Met een omweg naar Utrecht: de verrassende reis van een incunabel uit het Regulierenklooster

Veel van de handschriften en vroege drukken uit de laatmiddeleeuwse Utrechtse kloostercollecties hebben een eenvoudige weg afgelegd naar de huidige Universiteitsbibliotheek en zijn daar al kort na de Reformatie eind 16de eeuw terechtgekomen. 

Het exemplaar Rariora oct 570, een gedrukt boek uit 1499 afkomstig uit het Utrechtse Regulierenklooster, blijkt een ruime omweg te hebben genomen, onder andere via een vroegmoderne Utrechtse historicus en een Duitse prins. Maar hoe is hij dan toch hier in de UB beland? 

Wat voor weg legt een vijftiende-eeuws boek af om op zijn hedendaagse plek te belanden? Zijn alle aanwijzingen in het boek te vinden, of moet er verder gezocht worden? Om deze vragen te beantwoorden is de internationale database Material Evidence in Incunabula (MEI) een cruciaal hulpmiddel. De verrassende geschiedenis van Rariora oct 570 is ontdekt tijdens ons stageproject om alle incunabelen afkomstig uit het Utrechtse Regulierenklooster in te voeren in MEI. Incunabelen, of wiegendrukken, zijn boeken die tussen 1450 en 1501 gedrukt zijn. In deze database wordt, aan de hand van materieel bewijs, een herkomstgeschiedenis opgebouwd.

Van Utrecht...

We beginnen bij het begin. De tekst van Rariora oct 570 is de Floretus (cum commento), een kort christelijk gedicht dat vaak wordt toegeschreven aan de Franse theoloog Bernardus van Clairvaux (1090–1153). In dit geval gaat het om een versie die in 1499 in Keulen werd gedrukt door Heinrich Quentell († 1501).

De vroegst bekende eigenaren van het exemplaar Rariora oct 570 waren de kanunniken van het Regulierenklooster in Utrecht (ca. 1290–1597). De Regulieren volgden de regel van Augustinus, die onder meer instructies voorschreef over het gebed, dienstbaarheid en naastenliefde. Ze waren een van de vijf grote kloosterordes in Utrecht en bezaten een aanzienlijke boekencollectie. Van die collectie zijn 144 handschriften en 80 gedrukte werken bewaard gebleven, waaronder 68 incunabelen. Aan het begin van Rariora oct 570 hebben ze een Latijnse inscriptie achtergelaten: P[er]tinet ad Regula[r]es in Traiecto (vertaling: ‘[dit boek] behoort toe aan de Regulieren van Utrecht’). Zo’n inscriptie was gebruikelijk voor boeken uit kloosterlijke collecties.

Afbeelding 1. Detail titelpagina Rariora oct 570: gedrukte titel met daarboven de inscriptie die verwijst naar het eigendom van de Regulieren

De meeste boeken die voorheen in het bezit van de Regulieren waren, werden tussen 1580 en 1584 door het stadsbestuur geconfisqueerd, toen Utrecht protestants werd. De boeken werden samen met die van andere Utrechtse kloosters in de Sint Janskerk verzameld ten behoeve van een nieuw op te richten stadsbibliotheek. Deze bibliotheek, van 1584 tot 1815 gevestigd in de Janskerk, werd vanaf de oprichting van de Universiteit Utrecht in 1636 tevens de universiteitsbibliotheek.

Met Rariora oct 570 liep het echter anders. In plaats van opname in de stadsbibliotheek kwam dit exemplaar in bezit van de beroemde Utrechtse historicus Aernout van Buchel (1565–1641). Hoe hij eraan kwam is niet zeker, het boek geeft daarvoor geen aanwijzingen. Maar het is goed mogelijk dat hij het kreeg van zijn vader, die kanunnik van het kapittel van Sint Pieter in Utrecht was en van wie Aernout een buitenechtelijke zoon was. Het boek zou dan op enig moment in de zestiende eeuw zijn doorgegeven van de reguliere kanunniken aan deze seculiere kanunnik – een dergelijke overdracht van de ene religieuze eigenaar aan de volgende zien we in de zestiende eeuw vaker gebeuren met boeken van de Utrechtse kloosters. 

In elk geval weten we zeker dat Aernout het boek vervolgens in handen heeft gehad. In het boek treffen we namelijk een inscriptie in zijn handschrift aan. Zijn hand is geïdentificeerd door Dr. Bart Jaski (Utrecht), Dr. Karin Zimmermann en Dr. Thorsten Huthwelker (Heidelberg). Hij verkondigt op de laatste pagina van het boek: Hunc librum inter opera Bernardi non invenio (vertaling: ‘Ik vind dit boek niet terug tussen de werken van Bernard’). Daar had Van Buchel gelijk in: de tekst is inderdaad niet van Bernardus, maar omdat het werk zo lang aan hem toegeschreven is geweest, wordt de auteur nog altijd als Pseudo-Bernardus aangeduid. Het is onduidelijk wanneer deze aanname is veranderd.

