die op persoonlijke titel onthulde dat hij gecharmeerd was van het gedachtengoed dat het rapport uitdraagt en en passant bekende dat hij als enige van het kabinet de dikke pil Thinking Fast and Slow van Daniel Kahneman wel twee keer had gelezen. Dat gaat de goede kant op, want de meeste wetenschappers die ik ken halen met moeite een keer.

De WRR hamert er op dat de overheid er niet alleen op moet letten dat burgers wetten kennen maar ook moeten ‘kunnen’ en dat maatregelen zo geformuleerd moeten worden mensen in staat zijn om ze na te leven, ook als zij een beperkt doenvermogen hebben. Zo’n pleidooi zou tien jaar geleden nog als ongewenste betutteling zijn weggezet, maar inmiddels lijkt voor alle partijen duidelijk dat de participatiemaatschappij alleen kan functioneren bij een serieuze vorm van steun om burgers zelf verantwoordelijkheid te laten dragen voor hun welzijn.

-----

Denise in NRC column # 7, March 22, 2017

Ook mensen in armoede houden zich bezig met zelfontplooiing

(Read NRC article)

Is de kloof tussen ‘volk’ en ‘elite’ te verklaren uit de mate waarin hun basisbehoeften zijn vervuld? In de gedragscolumn legt Denise de Ridder uit waarom die theorie wel aantrekkelijk is, maar ook bewezen onwaar.

Na de uitslag van de Tweede Kamer verkiezingen waarbij het aantal stemmen dat de populisten wisten te trekken nog enigszins meeviel, is er bij veel mensen een zekere opluchting dat de kloof die gaapt tussen het volk en de elite wellicht ietsje kleiner is dan verondersteld. Toch blijven de zorgen aanhouden en breekt menigeen zich het hoofd over de vraag waarom een significant deel van de Nederlandse bevolking zich zo slecht gehoord voelt door het zogeheten weldenkende deel van de natie. Een paar weken geleden kwam neurowetenschapper Victor Lamme met een verrassende verklaring waarvoor hij een beroep deed op het gedachtengoed van humanistisch psycholoog Abraham Maslow (1908-1970).

Basisnoden

Maslow heeft furore gemaakt met zijn piramide van behoeften waarin hij verschillende soorten noden onderscheidt die bepalen waar mensen warm voor lopen: aan de basis staan lichamelijke behoeften zoals eten, slapen en onderdak en aan de top ontplooiing en persoonlijke groei. Tussen deze twee uitersten wordt iemands gedrag bepaald door de behoefte aan veiligheid en zekerheid, deel uitmaken van een sociale gemeenschap, en waardering voor je prestaties.

Maslow’s model veronderstelt een hiërarchie. Net als bij een computerspelletje kun je pas door naar het volgende niveau als de behoeften van het daaronder liggende niveau vervuld zijn. Als de basisnoden om in leven te blijven onder druk staan, is iemand volgens Maslow dus gedoemd om op het basale niveau te blijven functioneren en komt hij niet toe aan de hogere behoeften. Bertolt Brecht zei het al: ‘Erst das Fressen und dann die Moral’.

Gesappel

Lamme haalt het oude model van Maslow uit de kast om uit te leggen waarom de elite zich zo weinig gelegen laat liggen aan de noden van de bevolking: zij zijn lekker bezig in de top van de piramide met zichzelf te manifesteren zonder zich te bekommeren om het gesappel van het volk dat is blijven steken op niveau 1 en niet de kans krijgt om zichzelf te ontplooien. De piramide van Maslow heeft voor veel mensen een intuïtieve aantrekkingskracht en is populair in curieuze trainingen waarin mensen op zoek moeten naar zichzelf om beter te kunnen presteren – maar in wetenschappelijke kringen omstreden.

Belangrijkste kritiekpunt is dat er geen enkel bewijs is voor de veronderstelde hiërarchie. In een recente studie onder meer dan 60.000 mensen vonden de Amerikaanse psychologen Diener en Tay geen aanwijzingen dat eerst basisbehoeften vervuld moeten zijn voor iemand door kan naar het volgende niveau.

