"Ik probeer tóch mijn hart te volgen"
Geneeskundestudent Soete Meertens over coschappen lopen vanuit een rolstoel

Soete Meertens is student geneeskunde en heeft een neuromusculaire aandoening, waardoor zij in een rolstoel zit. Door haar handicap moet zij andere hordes nemen dan haar studiegenoten. Nu haar studiefinanciering afloopt, krijgt zij financiële steun van het Rosanna Fonds.
De liefde voor de zorg is voor Soete Meertens al vroeg begonnen. Door haar aandoening kwam ze als kind al vaak in het ziekenhuis: “Het kan voor kinderen traumatisch zijn om op jonge leeftijd veel in een ziekenhuis te komen. Voor mij ook niet altijd leuk, maar ik was vooral onder de indruk. Ik vond het zo’n interessante wereld. Daar is het zaadje geplant.” Toch ging Meertens niet meteen voor geneeskunde: “Na de middelbare school heb ik selectie gedaan voor de opleiding, maar ik werd niet toegelaten. Toen dacht ik: ‘misschien is dit maar beter zo.’ Ik twijfelde erg of ik het wel aan zou kunnen. Mijn opa, die kinderarts is geweest, raadde het me niet af, maar onderstreepte wel hoe zwaar het zou zijn. Uiteindelijk koos ik daarom voor biologie. Dat was een veilige keuze.”
Toch het hart volgen
Toch begon het bij Meertens te knagen toen het einde van haar bachelor in zicht kwam: “De opties die ik had na m’n bachelor voelden allemaal niet goed. Een vriend van me deed onderzoek naar de toegankelijkheid van de universiteit en studeerde zelf geneeskunde. Met hem kon ik goede gesprekken voeren over mijn twijfels. Hij benadrukte dat het geen normale route zou worden, maar een met veel hobbels. Tegelijkertijd gaf hij me het vertrouwen dat die hobbels niet onoverkomelijk zouden zijn. Dat heeft me overgehaald om toch mijn hart te volgen en me opnieuw aan te melden voor geneeskunde. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik voor spek en bonen de selectie zou doen, maar al snel kwam ik er achter hoe graag ik het eigenlijk wilde. Zelfs toen ik te horen kreeg dat ik was aangenomen, stelde ik het accepteren van mijn plek uit tot het laatste moment. Zo sterk twijfelde ik nog over mijn eigen kunnen.”
Voor het leren van praktische handelingen, zoals de aanleg van een infuus of een reanimatie, vraag ik zelf extra oefenmomenten aan. Ik heb gewoon meer tijd nodig om daar handig in te worden.
Die selectie was succesvol, en ondertussen zit Meertens in het vijfde jaar van de opleiding: “Er zijn een paar kleine aanpassingen gemaakt en ik moet hard werken om alle verplichte onderdelen gewoon te halen. Ik volg mijn master parttime om het haalbaar te houden. Daardoor loopt mijn studie nu wel een half jaar uit. Voor het leren van praktische handelingen, zoals de aanleg van een infuus of een reanimatie, vraag ik zelf extra oefenmomenten aan. Ik heb gewoon meer tijd nodig om daar handig in te worden.”
Kleine ongemakken en harde grenzen
Op dit moment loopt Meertens coschappen: “Natuurlijk is een ziekenhuis over het algemeen heel toegankelijk, het is ontworpen voor patiënten in bedden. Maar in werknemersruimtes loop ik nog met regelmaat vast. Dan staat er bijvoorbeeld een printer achter een deur, waardoor ik een scherpe bocht moet maken die eigenlijk niet kan. Ik kom dan meerdere keren op een dag vast te zitten. Ik probeer er om te lachen, maar eigenlijk vind ik het heel frustrerend. Collega’s registreren de ontoegankelijkheid vaak pas wanneer zij een deur voor me moeten openhouden. Daarnaast kan ik niet zoals mijn collega’s telefoneren als ik me verplaats, mijn handen zitten dan aan de rolstoel. Ik kan die momenten van stilte eigenlijk wel waarderen, het is een momentje mindfulness in mijn drukke dagen in het ziekenhuis.”