Afbeelding 2. Detail van de inscriptie door Van Buchel op het achterste schutblad van Rariora oct 570: ‘Hunc librum inter opera Bernardi non invenio’ (vertaling: ‘Ik vind dit boek niet terug tussen de werken van Bernard [van Clairvaux]’).

...naar Duitsland...

Heidelberg

Van Buchel was een oudheidkundige en humanist met enige reislust. In 1587 maakte hij een reis naar Duitsland, waarbij hij ook tot tweemaal toe Heidelberg bezocht. Mogelijk is Rariora oct 570 op deze manier in deze stad terechtgekomen. Oorspronkelijk was Rariora oct 570 samengebonden met drie andere gedrukte werken en een handschrift, die zich alle nog steeds in de universiteitsbibliotheek van Heidelberg (1386–heden) bevinden. Rariora oct 570 was de tweede tekst in deze Sammelband (een boekband waarin meerdere werken bijeen zijn gebonden). Maar ook op het einde van het hieropvolgende derde deel is Van Buchels handschrift te vinden. De gedrukte catalogus van de Universiteitsbibliotheek Heidelberg uit 2009 benoemt de signaturen van deze andere werken onder catalogusnummer 254: Q 1280 RES; D 5750-2-2 RES; Q 7602-9 RES; en Heid. Hs. 1601 (olim Cod. Heid. 369, 498). 

Afbeelding 3. Inscriptie van Aernout van Buchel in het derde werk waarmee Rariora oct 570 oorspronkelijk zat samengebonden, D 5750-2-2 RES. Foto: Universiteitsbibliotheek Heidelberg.

In 1930 en 1931 herzagen bibliothecarissen Josef Berenbach (1878–1941) en Wilhelm Port (1902–1945), in het kader van de catalogisering van de oudere collecties, de Heidelbergse incunabelencollectie. De ontdekking van 130 exemplaren met ernstige schade aan de boekbanden leidde toen tot uitgebreide restauratiewerkzaamheden, waarbij talrijke fragmenten werden ontdekt en losgemaakt en er verlies van boekbandmateriaal werd vastgelegd. In 1933 en 1934 hield Berenbach zich opnieuw met de Heidelbergse incunabelen bezig, toen hij begon met het catalogiseren van de vijftiende- en zestiende-eeuwse banden van de universiteitsbibliotheek. 

Ergens tijdens dit proces moet Berenbach de Sammelband waarin Rariora oct 570 zich toen bevond uit elkaar hebben laten halen, mogelijk omdat de band te beschadigd was. De andere delen bleven in de bibliotheek van Heidelberg, terwijl Rariora oct 570 door Berenbach uit de collectie werd verwijderd. Misschien zag Berenbach hier destijds geen kwaad in omdat de universiteitsbibliotheek van Heidelberg nog een ander exemplaar van dezelfde gedrukte tekst bezat. 

 

Afbeelding 4. De band van Rariora 0ct 570

We weten dat Berenbach zelf dit exemplaar uit de collectie haalde, want in 1933 gaf hij het boek cadeau aan de toenmalige prins van Fürstenberg, Maximilian Egon II (1863–1941). Volgens een inscriptie op het voorblad van Rariora oct 570, gesigneerd door Maximilian, deed hij dat ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van de prins:

Von Herrn Universitäts-Bibliothekar Dr. Berenbach in Heidelberg zu meinem 70sten Geburtstag am 13. Oktober 1933 geschenkt erhalten. (Vertaling: ‘Geschonken door dr. Berenbach, universiteitsbibliothecaris in Heidelberg, op mijn 70e verjaardag op 13 oktober 1933’.)

Afbeelding 5. Detail op de band van Rariora oct 570: de datum, in goud gestempeld, van de 70ste verjaardag van Maximilian Egon II.

De 70ste verjaardag van Maximilian Egon II werd uitbundig gevierd. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de penningen die speciaal voor deze gelegenheid werden gemaakt. Dat Berenbach een klein maar kostbaar incunabel cadeau gaf, is hierdoor beter te begrijpen. 