Ook mensen die in armoede leven zijn – extreme situaties daargelaten – niet alleen begaan met het lenigen van hun primaire noden maar kunnen tegelijkertijd bezig zijn met hogere behoeften als compassie, gemeenschapszin, goede prestaties en ja, zelfs zelfontplooiing. Ook vonden de onderzoekers geen ondersteuning voor het idee dat je vanzelf door gaat naar het volgende niveau als voldaan is aan de basisbehoeften. Jammer genoeg wordt niet iedereen die te eten heeft en een dak boven zijn hoofd vanzelf een mens die zich bekommert om anderen, verantwoordelijkheid neemt of zichzelf ontwikkelt.

Ongenoegen

Dat zien we ook terug in Nederland. In de afgelopen tientallen jaren is de welvaart gestegen, maar het ongenoegen lijkt navenant toegenomen te zijn. Wie de kloof wil verklaren moet dus met iets beters komen dan de behoeftenpiramide. Maslow schijnt zich aan het einde van zijn leven te hebben afgevraagd hoe het toch komt dat zo weinig mensen ontplooiing nastreven als eenmaal hun basale behoeften bevredigd zijn. Helaas is hij gestorven voor hij het antwoord wist.

-----

Denise in NRC column # 6, March 6, 2017

This is the sixth column of the ‘Gedragscolumn’ series in NRC, in which Denise voices her opinion on the basic income and the duty to seek work. Read it below (or here).

Alleen volwaardige burgers solliciteren uit zichzelf

De sollicitatieplicht schrappen, zoals bij het basisinkomen-experiment in Utrecht, is waarschijnlijk niet voldoende om jarenlange apathie te doorbreken. Dat kan alleen door mensen het gevoel te geven dat ze erbij horen, schrijft Denise de Ridder in de Gedragscolumn.

Terneuzen, ooit een leuk stadje aan de Schelde waar ik mijn jeugdjaren doorbracht maar inmiddels ten prooi gevallen aan grauwe stadsvernieuwing en lege winkelstraten (maar wel met het laagste percentage werklozen van Nederland), leek even de primeur te hebben met een experiment om een basisinkomen te introduceren voor twintig langdurig werklozen. Staatssecretaris Jetta Klijnsma stak er een stokje voor en nu gaat Utrecht (waar ik nu woon) met de eer strijken.

Wethouder Victor Everhardt heeft in samenwerking met een groep economen van de Universiteit Utrecht een vergelijkbare proef aangekondigd die juridisch wel door de beugel kan. Utrecht deelt geen basisinkomen uit maar ontslaat werklozen van de plicht om te solliciteren en loopt zo beter in de pas met de Participatiewet die niet toestaat dat mensen geld krijgen zonder daarvoor iets terug te doen. De verwachtingen over de effecten zijn torenhoog: niet alleen zal een zogeheten regelarme bijstand ervoor zorgen dat werklozen sneller de weg naar de arbeidsmarkt terugvinden. Maar ook dat ze minder schulden hebben en actiever worden, ja zelfs dat ze een gezonder en gelukkiger leven krijgen, zo meldt de wethouder in een interview met NRC.

Een euro corrumpeert

De gedachte achter een gelukkig leven met een uitkering zonder reïntegratieverplichtingen is even simpel als sympathiek. Als mensen zich niet druk hoeven te maken over solliciteren hebben ze minder zorgen en kunnen ze zich beter ontplooien. Dat idee doet denken aan de psychologische literatuur over intrinsieke en extrinsieke motivatie, populair onder ouders, leraren, sportcoaches en werkgevers – en nu dus ook bij sommige bestuurders. Zo weten veel ouders dat het belonen van goede prestaties de intrinsieke motivatie corrumpeert en dat je dus geen euro aan je kind moet geven als hij een keer scoort met voetbal. En werkgevers weten (of zouden moeten weten) dat een bonus voor een werknemer die een opdracht heeft binnengehaald de lol verpest die mensen ervaren als ze helemaal uit zichzelf een goede prestatie leveren. Om dezelfde reden zou je ook niet met een verplichting moeten afdwingen dat mensen solliciteren als ze dat niet uit zichzelf al doen. Ook dat is funest voor de intrinsieke motivatie.

