Koloniale geschiedenis in het archief van botanicus Friedrich Went

Voor velen roept de wetenschappelijke discipline botanie, ook wel plantkunde, niet direct associaties op met koloniale geschiedenis. Toch onthult het archief van Friedrich Went (1863-1935), hoogleraar botanie aan de Universiteit Utrecht van 1896 tot 1933, hoe natuurwetenschappelijk onderzoek vorm kreeg in voormalig gekoloniseerde gebieden, met name in Suriname. 

Dit archief, onderdeel van de collectie Botanie, bevat een opmerkelijke verzameling rapporten, notities en correspondentie over de voorbereiding en uitvoering van expedities naar de Surinaamse rivieren Coppename, Gonini en Saramacca, die tussen 1900 en 1903 werden uitgevoerd. 

Hoewel deze reizen wetenschappelijke doeleinden dienden, werden ze evenzeer gedreven door territoriale en economische doelstellingen. Een netwerk van betrokkenen met uiteenlopende achtergronden, van wetenschappers en bestuurders tot politici en ondernemers, zette deze tochten op en verwierf hiervoor de nodige fondsen. Vanwege Went’s uitgesproken belangstelling voor de flora van Suriname, werd hij binnen dit netwerk vertrouwd als botanisch expert. Zijn archief biedt daarom waardevolle informatie over de sociale en institutionele infrastructuur waarbinnen koloniale kennisproductie tot stand kwam tussen 1895 en 1905. 

Wetenschap en kolonialisme

In de negentiende eeuw raakten de natuurwetenschappen en koloniale expansie steeds nauwer met elkaar verweven. Wetenschappelijke ontwikkelingen stelden Europese machthebbers in staat hun macht over meer territoria uit te breiden en te intensiveren. Botanie richtte zich in deze context bijvoorbeeld op de studie van waardevolle gewassen en de mogelijkheden deze op grote schaal te exploiteren. Net als in andere landen was koloniale kennisproductie in Nederland sterk institutioneel georganiseerd. Organisaties zoals de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën, opgericht in 1887, ontstonden uit de behoefte om kennis over de door Nederland gekoloniseerde gebieden te vergroten. In de praktijk lag de nadruk binnen deze wetenschappelijke interesse echter vooral op “de Oost." Zo ontstond er uit deze Maatschappij al in 1888 een Indisch Comité in Batavia dat zich richtte op onderzoek in Azië, terwijl een vergelijkbare infrastructuur in het Caribisch gebied uitbleef.

West-Indisch Comité

Tegen deze achtergrond is de correspondentie uit het archief van Went opvallend. Brieven laten zien hoe verschillende initiatiefnemers, waaronder Went, het gebrek aan wetenschappelijke kennis over gebieden op het Amerikaanse continent actief wilden tegengaan. Een brief uit 1896 van de bovengenoemde Maatschappij aan de inspecteur van het onderwijs in Paramaribo, Dr. H. Benjamins, laat zien hoe de wetenschappelijke “verwaarlozing” van “Nederlands West-Indië” werd besproken (afb. 1). Een voorstel voor de oprichting van een “West-Indisch Comité” als tegenhanger van het Indisch Comité in Batavia wordt hierin expliciet genoemd – een initiatief dat tot dusver in bestaande historiografie lijkt te ontbreken.

Afb.1: ‘Molengraaff, G.A.F. aan: H. Benjamins, 1896, en aan Zeer Geachte Heer, 1896’

Suriname als 'onontgonnen' gebied

Uiteindelijk leidde dit initiatief tot de instelling van een Commissie tot Wetenschappelijk Onderzoek van Suriname, die vanaf 1897 advies uitbracht over de voorbereiding, organisatie en financiering van wetenschappelijke expedities. De expliciete focus op Suriname onderstreept dat de vraag naar meer kennis over gekoloniseerde gebieden in Amerika vooral gericht was op Suriname. Deze regio werd niet alleen neergezet als grotendeels onbekend, maar ook als een gebied vol potentieel – zowel wetenschappelijk als economisch. 

