Promotie: Built environment transformation for the transport energy transition
De centrale onderzoeksvraag van deze dissertatie was als volgt: welk type bebouwde omgeving kan de energietransitie in personenvervoer het beste ondersteunen?
De dichtheid in een 1 kilometer radius had de meeste invloed op het energierelevante reisgedrag van huishoudens. Het belangrijkste mechanisme was de afname van reisafstanden in stedelijke omgevingen. Beleid zou zich dus moeten richten op het creëren van buurten die niet alleen dichtbebouwd, maar ook zelfvoorzienend zijn.
Het grotere gebruik van openbare en actieve modes door stedelijke inwoners was tevens relevant. Investeringen in elektrische laadcapaciteit blijven echter nodig aangezien de auto de dominante vervoersmode bleef in hoogstedelijke gebieden. Inwoners van niet-groene (dichtbebouwde) gebieden met weinig parkeergelegenheid bezitten daarnaast iets efficiëntere auto’s. Het indirecte effect van de bebouwde omgeving op energierelevant reisgedrag via de intermediaire variabele van autobezit was verassend beperkt.
In totaal kan de bouw van binnenstedelijke woningen de Nederlandse CO2 uitstoot voor personenmobiliteit met 0.5%/jaar verminderen. Dit impliceert een afname van 10% voor 2050 (orde-grootte).
Verdere analyse van de resulterende ruimtelijke verschillen in (transport- en woon)energiekosten lieten zien dat vergelijkbare typen huishoudens hogere energieuitgaven hebben in afgelegen plattelandsgebieden. Corrigeren voor verschillen in inkomens en huur- en hypotheekprijzen veranderde dit patroon van kwetsbaarheid voor hoge energieprijzen niet. Ruimtelijke ordening en woonbeleid gericht op het aanbieden van voldoende sociale (stads)appartementen kunnen daarom de kwetsbaarheid van huishoudens voor stijgende energieprijzen verminderen.
- Begindatum en -tijd
- Einddatum en -tijd
- Locatie
- Academiegebouw, Domplein 29 & online (livestream link)
- Promovendus
- Chris ten Dam
- Proefschrift
- Built environment transformation for the transport energy transition
- Promotor(es)
- prof. dr. G.J. Kramer
- prof. dr. ir. D.F. Ettema
- Co-promotor(es)
- dr. V. Koning
- dr. F. Bahamonde Birke