Apathie doorbreken

Het Utrechtse experiment gaat ervan uit dat het weghalen van de sollicitatieplicht ertoe bijdraagt dat mensen die zonder werk thuis zitten uit eigen beweging een baan gaan zoeken en daar ook meer plezier aan beleven. Langdurige werkloosheid is een enorme aanslag op iemands levensgeluk en alleen al om die reden zijn experimenten als die in Utrecht de moeite waard. Maar de vraag is natuurlijk of het echt zo eenvoudig werkt. Mogelijk neemt hun extrinsieke motivatie om te solliciteren af en hebben mensen minder stress, maar dat is waarschijnlijk niet voldoende om de apathie van jarenlang gedwongen niets doen te doorbreken.

Echt meedoen op basis van intrinsieke motivatie kun je niet bewerkstelligen door een plicht te schrappen. Dat kan alleen door mensen het gevoel te geven dat ze ertoe doen, iets kunnen en erbij horen. Dat hadden ze in Terneuzen beter begrepen. Een basisinkomen geeft een duidelijk signaal dat iemand als volwaardig burger meetelt. En misschien is het dan niet eens zo’n gek idee om een kleine tegenprestatie voor zo’n basisinkomen te vragen – is het geen sollicitatieplicht dan wel een andere bijdrage die ervoor zorgt dat je weer mee kunt doen. Want een beetje extrinsieke motivatie is nog altijd beter dan helemaal geen motivatie.

-----

Denise in NRC column # 5, January 24, 2017

(Read NRC article)

Je bent jong, lakt je nagels en studeert wat

Een paar weken geleden gooide de rector van mijn eigen universiteit de knuppel in het hoenderhok door zich in het openbaar af te vragen of universitair onderwijs wel voor iedereen die dat ambieert toegankelijk moet zijn. Aan journalisten van NRC Next en De Morgen lichtte Bert van der Zwaan de centrale stelling toe van zijn net verschenen boek Haalt de universiteit 2040?: als de overheid minder investeert in het hoger onderwijs en er geen hogere collegegelden komen, is er simpelweg te weinig geld om de vele studenten die de universiteit nu bevolken een goede opleiding te geven en moet er dus wel geselecteerd worden. Op die redenering valt weinig af te dingen – anders dan een fors pleidooi voor een grotere investering in het hoger onderwijs.

Geen talent, ambitie of discipline

Maar Van der Zwaan vroeg zich ook af of iedereen die nu studeert wel echt thuishoort op de universiteit en bracht het hete hangijzer van selectie aan de poort te sprake. Dat is een gedachte die bij meer universitaire medewerkers leeft, maar niet vaak hardop naar buiten wordt gebracht. Een aantal studenten – in de Utrechtse context enkele duizenden van de huidige 30.000, schat Van der Zwaan – mist het talent, de ambitie en de discipline voor een universitaire opleiding.

Voor zover het gaat om talent weet ik niet of het zinvol is om al in een vroeg stadium te selecteren. Goede criteria om academisch talent bij 18-jarigen op te sporen zijn schaars. Anders dan bij het conservatorium kunnen we studenten nu eenmaal niet een stukje laten voorspelen om te kijken of ze het in zich hebben. Als het gaat om selectie op ambitie en discipline kan ik me wel vinden in de redenering van de Utrechtse rector. Net als veel van mijn collega’s word ik met enige regelmaat geconfronteerd met studenten die je glazig aankijken als je ze vraagt wat ze vinden van de literatuur die ze moesten bestuderen, die zitten te Facebooken terwijl je je best doet een belangrijke theorie uit te leggen, of – dieptepunt – hun nagels zitten te lakken tijdens college.

Afrekenen op afwachtend, schools gedrag

Het lastige van selectie aan de poort is echter dat het om grotere aantallen gaat dan de geschatte 10% die zich niet gedragen naar het profiel van de ideale student en die de academische normen van hard en gemotiveerd studeren aan hun laars lappen –  naast de ijverige, creatieve en scherpzinnige studenten die er toch heus ook in grote getale zijn.