De opzet van wetenschappelijke expedities laat zien hoe sterk kennisverwerving fungeerde als schakel tussen territoriale controle en economische belangen. In een nota van de Commissie uit 1900 wordt Suriname gepresenteerd als gehuld in een metaforische “sluier” die moest worden opgelicht (afb. 2). Zulke voorstellingen van Suriname als onontgonnen terrein rechtvaardigden expedities naar de regio, die op hun beurt werden gepresenteerd als een vorm van “verlichtende expansie”. Door expliciet te verwijzen naar de potentiële hulpbronnen van Suriname, evenals naar de vermeende achterstand van Nederland op buurlanden in het benutten daarvan, werd deze expansie tegelijkertijd gekoppeld aan verwachtingen van controle en exploitatie.

Afb. 2: ‘Nota betreffende een wetenschappelijke expeditie naar de Boven-Coppename rivier, Suriname, ondertekend door: H.F.R. Hubrecht, A.A.W. Hubrecht et al., 1900’

Pure wetenschap en praktisch belang

Deze nadruk op de potentiële resultaten van kennisvergaring stond niet op zichzelf. Brieven en verslagen rondom de voorbereiding van expedities maken duidelijk dat het niet altijd eenvoudig was om wetenschappelijke tochten naar de binnenlanden van Suriname gefinancierd te krijgen. Expedities moesten met zo min mogelijk kosten worden uitgevoerd om de kansen om “rijke vruchten” te kunnen beloven (afb. 2). Om dit te bereiken, zo stelt een verslag van de Commissie uit 1897, moesten de zogenaamd “zuiver” wetenschappelijke onderzoeksdoelen gecombineerd worden met een vermeend “praktisch nut” dat de welvaart van de kolonie zou bevorderen (afb. 3). 

Afb. 3: ‘Verslag der Commissie voor het wetenschappelijk onderzoek der kolonie Suriname, 1897, ondertekend door: K. Martin, J.G. van Hemert en W. Hubrecht, handgeschreven en met afschrift’

Geografisch onderzoek werd in dit advies voorop gesteld. Het in kaart brengen van de regio zou de verwezenlijking van andere onderzoeksdoelstellingen kunnen vergemakkelijken. Bovendien werd het vaststellen van grenzen van groot politiek belang geacht. Binnen dit onderzoek werd daarnaast gesproken over een “zuiver industrieel belang” (afb. 4). Om de minerale rijkdommen van Suriname in kaart te brengen werd voorgesteld om een ingenieur mee te laten reizen om mijnbouwkundig onderzoek te verrichten. Goud, diamant en andere waardevolle mineralen zouden op die manier ook in kaart moeten worden gebracht. 

De noodzaak van botanisch onderzoek werd op een vergelijkbare manier gepresenteerd. De plantkundige moest zich niet alleen richten op “puur” wetenschappelijk onderzoek, maar bijvoorbeeld ook op het vinden van producten die voor exploitatie en uitvoer in aanmerking zouden kunnen komen. Op deze manier werden wetenschappelijke doelstellingen expliciet gecombineerd met exploitatiebelangen.

Afb. 4: ‘Verslag der Commissie voor het wetenschappelijk onderzoek der kolonie Suriname, 1897, ondertekend door: K. Martin, J.G. van Hemert en W. Hubrecht, handgeschreven en met afschrift’

Financieringsonderhandelingen

In de voorbereidingsfase van de expedities werden doelen zorgvuldig opgesteld met als doel om voldoende partijen te vinden die bereid waren om bij te dragen aan de financiering van onderzoekstochten. Hoewel de Nederlandse overheid aanvankelijk terughoudend was in het bieden van steun aan de expedities (afb. 5), werden topografische doelstellingen uiteindelijk aangemerkt als van staatsbelang. Omdat het vaststellen van de grenzen werd gezien als “landstaak” kwam hier financiële steun voor beschikbaar (afb. 6). De overheid was echter niet bereid deze tochten volledig te financieren. De verantwoordelijkheid voor andere onderzoeksdoelstellingen, zoals geologisch, mijnbouwkundig en botanisch onderzoek, werd daarmee bij de particuliere sector gelegd. De vele nota’s in het archief maken duidelijk dat financiering geen vanzelfsprekendheid was, maar het resultaat van voortdurende onderhandelingen over de vraag welke kennis van belang was en onder wiens verantwoordelijkheid die viel. 

