Het Israëlisch-Palestijns conflict uitgelegd: dit ging aan de Gaza-oorlog vooraf

Tijdlijn: vijf geesteswetenschappers geven uitleg over de geschiedenis en achtergrond van de huidige oorlog tussen Israël en Hamas

Zicht op de Olijfberg in Oost-Jeruzalem. Foto: Adam Kring, via Unsplash
De Olijfberg in het betwiste Oost-Jeruzalem.

Aan de oorlog die Israël in oktober 2023 aan Hamas verklaarde gaat een periode van meer dan honderd jaar onrust en confrontatie vooraf. Dit staat bekend als het Israëlisch-Palestijns conflict. Zonder deze historische context kan de huidige oorlog tussen Israël en Hamas niet worden begrepen. Vijf wetenschappers geven vanuit hun eigen expertise stap voor stap uitleg over de Gaza-oorlog en de geschiedenis en achtergrond ervan.

Vroege ontmoetingen (ca. 1880-1917)

1897: Het eerste Zionistische Congres in Bazel

Theodor Herzl (1860-1904) was de grondlegger van de zionistische beweging. Op 3 september 1897 schreef hij in zijn dagboek: “Als ik het Congres in Bazel in één woord zou moeten samenvatten (…) dan is het: in Bazel heb ik de Jodenstaat gesticht. Als ik dat vandaag de dag hardop zou zeggen zou ik met universeel hoongelach beantwoord worden. Misschien over vijf jaar, maar zeker over vijftig, zal iedereen het inzien.”

Lees verder over het eerste Zionistische Congres in Bazel

Herzl schreef zijn profetische woorden na het eerste Zionistische Congres, dat van 29 t/m 31 augustus 1897 in het Zwitserse Bazel plaatsvond. Dit congres markeerde het formele begin van de Zionistische Organisatie en was tevens de context waarin overeenstemming werd bereikt over een gezamenlijk politiek basisprogramma. De essentie van dit programma was de creatie van een Heimstätte (een ‘thuis’; de voertaal van het congres was Duits) voor het Joodse volk in historisch Palestina, middels Joodse landbouwvestigingen en het stimuleren van een Joods nationaal bewustzijn.

Palestina als locatie voor Joods thuis

Palestina werd toen dus al expliciet genoemd als locatie voor het nationaal Joods thuis – hier liggen immers veel plaatsen die heilig zijn voor joden. De politieke status van het gewenste thuis bleef in deze vroege fase echter nog vrij mild geformuleerd, vooral om de Ottomaanse sultan, die toen over Palestina heerste, niet voor het hoofd te stoten. Ook is het niet zeker dat Herzl zelf Palestina zag als enige locatie voor zijn project. Omdat hij al in 1904 stierf kon hij het verdere politieke verloop van zijn organisatie geen sturing meer geven.

Terugkijkend markeerde 1897 een belangrijk moment in de politisering van het Joods nationaal denken. Tegelijkertijd moet dit belang niet worden overdreven. De Zionistische Organisatie bleef tot na de Holocaust een minderheidsgroepering binnen het Joodse politieke landschap en moet binnen dit bredere kader worden begrepen.

- Laura Almagor

V.l.n.r. Hoessein bin Ali, Mark Sykes, François Picot en Arthur Balfour. Foto's: via Wikimedia Commons (publiek domein)
V.l.n.r. Hoessein bin Ali, Mark Sykes, François Picot en Arthur Balfour.

1915-1917: Drie tegenstrijdige Britse overeenkomsten

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stonden Groot-Brittannië en Frankrijk in het Midden-Oosten tegenover het Ottomaanse Rijk, dat aan de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije vocht. Om de Ottomanen te kunnen verslaan – en om hun eigen belangen in de regio te bevorderen –, sloten de Britten bijna tegelijkertijd drie tegenstrijdige overeenkomsten met drie verschillende partijen.