Misschien moeten we dan ook niet zozeer vooraf willen selecteren op ambitie en discipline, maar het studenten bijbrengen tijdens hun studie. We zouden kunnen beginnen met de studie wat minder vrijblijvend te maken en studenten afrekenen op hun afwachtende en schoolse studiegedrag. Wellicht horen er minder studenten thuis op de universiteit dan het grote aantal dat we nu jaarlijks verwelkomen.

Maar een topuniversiteit die vooral gericht is op wetenschappelijke bollebozen is het andere uiterste. De samenleving heeft behoefte aan slimme en doortastende mensen met een academische houding die in staat zijn goed na te denken over de complexe problemen van de moderne maatschappij als ze na hun afstuderen buiten de universiteit aan het werk zijn. Het wetenschappelijk toptalent waar de universiteiten naar op zoek zijn komt vanzelf wel bovendrijven. Voor de grote meerderheid geldt dat de universiteit hen moet aanleren om zich academisch te gedragen.

-----

Denise in NRC column # 4, December 13, 2016

Tegenstanders van vaccinatie zijn immuun voor voorlichting

(Read NRC article)

Over weinig zaken bestaat zoveel zekerheid in de medische wetenschap als over het nut van vaccinaties: ze sparen levens en hebben nauwelijks bijeffecten. Tot niet zo lang geleden was dit ook een geaccepteerd feit bij het grote publiek, met uitzondering van een groep strenge gelovigen die menen dat ziekte en gezondheid aan god moeten worden overgelaten. Dat veranderde toen in 1998 de Lancet een artikel van de arts Andrew Wakefield publiceerde waarin hij een verband suggereerde tussen vaccinatie en autisme. Sinds die tijd zijn er allerlei anti-vaxgroepen actief en wordt op sociale media volop gespeculeerd over de kwade kanten van vaccinaties. Wakefield’s onderzoek bleek op drijfzand te berusten en de man verloor zijn medische bevoegdheid wegens fraude. Maar dat heeft speculaties over de vermeende onveiligheid van vaccins niet doen afnemen. Integendeel.

Verdwaalde zielen bijspijkeren

Sommige ouders geloven zelfs dat hun kinderen geen risico lopen als het gaat om de ziektes die we proberen te bestrijden met vaccinaties of dat die ziektes niet ernstig zijn. In Nederland maakten we voor het eerst kennis met felle tegenstanders tijdens de invoering van vaccinatie tegen het HPV virus in 2010. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, verantwoordelijk voor vaccinatieprogramma’s, is zich een hoedje geschrokken van de negatieve reacties en heeft er lang over gedaan om met een antwoord te komen. Maar nu pakken ze groot uit en investeren in een voorlichtingscampagne van 2 miljoen om verdwaalde zielen bij te spijkeren over het nut van vaccinatie.

Als het de bedoeling was van het RIVM om discussie op te roepen, is de campagne nu al geslaagd. Bij Jeroen Pauw mochten drie moeders die niet op hun mondje gevallen waren hun gal spuwen over vaccinatie. Elk voorzichtige tegenwerping van de bedeesde arts aan tafel werd terzijde geschoven als flauwekul en was olie op het vuur van hun complotdenken. Het gehele optreden was een fraaie demonstratie van het treurige feit dat educatie niet helpt als mensen heilig overtuigd zijn van het tegendeel en argumenteren al helemaal niet. Tegenstanders van vaccineren om de oren slaan met wetenschappelijke feiten voedt juist hun wantrouwen.

Respect tonen voor waarden

De Amerikaanse jurist Dan Kahan, verbonden aan Yale, liet in 2012 zien dat als het gaat om meningen die de uitdrukking zijn van sterk gevoelde persoonlijke waarden – of het nu gaat om vaccinatie of, in zijn onderzoek, klimaatverandering – discussie niet alleen onzinnig is maar juist averechts werkt. Goedbedoelde pogingen om mensen beter te informeren gaan uit van het idee dat tegenstanders niet snappen waar het om gaat. Maar die veronderstelling klopt niet. Mensen – vreemd genoeg, vooral als ze jong en hoog opgeleid zijn – redeneren niet op basis van rationele argumenten als het gaat om zaken die hen aan het hart gaan.