Afb. 5: ‘Definitieve vaststelling van de koloniale huishoudelijke begroting van Suriname voor het dienstjaar 1899, met bijlagen’
Afb. 6: ‘Het Bestuur van de Maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig onderzoek der Nederlandsche Koloniën te Utrecht van: G.J. van Hemert, voorzitter van de Vereniging voor Suriname’

Omdat de kosten van expedities hoog konden oplopen, werd geprobeerd wetenschappelijk onderzoek zo veel mogelijk te koppelen aan onderzoek dat al werd uitgevoerd door particuliere bedrijven. Er wordt gesproken over onderhandse besprekingen waaruit naar voren zou zijn gekomen dat ook vanuit particuliere hoek verder onderzoek als “zeer gewenst” werd beschouwd (afb. 6). Deze verwevenheid met particulier initiatief kwam ook tot uiting in de keuze van locaties voor de eerste expedities. Omdat de goudindustrie de kennis van het oostelijke binnenland van Suriname al aanzienlijk had vergroot, werd besloten dat de eerste expedities van de nieuw ingestelde Commissie zich zouden richten op het westelijke binnenland, een gebied dat in de bronnen werd afgeschilderd als een volkomen onbekend.

Afb. 7: ‘Nota wetenschappelijke expeditie naar de boven coppename rivier’

Lokale kennis

Wat in de voorbereidende documenten steeds werd gepresenteerd als onbekend terrein, was dat in werkelijkheid natuurlijk niet voor de bevolking van deze gebieden. Voor de uitvoering waren de expedities dan ook sterk afhankelijk van de lokale bewoners. Dit blijkt uit brieven en verslagen, die regelmatig verwijzen naar het aantal arbeidskrachten dat voor expedities werd ingehuurd. Voor de Coppename-expeditie (1901) werd bijvoorbeeld gesproken over de inhuur van ongeveer vijftig Surinaamse arbeidskrachten (Verslag van de Coppename-expeditie in Suriname. Leider: L.A. Bakhuis, door: H.D.H. Bosboom). Deze arbeidskrachten werden ingehuurd om bijvoorbeeld voorraden te vervoeren (zie afb. 8, een foto gemaakt tijdens de Gonini-expeditie (1903), uit de collectie van het KITLV), kampen op te zetten of paden vrij te maken door dichtbebost gebied. Daarnaast speelden lokale gidsen een centrale rol in deze expedities; zij loodsten de reisgezelschappen door gebieden die de expeditieleiders zelf niet kenden.

Afb. 8: ‘Goederen van de Goniniexpeditie op de oever van de Gransoelaval in de Litanirivier in Marowijne,’ 1903, uit de KITLV collectie. [http://hdl.handle.net/1887.1/item:923981, publiek domein.]

Marron en Inheems Surinaamse gemeenschappen waren onmisbaar voor het succes van deze expedities. Als kenners van zowel het landschap als de bewoners van de bezochte gebieden werden zij bijvoorbeeld ingehuurd voor de overtrek van gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen. Zonder bekendheid met deze trajecten werden deze als vrijwel onbegaanbaar beschouwd. 

Dat lokale kennis zo belangrijk was blijkt onder meer uit de loonconflicten die regelmatig voorkwamen. Zo blijkt uit het verslag van de Coppename-expeditie dat gidsen twee keer zoveel loon eisten als het standaardbedrag dat de expeditieleiding had bepaald (Zie ‘Verslag van de Coppename-expeditie in Suriname. Leider: L.A. Bakhuis, door: H.D.H. Bosboom’). Uiteindelijk moest de expeditieleiding wel aan deze eisen toegeven, omdat deze tochten zonder de medewerking van gidsen niet konden worden voortgezet. De verschillende voorbeelden van conflicten met de expeditieleiding laten zien dat deze expeditieleden niet zomaar passieve uitvoerders waren, maar onderhandelingsruimte hadden en die ook benutten. 

