“Vogelgriep voorkomen begint met begrijpen”

Welke rol speelt het Dutch Wildlife Health Centre bij de monitoring van vogelgriep onder wilde dieren in Nederland? “De ziekte gaat heel breed door de fauna heen. Steeds worden nieuwe soorten getroffen. Daar willen we heel graag meer zicht op krijgen.”

Een medewerker van het Dutch Wildlife Health Centre doet onderzoek bij een marter.
Een medewerker van het Dutch Wildlife Health Centre doet onderzoek bij een marter.

“Naast levende dieren hebben ook dode dieren altijd mijn interesse gehad”, zegt ecoloog en boswachter Leon Kelder. Hij werkt al 22 jaar voor Staatsbosbeheer, is veel op pad in de natuur en hij wordt ook vaak gebeld door wandelaars en agrariërs als ze een karkas aantreffen. Soms gaat het om individuele dieren, in andere gevallen om groepen. Hij herinnert zich bijvoorbeeld de grote sterfte onder eidereenden in de jaren negentig. “Maar met vogelgriep is de laatste jaren echt iets anders aan de hand”, zegt hij. “De ziekte gaat heel breed door de fauna heen, steeds worden nieuwe soorten getroffen. Daar willen we  graag meer zicht op krijgen.”

Toen het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) eind 2025  extra aandacht vroeg voor dode aaseters en roofdieren, ging Kelder dan ook meteen ‘aan’. “Ik knoop verzoeken van het DWHC altijd goed in mijn oren en schakel dan mijn hele netwerk in. Toen pas een dode vos werd aangetroffen in de Schoorlse Duinen, ging die na overleg met het DWHC dan ook linea recta, veilig verpakt, met de koerier naar Utrecht.” 

Carnivoren en aaseters

Het Dutch Wildlife Health Centre van de Faculteit Diergeneeskunde is het nationaal centrum dat ziekten signaleert en onderzoekt onder in het wild levende dieren in Nederland. Het DWHC werkt nauw samen met collega’s van andere organisaties. Voor de monitoring van vogelgriep stuurt het dode wilde vogels die verdacht worden van vogelgriep direct naar het lab van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) in Lelystad. Carnivore zoogdieren en aaseters die voor de dood afwijkend neurologisch gedrag vertoonden, worden gemeld bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA); die kan beslissen om deze ook direct naar Lelystad te sturen. Als dat niet het geval is, zoals de vos van boswachter Kelder, volgt pathologisch onderzoek onder strenge veiligheidsvoorschriften in Utrecht. Onderzoekers dragen beschermende kleding en ademen schone lucht in via speciale maskers.

Eerst nemen de onderzoekers swabs van de neus-en-keelholte en darmen van het dier. Als ze tijdens het onderzoek signalen aantreffen die kunnen wijzen op zeer besmettelijke hoogpathogene vogelgriep, zoals ontstekingen in de hersenen, zoeken zij contact met de NVWA. Ook versturen ze de swabs en monsters van de longen en de hersenen naar WBVR. Daar testen ze deze monsters op aanwezigheid van het vogelgriepvirus. Als laatste vangnet worden achteraf monsters van alle carnivore zoogdieren en aaseters zonder duidelijke tekenen van vogelgriep toch nog getest door het Erasmus MC. Ook verzamelt het DWHC bloed van het dier en bewaart dat voor onderzoek naar antistoffen door WBVR en Erasmus MC. Antistoffen laten zien dat een dier ooit in aanraking is geweest met het vogelgriepvirus, ook als het  op dat moment niet ziek was.

Overspringen op zoogdieren

Volgens patholoog en DWHC-directeur Judith van den Brand is de monitoring van vogelgriep bij zoogdieren essentieel. Vogelgriep is een infectieziekte van vogels, maar het virus kan soms ook overspringen op zoogdieren, onder wie de mens. “Elke keer dat het virus van een vogel in een zoogdier terechtkomt en dit dier infecteert, krijgt het de kans om te veranderen,” zegt Van den Brand. “Juist daarom is het belangrijk om te volgen hoe het virus zich gedraagt.”