Lees verder over de drie tegenstrijdige Britse overeenkomsten

Het eerste akkoord sloten de Britten in 1915 met de emir van Mekka, sjarif Hoessein bin Ali (1853-1931). In ruil voor zijn militaire steun zou hij een Arabisch koninkrijk krijgen dat ongeveer, ook al bleven de Britten er bewust vaag over, Irak, Syrië en Palestina zou omvatten. Een jaar later sloten ze het Sykes-Picotverdrag met de Fransen: met het oog op een Ottomaanse nederlaag verdeelden ze het Midden-Oosten alvast onder elkaar. En in 1917 beloofde de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur Balfour (1848-1930), het Joodse volk een ‘nationaal tehuis’ in het inmiddels door de Britten bezette Palestina. Over de Balfourverklaring lees je hieronder meer.

Palestijnen voelen zich bedrogen

Zowel het Sykes-Picotverdrag als de Balfourverklaring stonden haaks op de beloften aan Hoessein bin Ali. Arabieren binnen en buiten Palestina voelden zich bedrogen. Ze waren aan Britse zijde tegen de Ottomanen in opstand gekomen, maar kregen daar in hun ogen veel te weinig voor terug. Blijvend wantrouwen tegen de Europese koloniale mogendheden was het gevolg.

- Peter Malcontent

Het Britse mandaat (ca. 1917-1939)

1917: De Balfourverklaring

Op 2 november 1917 maakte de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur Balfour (1848-1930), bekend dat het Verenigd Koninkrijk zich na de Eerste Wereldoorlog sterk zou maken voor een ‘Nationaal Joods Tehuis’ in Palestina. Verheven idealen speelden hierbij niet zo’n belangrijke rol – politieke eigenbelangen des te meer.

Lees verder over de Balfourverklaring

Er was de Britten veel aan gelegen om ervoor te zorgen dat Sovjetleider Vladimir Lenin (1870-1924) de oorlog tegen Duitsland zou voortzetten na de Communistische Revolutie van 1917. Met de aankondiging van een Joods tehuis in Palestina hoopte Balfour dat invloedrijke communistische Joden Lenin daarvan zouden kunnen overtuigen. Ook dacht Balfour daarmee Joodse lobbygroepen in Washington te stimuleren om er bij de Amerikaanse president Woodrow Wilson (1856-1924) op aan te dringen sneller en meer Amerikaanse troepen naar de slagvelden van Vlaanderen en Noord-Frankrijk te sturen. Balfour overschatte de Joodse invloed op de politieke besluitvormingsprocessen echter schromelijk.

De belofte van een Joods tehuis in Palestina bood Groot-Brittannië bovendien een legitieme reden om dit strategisch gelegen gebied na de oorlog van het Ottomaanse Rijk over te nemen. De Britten realiseerden zich dat een geldig excuus nodig zou zijn om de Amerikanen van een nieuwe uitbreiding van het Britse koloniale rijk te overtuigen.

Ontsteltenis onder zionistische Joden en Palestijnen

Na de Eerste Wereldoorlog gaf de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, Palestina als mandaatgebied in beheer van de Britten, die het vervolgens als een kolonie bestuurden. Makkelijk zou dat niet worden. Zionistische Joden waren teleurgesteld omdat het beloofde Joodse thuisland geen onafhankelijke staat mocht worden. En onder oorspronkelijke Arabische inwoners ontstond onrust die uiteindelijk zou leiden tot de Palestijnse Opstanden.

- Peter Malcontent

De Britse politie drijft een protesterende menigte uiteen in Jaffa (1936). Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
De Britse politie drijft een protesterende menigte uiteen in Jaffa (1936).