Afb. 9: Foto van expeditieleden van de Gonini expeditie door G.M. Versteeg, 1903, uit de NMVV-collectie. [https://hdl.handle.net/20.500.11840/906464, publiek domein.]

Ook bij het verzamelen van botanisch materiaal speelde lokale kennis een belangrijke rol. Veel planten die tijdens expedities werden verzameld, werden binnen lokale gemeenschappen bijvoorbeeld gebruikt vanwege hun medicinale werking. Deze planten werden vaak succesvoller verzameld op gronden die door deze gemeenschappen werden beheerd dan in het tropisch regenwoud, waar de onderzoekers niet altijd geschikt materiaal konden vinden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een brief van A. Pulle, een leerling van Went en later hoogleraar aan de Universiteit Utrecht (zie ‘Voorlopig botanisch verslag van de Saramacca-expeditie 1902-1903 door: A. Pulle’).

Afb. 10: ‘Portret van een Okanisi Marron in een korjaal van de Coppename-expeditie’, 1901, uit de NMVV-collectie. [https://hdl.handle.net/20.500.11840/297767, publiek domein.]

De leiders van de expedities veronderstelden een zekere bereidheid van de bevolking om mee te werken aan de expedities. In de praktijk bleek deze hulp vaak echter niet zo vanzelfsprekend. De leiding van de Gonini expeditie (1903) uitte haar verbazing toen ze een dorp aantroffen dat geen maatregelen had genomen om de expeditie bij te staan, ondanks dat het hierover vooraf op de hoogte was gesteld (zie ‘Brieven van de commissie tot wetenschappelijk onderzoek van Suriname aan: het bestuur van de maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig onderzoek der Nederlandse Koloniën te Utrecht, ondertekening onleesbaar, 1903/04’). 

Tot besluit: wetenschap als proces

In de collectie van Went komt de wetenschap niet naar voren als belangeloze kennisproductie, maar als een proces dat werd gevormd door institutionele kaders en koloniale machtsverhoudingen. Wat deze collectie bijzonder maakt, is dat ze laat zien hoe er binnen wetenschappelijke en bestuurlijke kringen actief voor werd gepleit om het gebrek aan kennis over Suriname op te vullen. De oprichting van commissies en de pogingen om expedities te organiseren geven blijk van een uitgesproken interesse in deze regio. Deze interesse is in studies naar het Nederlandse koloniale verleden tot nu toe onderbelicht gebleven. 

De documenten over voorbereiding, fondsenwerving, verwachtingen en uitvoering bieden inzicht in de infrastructuur waarbinnen wetenschappelijke kennis tot stand kwam, welke belangen daarbij speelden en wie daarbij betrokken was. Tussen de regels van deze verslagen door wordt duidelijk hoezeer de expedities leunden op de hulp van lokale gemeenschappen. Wanneer we deze bronnen combineren met ander materiaal, zoals fotocollecties van de expedities, is het mogelijk meer inzicht te krijgen in dit aspect van de missies, waarvoor brieven en verslagen slechts indirect ruimte bieden. 

De inzichten die dit archief biedt staan naast die over een ouder topstuk uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek Utrecht: Metamorphosis Insectorum Surinamensium van entomologe Maria Sibylla Merian (1647-1717) uit 1705. Waar Merians werk de koloniale wetenschap zichtbaar maakt in de vorm van een individueel kennisproduct, leggen de documenten uit het archief van Went juist de minder zichtbare lagen van het proces achter wetenschap bloot. Niet het eindresultaat, maar de voorwaarden waaronder kennis werd nagestreefd, krijgen hier gestalte. Het is deze institutionele en sociale dimensie die in het archief centraal staat. Samen laten deze collecties zien hoe kennis over Suriname in verschillende periodes op uiteenlopende manieren werd geproduceerd, gewaardeerd en ingezet. 

Daniëlle de Kurver, februari 2026

Dit collectieverhaal is tot stand gekomen in het kader van het fellowship Utrechtse Universiteitsgeschiedenis dat de auteur heeft bekleed in december 2025-februari 2026.