In het geval van vaccinatie lijkt de scepsis over wetenschappelijke feiten gevoed te worden door een gevaarlijk neo-romantisch verlangen naar ‘natuurlijk’ en ‘authentiek’ gecombineerd met een afkeer van technologie. Het zal niet helpen om over die waarden in discussie te gaan, is de conclusie van Kahan’s onderzoek. Als je wilt dat mensen open staan voor nieuwe feiten die niet passen bij hun overtuiging, moet je respect tonen voor hun waarden – hoe lastig dat ook is als het gaat om misvattingen over vaccinatie. Alleen op die manier is te voorkomen dat ze deze informatie aangrijpen om zich te koesteren in hun eigen gelijk.

-----

Denise in NRC # 3, November 16, 2016

(Read NRC article)

Trump buitte ongenoegen handig uit met de focus-illusie

Wanneer mensen gevraagd wordt om over een specifiek aspect van een probleem na te denken, zijn ze geneigd het belang ervan te overschatten. Het is deze ‘focus-illusie’ die door politici als Trump handig is aangegrepen, schrijft Denise de Ridder in de gedragscolumn.

Nog voordat de uitslag van de Amerikaanse verkiezingen bekend was, werd er al veel geschreven over de aanhangers van Trump, over hun onvrede en het gevoel niet gehoord te worden door de gevestigde politiek. Ik bleef hangen aan een interview in deze krant met de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild naar aanleiding van haar alom geprezen boek Strangers in their own land.

Daarin doet links-liberale Hochschild verslag van de vijf jaar dat ze leefde tussen haar Tea Party friends in Louisana om beter te begrijpen waar hun diepe gevoel van miskenning door het establishment vandaan komt. Het idee dat ze niet serieus genomen worden leeft heel sterk, merkte Hochschild, ook bij bewoners die aardig verdienen en gewoon meedoen in de maatschappij. Ze benadrukt dat het “logisch” is dat de Tea Party-aanhangers zich gekoeioneerd voelen omdat de normen van hun lokale gemeenschap niet gerespecteerd worden door de geprivilegieerde vrijzinnigen aan de kust.

Hoe tevreden je bent hangt ook af van waar je het mee vergelijkt

Dat deed me denken aan een studie van de twee Amerikaanse psychologen David Schkade en Daniel Kahneman uit 1998 naar het gevoel van onvrede dat heerst in het Amerikaanse binnenland. Schkade en Kahneman vroegen een kleine 2000 studenten uit de Midwest en California om aan te geven hoe tevreden ze waren met hun leven. De Midwest geldt in Amerika niet als de meest ideale plek om te wonen terwijl California staat voor zon, geluk en voorspoed. De voorspelling van de deelnemers aan het onderzoek – zowel die uit de Midwest als die uit California –  was dan ook dat de studenten uit California veel tevredener zouden zijn met hun leven.

Er bleek echter geen verschil. Absoluut gezien scoorden de studenten uit de Midwest even hoog op tevredenheid als de studenten uit California. Wel dachten ze dat de Californische studenten het beter hadden dan zijzelf. Vaak wordt deze studie aangehaald als voorbeeld van een focus illusie: wanneer mensen gevraagd wordt om over een specifiek aspect van een probleem na te denken, zijn ze geneigd het belang ervan te overschatten. Door studenten uit de Midwest te vragen om hun leven te vergelijken met dat van inwoners uit California werd het belang van mooi weer en een prettig leefklimaat sterk overdreven met als gevolg dat ze dachten dat zij het minder goed hadden.

Scherpte Trump alleen bestaande tegenstellingen aan?

Is de focus illusie een verklaring voor het ongenoegen van de Tea Party-aanhang in Louisiana? Misschien wel en chargeren ze het idee van niet serieus genomen te worden. Waarschijnlijker is echter dat ze wel een goede reden hebben om ontevreden te zijn, maar ook slachtoffer zijn van een behendig politicus die de focus illusie op gewiekste wijze weet uit te buiten door te hameren op het verschil met de elite. Hochschild is van mening dat Trump de Tea Party-aanhangers – door de bovenlaag weggezet als achterlijke en jammerlijke figuren – hun zelfrespect teruggeeft.