Elke keer dat het virus van een vogel in een zoogdier terechtkomt en dit dier infecteert, krijgt het de kans om te veranderen

Het zeer besmettelijke hoogpathogene vogelgriepvirus wordt tot nu toe slechts af en toe gezien bij wilde zoogdieren. In Nederland is het virus aangetoond bij onder meer vossen, bunzingen, steenmarters en zeehonden. Het onderzoek naar antistoffen bij carnivoren liet zien dat besmettingen wel vaker kunnen voorkomen en monitoring dus van groot belang is. In januari zijn voor het eerst in Nederland (en Europa) antistoffen tegen vogelgriep aangetoond bij melkkoeien. Overigens levert dit geen directe risico’s op voor de volksgezondheid, en is de melk na pasteurisatie veilig voor menselijke consumptie.

Verspreiding van zoogdier naar zoogdier is voor zover bekend nog niet aan de orde. Maar juist de eerste signalen van zo’n aanpassing willen de onderzoekers niet missen. Vroege opsporing maakt het mogelijk om mensen die met dieren werken te waarschuwen, veiligheidsrichtlijnen aan te scherpen en de informatie over eventuele virusveranderingen mee te nemen bij de ontwikkeling van vaccins en medicijnen. 

Tekst loopt door onder afbeelding.

Vos

Antistoffen bij de vos

De aandacht van het DWHC richt zich nu in het bijzonder op aaseters en carnivore zoogdieren. Van den Brand: “Dit zijn dieren die karkassen van vogels kunnen eten die besmet zijn met vogelgriep. Dat maakt het een risicovollere groep.” Begin dit jaar werd een vossenonderzoek naar vogelgriep in Friesland afgerond. In opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) onderzochten WBVR en het DWHC vijftig vossen die waren afgeschoten in het kader van beheer en schadebestrijding. Friesland werd gekozen, omdat daar de afgelopen jaren veel vogelsterfte door vogelgriep is vastgesteld.

Bijna de helft van de onderzochte vossen bleek afweerstoffen tegen vogelgriep te hebben. Dat wijst erop dat deze dieren ooit besmet waren met varianten van het vogelgriepvirus. Van den Brand: “Bij twee vossen werd het hoogpathogene virus daadwerkelijk aangetoond in de neus- en keelswabs.  Maar gelukkig is van grootschalige verspreiding onder zoogdieren geen sprake –in elk geval nog niet.”

Nauwe samenwerking

De monitoring van vogelgriep bij zoogdieren krijgt nu een vervolg binnen het Europese onderzoeksproject Strong1H, vertelt Van den Brand. In dat project, geleid door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), werken NVWA, WBVR, Erasmus MC, Royal GD en het DWHC samen. Er wordt onder meer gekeken hoe vogelgriep zich verspreidt van vogels naar wilde aaseters, carnivore zoogdieren en de omgeving. Onderzoekers plaatsten in 2025 tijdelijk camera’s op plekken met vogelsterfte, namen watermonsters, en verzamelden kadavers. Voor beter zicht op de risicofactoren voor infectie met vogelgriep bij aaseters en vleesetende zoogdieren onderzoekt het DWHC in de eerste helft van 2026 samen met deze partners zoveel mogelijk vossen, bunzingen, steenmarters, boommarters, wasbeerhonden, hermelijnen, wezels, wasberen en dassen. Niet alleen dood gevonden dieren, maar ook verkeerslachtoffers en dieren uit de jacht en schadebestrijding. Ook wilde diersoorten van wie de rol bij vogelgriep nog niet goed in kaart is gebracht, worden in het project getest, zoals ratten (Erasmus MC) en wilde zwijnen (WBVR). De bevindingen worden Europees gedeeld.