Naast kleine ongemakken loopt Meertens soms tegen een harde grens aan: “Tijdens mijn coschap op de afdeling gynaecologie werd me duidelijk dat er dingen zijn die ik echt niet kan. Bij een keizersnede heb je bijvoorbeeld heel veel kracht nodig om de buikwand opzij te trekken. Die kracht heb ik simpelweg niet. Toen ik me dat realiseerde, na een operatie te hebben bijgewoond, heb ik staan snikken op de operatiekamer. De arts-assistent reageerde heel begripvol, voor mij was het een moment van rouw. Ik geef het een plekje door er even flink over te huilen en door het te bespreken met naasten. Ik was heel graag gynaecoloog geworden, maar dat gaat simpelweg niet.”
De rolstoel werkt ontwapenend
“Ik heb ook weleens serieus overwogen om te stoppen. Maar wat voor mij steeds weer de doorslag geeft, is het plezier dat ik uit dit vakgebied haal. Ik vind alles leuk. Ik krijg energie van mijn coschappen, het kan mij niet gek genoeg. Daarnaast kan ik van veel specialismen nog niet inschatten of deze haalbaar zijn voor mij of niet: dat moet blijken als ik daar aan de slag ga. Ik kan er eindeloos over piekeren, maar ik weet ook wel dat het geen zin heeft om nu al beren op de weg te zien. Het is misschien naïef, maar ik probeer toch vooral mijn hart te volgen.”
Tegelijkertijd ziet Meertens dat haar rolstoel ook ontwapenend werkt: "Patiënten zien als ik binnenkom natuurlijk meteen dat ik ook ‘iets heb’. Het maakt me meer mens. Daarnaast blijven veel artsen staan als ze overleggen met patiënten, ze lijken haast te hebben. Ik zit al, waardoor ik makkelijker verbinding maak. Het straalt uit: ‘ik neem de tijd voor je’. Ik zie het echt als kracht.” Ze krijgt vaak opmerkingen van patiënten, artsen of mede co-assistenten: “Soms is dat uit ongemak, soms vanuit oprechte bewondering. Aan de ene kant is het fijn als er waardering wordt uitgesproken voor hoe hard ik werk, aan de andere kant is het ook heerlijk als ik gewoon ‘de volgende coassistent in de rij’ ben.”
Mijn rolstoel straalt uit: 'ik neem de tijd voor je'. Ik zie het echt als kracht.
Ik zie mezelf in de toekomst niets anders doen dan arts zijn. Ik heb geleerd dat ik heel goed kan omgaan met het leed en verdriet van patiënten en hun naasten. Je hebt als zorgverlener een rol in iemands kwetsbaarste momenten. Ik krijg er veel energie van als ik op dat moment precies het juiste kan zeggen of doen. Ik had niet verwacht dat ik zo goed zou zijn in het geruststellen van iemand met slechts een paar woorden."
Met de hulp van het ROSANNA Fonds is Meertens een stapje dichter bij de afronding van haar studie: “Doordat ik langer over mijn opleiding doe, loopt mijn studiefinanciering binnenkort af. Ik moet nog anderhalf jaar. Toen ik hoorde dat ik een beurs kreeg van het Rosanna Fonds, viel er een gigantische last van mijn schouders. Met deze bijdrage kan ik het collegegeld van mijn laatste jaar betalen. Daarmee koop ik misschien geen zekerheid voor de toekomst, maar wel tijd en ademruimte.”
Over het ROSANNA Fonds
Het ROSANNA Fonds voor Vrouwen is opgericht door prof. dr. Rosi Braidotti en prof. dr. Anneke Smelik om de academische ontwikkeling van getalenteerde vrouwen aan de Universiteit Utrecht te stimuleren. Hiervoor worden beurzen verstrekt voor collegegeld, buitenlandverblijf of om een dissertatie, artikel of boek af te maken.
Anneke Smelik: “Rosi en ik hebben ons hele leven in de wetenschap gewerkt en weten als vrouwelijke hoogleraren hoe het is om voor je plek te moeten vechten. De vrouwenbeweging heeft ons al die jaren gedragen. Met onze nalatenschap willen we iets teruggeven aan de toekomstige generaties, zowel financieel als intellectueel. We zijn blij dat we al bij leven op deze manier vorm kunnen geven aan onze nalatenschap. We zijn nauw betrokken bij de selectie en beoordelen de aanvragen op basis van cv en motivatie. Het is ontzettend inspirerend om jonge vrouwen met zo’n passie voor wetenschap te kunnen ondersteunen.”
Tekst: Pien Mulder