Dat valt nog maar te bezien. Net als andere politici is Trump een meester in het gebruiken van de focus illusie om mensen te laten geloven dat het belang van de zaken waar zij, de politici, de aandacht op vestigen een oplossing vormt voor alle problemen. Meestal zijn dat beloftes van beter onderwijs, betere gezondheidszorg of meer veiligheid. In het geval van Trump is dat anders. Hij weet de focus illusie behendig aan te grijpen om de bestaande tegenstellingen nog verder aan te scherpen.

-----

Denise in NRC column # 2, October 24, 2016

This is the second column of the ‘Gedragscolumn’ series in NRC, in which Denise voices her opinion on popular diet advises in the media. Read it below (or here).

Eet alleen aan tafel en tank geen calorieën bij de pomp

De Green Happiness affaire waarin twee hippe diëtisten eventjes het gesprek van de dag waren na een interview in deze krant ligt alweer een maand achter ons. Met hun omstreden dieetadviezen – geen eieren eten want dat is ‘menstruatie van een kip’ – haalden de ‘dieetguru’s’ zelfs nationale televisie. Naast hilarische commentaren was er vooral verontwaardiging over het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing voor het door henzelf als ‘gezond’ omschreven dieet.

Maar hoeveel eenduidig wetenschappelijk bewijs bestaat er eigenlijk voor een gezond dieet? In een recent artikel veegt voedingsonderzoeker John Ioannidis van het Stanford Prevention Research Center de vloer aan met het idee dat er wetenschappelijke consensus bestaat over de gezondheidseffecten van specifieke voedingselementen. Voor elke bewering dat voedingselement X effect heeft op gezondheidsparameter Y is er wel een studie te vinden die dit weer onderuithaalt.

Voedingsadviezen leiden nu tot verwarring

In Nederland worstelen de Gezondheidsraad en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu al jaren met de vraag hoe we deze complexe en soms tegenstrijdige informatie in een gemakkelijk te begrijpen advies aan de consument moeten gieten. Dat lukt in de meeste gevallen maar matig. Mensen krijgen veranderlijke en overgedetailleerde richtlijnen voorgeschoteld die leiden tot verwarring en scepsis over een gezond dieet.Geen wonder dat sommige diëtisten met een zekere jaloezie kijken naar de sexy adviezen van de green happiness meisjes met hun 200.000 volgers op Instagram. Volgens een enkeling heeft deze benadering, ook al is het klinkklare onzin, zelfs meer kans om Nederland aan het fruit en de groente te krijgen dan de saaie en vaak wat belerende adviezen van het Voedingscentrum. Als foodbloggers daarin zouden slagen, zou dat fantastisch zijn.

Maar behalve het handjevol foodie’s dat de posts van green happiness dagelijks tot zich neemt, lopen er in Nederland nog ruim 8 miljoen volwassenen en kinderen rond die een ongezond dieet hebben en (veel) te zwaar zijn. Een groot deel van die mensen wil graag afvallen en gezonder eten maar slaagt er niet in omdat ze niet weten hoe ze dat moeten doen: ze hebben niks met hippe bloggers en haken af bij saaie dieetadviezen.

Tijd voor radicale ommekeer

Misschien is het daarom tijd voor een radicale ommekeer in het volksgezondheidsbeleid. Als het niet gaat lukken om op korte termijn een aansprekend voedingsadvies te maken dat zowel wetenschappelijk onderbouwd is als gemakkelijk op te volgen in het dagelijks leven, moeten we het over een andere boeg gooien. Het zou al heel veel helpen als mensen minder eten zonder zich veel zorgen te maken over wat ze precies in hun mond stoppen. In onze moderne samenleving kunnen we 24 uur per dag op elke plek (veelal ongezond) eten krijgen, zelfs bij het benzinestation en de kassa van de bouwmarkt.

Een simpel dieetadvies zou daarom niet in detail moeten voorschrijven wat en hoeveel mensen moeten eten maar beter aangeven waar en wanneer het gepast is om te eten. Niet voor niets gooit Michael Pollan met zijn compacte eater’s manual Food Rules hoge ogen in Amerika – met tips als ‘Do all your eating at a table’ en ‘Don’t get your fuel from the same place your car does’ geeft hij consumenten een kans om meer greep te krijgen op een gezond dieet. Het is hoog tijd voor een Nederlandse versie van dit handboek voor eters.