Van den Brand: “Ik ben erg blij met deze samenwerking. Vogelgriep voorkomen begint met begrijpen. Wilde zoogdieren en aaseters maken geen structureel deel uit van de nationale monitoring, zoals dat bij vogels het geval is. Juist door deze nationale en internationale samenwerking komt er meer inzicht in hoe we de surveillance van vogelgriep bij wilde zoogdieren het beste kunnen inrichten en kunnen we sneller zien of het virus nieuwe stappen zet. En door de samenwerking met zoveel partners en vrijwilligers natuurlijk. Mensen als boswachter Leon Kelder ben ik super dankbaar!”s and we can more quickly see whether the virus is taking new steps. And of course thanks to the cooperation of so many partners and volunteers. I am extremely grateful to people like forest ranger Leon Kelder!”

Tekst: Maarten Post | Beeld: Bas Niemans (onderzoek marter) & iStock (vos)

Rol van Diergeneeskunde bij vogelgriep

De faculteit Diergeneeskunde levert, behalve via het werk van het DWHC, op meer terreinen een bijdrage aan de bestudering van vogelgriep en mogelijke maatregelen.

Insleep in stallen

Onze onderzoekers voerden recent samen met veehouders een praktijkonderzoek uit naar hoe het vogelgriepvirus pluimveestallen kan binnendringen en welke maatregelen op het gebied van bioveiligheid kunnen helpen om het risico op insleep in stallen te beperken. Hiervoor zijn bedrijfsinspecties, gesprekken en vragenlijsten over bioveiligheid ingezet, ondersteund met metingen met onder meer verklikkerstoffen en (wild)camera’s. Dierenarts-epidemiologen werkten nauw samen met plaagdierexperts en deskundigen op het gebied van wilde vogels. Vervolgonderzoek gaat zich richten op belemmerende en motiverende factoren om maatregelen toe te passen op het gebied van bioveiligheid. Daarnaast zijn er plannen om nader onderzoek te doen bij vogelasielen, waaronder het testen van wilde vogels in samenwerking met Erasmus MC.

Monitoring onder katten en honden

We kijken hoe vaak huiskatten en honden in aanraking komen met de zeer besmettelijke variant van vogelgriep (HPAI). In een recente studie werden bloedmonsters van 254 buitenkatten en 538 honden geanalyseerd. Hieruit bleek dat een beperkt deel van de buitenkatten en honden antistoffen tegen het vogelgriepvirus had. Bij onderzoek onder 701 zwerfkatten, had 12% antistoffen.

Fundamenteel onderzoek: virusgedrag ontrafelen

Naast de toegepaste surveillance richt de faculteit zich ook op fundamenteel onderzoek naar vogelgriep en andere infectieziektes door virussen. Dit werk loopt van laboratoriumstudies tot onderzoek naar de dynamiek van infecties tot grootschalige epidemiologische analyses. Door het virus op moleculair niveau te bestuderen en modellen te ontwikkelen voor verspreiding, willen onderzoekers beter begrijpen hoe en waarom ziektes zich kunnen verspreiden. De inzichten in biologische processen leggen een basis voor interventies, hygiëneprotocollen en beleidsaanbevelingen.

Vaccinatie van pluimvee

Vaccinatie van pluimvee tegen vogelgriep is een hot issue. Onze onderzoekers dragen bij aan veldproeven om de effectiviteit van vaccinatie in de praktijk te toetsen op het gebied van klinische bescherming en de uitscheiding en overdracht van virussen. Ook zijn we betrokken bij gesprekken over de ontwikkeling  van adequate surveillance en monitoringsprogramma’s voor gevaccineerde koppels, die cruciaal zullen zijn om handel te kunnen drijven met producten van gevaccineerde kippen.

Advies aan overheid

Wetenschappers van de faculteit Diergeneeskunde adviseren de Nederlandse overheid over vogelgriep en andere dierziektes. Een voorbeeld is prof. dr. Arjan Stegeman, hoogleraar Gezondheid van Landbouwhuisdieren, voorzitter  van de Deskundigengroep Dierziekten. Deze groep experts adviseert het ministerie van LVVN. Bijvoorbeeld als een nieuwe ziekte opduikt en de vraag is hoe groot het risico is voor de diergezondheid in Nederland en welke effectiviteit we mogen verwachten van potentiële maatregelen.

Dit artikel komt uit:

Vetscience nr. 21