Afbeelding 6. Penning die ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van Maximilian Egon II werd vervaardigd en gedeeld. Foto’s: © Collectie Huis Doorn, Doorn.
Afbeelding 7. Achterkant penning

Een vergelijking met andere handtekeningen bevestigt ook dat de inscriptie in het boek inderdaad door Maximilian Egon II is ondertekend. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de handtekening onder een foto van hem uit 1913 en aan het zittersboek van de schilder Philip de László (1869–1937) dat meerdere keren door Max Egon II is gesigneerd. Een zittersboek werd door kunstenaars gebruikt om bij te houden wie wanneer voor hun portret heeft gezeten. De László heeft meerdere portretten van Max Egon II geschilderd en iedere keer dat Max Egon poseerde heeft hij ook het boek ondertekend. 

Afbeelding 8. Foto van Maximilian Egon II, door hemzelf ondertekend. Foto uit Men Around the Kaiser: the Makers of Modern Germany (Philadelphia: J.B. Lippincott Company, 1913), Plaat 4.
Afbeelding 9. Zittersboek van Philip de László. De derde handtekening is van Maximilian Egon II. Foto: de Laszlo Archive © de Laszlo Foundation

Hoe de verhoudingen tussen de twee mannen precies lagen, is niet geheel duidelijk. Over Berenbach als persoon is verder niet veel bekend. De enige directe verbinding lijkt vooralsnog Berenbachs jongere broer, Eduard L. Berenbach (1885–1962), te zijn geweest. Hij was destijds prinselijk raadslid en hofkapelaan van Fürstenberg. 

Net als de adellijke titels schijnen ook de Fürstenbergse boekentitels van het ene hoofd van de familie naar het volgende te zijn doorgegeven, totdat Maximilians kleinzoon Joachim Egon, Prins van Fürstenberg (1923–2002), vanaf 1980 grote delen van de prinselijke kunstcollectie verkocht. Hij begon met het verkopen van grote delen aan de Duitse overheid, die het materiaal in Duits bezit wilde houden. 

Doorverkoop

Op 1 juli 1994 werd toch een deel van de collectie, ‘from the court library at Donaueschingen’, via Sotheby’s op de internationale markt verkocht. Hier zat ook Rariora oct 570 tussen met lotnummer 46. Sotheby’s heeft in de veilingcatalogus ook een geschatte prijs vermeld: 1.500 tot 2.000 pond. 

Toch is de incunabel in 1994 voor bijna drie keer zoveel gekocht door de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Mogelijk ontstond dit prijsverschil omdat het boek voor veel meer is afgehamerd of omdat er tussen het veilinghuis en de universiteitsbibliotheek nog een andere speler zat, zoals een antiquariaat. In het geval van Rariora oct 570 heeft het Utrechtse Antiquariaat Forum (sinds 1970) er in ieder geval tussen gezeten. Dit wordt bevestigd in de documentatie van de universiteitsbibliotheek zelf. Dit antiquariaat heeft vaker bijzondere Utrechtse stukken aan de universiteitsbibliotheek te koop aangeboden.

De universiteitsbibliotheek houdt sinds 1816 in zogenoemde journaalboeken bij wat er aan de bijzondere collecties wordt toegevoegd. Dit gebeurt nog tot op de dag van vandaag. Nieuw verworven collectiestukken krijgen achterin een journaalnummer dat overeenkomt met het bijbehorende journaalboek. Het journaalnummer van Rariora oct 570 is ‘ant 3914’. ANT verwijst naar het meest recente journaalboek. Daarin staat vermeld: ‘FORUM (aucti Fürstenberg).’ Zo wordt terugverwezen naar zowel de Sotheby’s-veiling als het antiquariaat Forum. De genoteerde prijs komt neer op 7521,71 gulden. 

Afbeelding 10. Detailafbeelding van het journaalnummer van Rariora oct 570.

...en terug naar Utrecht

Na een hele omreis door Duitsland is de incunabel, oorspronkelijk in bezit van het Utrechtse Regulierenklooster, toch op dezelfde plek beland als de andere incunabelen uit deze collectie. Naast het journaalnummer is het boek voorzien van een stempel van de Universiteitsbibliotheek Utrecht. 

De hele reis is in het boek zichtbaar aan de verschillende materiële sporen die het bevat. Van de inscriptie van de Regulieren en Van Buchels schriftelijke scepsis over Bernardus als auteur, tot de band met Maximilian Egon II’s verjaardag en zijn inscriptie met handtekening, tot de Utrechtse universiteitsbibliotheekstempel , de opeenvolgende eigenaren hebben zo in de loop van de eeuwen hun aanwezigheid en bewijzen van eigenaarschap achtergelaten op de folia van Rariora oct 570. 

Afbeelding 11. Stempel van de Universiteitsbibliotheek Utrecht, op het achterste schutblad van Rariora oct 570.

Auteurs

Mylou Eggermont en Josefien Wijker.