-----

Denise in NRC column 1, September 15, 2016

Denise reflects on the the recent developments regarding the legislative proposal on organ donation. This column is the first of the ‘Gedragscolumn’ series in NRC. Read the very interesting column below (or here).

Bij orgaandonatie geeft ‘ja tenzij’ meer mensen de kans te doen wat ze ook willen

Na jaren gesoebat over het hete hangijzer van actieve donorregistratie, gebeurde afgelopen dinsdag dan toch wat weinig mensen hadden zien aankomen. De Tweede Kamer stemde onverwachts en met een krappe meerderheid voor de initiatiefwet van D66, waarbij iedereen automatisch donor is tenzij hij expliciet aangeeft dat niet te willen.

D66 had het wetsvoorstel meerdere keren aangepast in een poging tegemoet te komen aan de bezwaren van onder meer het CDA en stelt voor om de zeven miljoen mensen die niet reageren op herhaaldelijke oproepen om een beslissing te nemen over donorschap – voor dan wel tegen – te registreren als donor (het ja-tenzij-systeem).

Net als bij eerdere debatten over donorregistratie vlogen voor- en tegenstanders elkaar de afgelopen maanden in de haren met columns, opiniestukken en blogs. Tegenstanders beroepen zich op het principiële argument dat standaard registratie in strijd is met het fundamentele recht op zelfbeschikking en een aantasting van de onschendbaarheid van het lichaam. Voorstanders hameren erop dat het nieuwe systeem de levens kan redden van mensen die nu onnodig vroeg komen te overlijden door het gebrek aan organen.

In dit gepolariseerde debat wordt een belangrijk argument over het hoofd gezien en dat is dat mensen vaak niet doen wat ze wel graag willen doen. Psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat goede voornemens lang niet altijd in daden worden omgezet en dat mensen beslissingen voor zich uit schuiven omdat ze andere dingen aan hun hoofd hebben, vergeetachtig of druk zijn of simpelweg lui. Dat geldt niet alleen voor alledaagse plannen als beter op je geld letten, gezonder eten, of je administratie bijhouden, maar ook voor beslissingen over zwaarwichtige kwesties als orgaandonatie.

In Europese landen waar een ja-tenzij-systeem bestaat (onder andere België, Frankrijk en Oostenrijk), staat meer dan 90 procent van de bevolking geregistreerd als donor. In landen met een nee-mits-systeem is dat vaak minder dan 10 procent. Het is onwaarschijnlijk dat er binnen Europa zulke grote verschillen zouden bestaan in opvattingen over orgaandonatie. De cijfers suggereren eerder dat een ja-tenzij-systeem de grote groep mensen tegemoetkomt die wel donor zouden willen zijn maar er niet aan toekomen zich op te geven.

In de psychologie is het al lang gesneden koek dat het uitgebreid afwegen van voors en tegens bij het nemen van beslissingen maar weinig voorkomt. De meeste besluiten worden genomen op de automatische piloot of – in de woorden van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman – eerder ‘snel’ dan ‘langzaam’. Een ja-tenzij-systeem speelt in op dat soort snelle beslissingen en geeft de mensen de mogelijkheid om zich meer te gedragen in lijn met wat ze willen doen.

Tot nu toe maakten we het gemakkelijk voor de mensen die tegen automatische registratie zijn; zij hoeven niks te doen als ze geen donor willen zijn. Als de nieuwe wet de Eerste Kamer haalt, wordt dit omgedraaid en maken we het gemakkelijker voor de mensen die wel hun organen ter beschikking willen stellen maar vergeten actie te ondernemen (ruim 60 procent volgens een opiniepeiling uit 2014).

Zolang we erop toezien dat mensen die geen donor willen zijn gemakkelijk onder hun automatische registratie uit kunnen, bijvoorbeeld door ze er regelmatig aan te herinneren dat ze zich kunnen uitschrijven, brengen we niet alleen het aantal beschikbare organen omhoog maar houden we ook rekening met de manier waarop mensen beslissingen nemen.

-----