1929-1939: De Palestijnse Opstand en de Commissie-Peel

In de jaren 1920 en 1930 ging de zionistische emigratie naar Palestina door, terwijl oppositie hiertegen onder de lokale bevolking groeide. Dit leidde regelmatig tot geweld, zoals in 1929, toen rellen ontstonden na een dispuut over rechten over de Westmuur in Jeruzalem. Arabieren vielen grotendeels niet-zionistische Joden in Jeruzalem en Hebron aan, waarna zionisten in diverse plaatsen Arabieren tot doelwit namen. Hierbij, en bij de Britse poging de situatie weer onder controle te krijgen, kwamen zo’n 250 Joden en Arabieren om.

Lees verder over de Palestijnse Opstand en de Commissie-Peel

Verzet tegen zionistische emigratie

Een belangrijke figuur binnen het Arabische verzet tegen zionistische emigratie was ‘Izz al-Din al-Qassam (1882-1935), een Syrische prediker en strijder. Al-Qassam werd in 1935 in een vuurgevecht met de Britten gedood. Zijn aanhangers doodden het jaar erop twee Joden, die de dag erna werden gewroken toen Joden twee Arabieren doodden. Dit was de aanzet tot de grote Arabische Opstand die van 1936 tot 1939 duurde en werd gekenmerkt door geweld, stakingen en boycots. Tijdens deze opstand kwamen zo’n 5000 Arabieren om, grotendeels als gevolg van Britse pogingen de situatie onder controle te krijgen.

Commissie-Peel: “Een Joodse en een Palestijnse staat”

Om de oorzaken van de opstand te onderzoeken werd in 1936 de Commissie-Peel opgericht, die in 1937 verslag deed. Onderdeel hiervan was een verdelingsplan voor het mandaatgebied Palestina in een Joodse staat in het noorden en noordwesten, een Britse strook van Haifa in het westen tot Jeruzalem in het midden, en een Arabische staat in de rest van het land. Zowel de zionisten als de Arabieren reageerden negatief op het voorstel, maar besloten wel te blijven onderhandelen met de Britten. Vanwege de lokale scepsis – en omdat de Arabische Opstand ook na 1937 doorging – werd het plan, na aanvankelijke acceptatie door de Britse regering, door Londen afgewezen.

- Joas Wagemakers

Van de Shoah tot de Nakba (ca. 1939-1949)

1939-1948: De Shoah en Joodse immigratie naar Palestina

De Shoah, of Holocaust, was de structurele en planmatige moord op ongeveer zes miljoen Europese Joden onder leiding van nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Na de oorlog zag de wereld een van de grootste vluchtelingencrises ooit: naar schatting waren tien miljoen Europeanen ontheemd.

Lees verder over de Shoah en Joodse immigratie naar Palestina

Joodse vluchtelingenkampen

Velen van hen trokken naar hun thuisland, maar een aanzienlijk deel van de vluchtelingen had geen thuis om naar terug te keren. Onder hen waren veel Europese Joden, met nauwelijks of geen overlevende familieleden, die niet konden of wilden terugkeren naar de plekken waar hun niet-Joodse buren hen tot voorkort naar het leven hadden gestaan. Zij werden ondergebracht in kampen in Duitsland, Oostenrijk en Italië, waar ze soms jarenlang moesten verblijven.

Ironisch genoeg waren deze kampen van groot belang voor de zionistische PR-campagne. Beelden ervan gingen de wereld over en David Ben-Gurion (1886-1973), de toekomstige eerste Israëlische premier, bezocht de kampen om de Joden daar ervan te overtuigen dat hun toekomst in Palestina lag. Dit was controversieel, aangezien de Britten, die nog altijd mandaathouders waren, immigratie naar Palestina strikt hadden beperkt. Via de ondergrondse Brichah (‘Vlucht’) vertrokken Joden toch naar Palestina.

Meer internationale support voor Joodse staat

Dit ging niet zonder slag of stoot. In 1947 stuurde de Britse kustwacht bijvoorbeeld het schip de Exodus, waarop vele Holocaustoverlevenden Palestina probeerden te bereiken, met geweld terug de zee op. Deze Exodus-affaire leidde tot wereldwijde afschuw en extra goodwill voor de zionisten.

Naast Joden raakten ook niet-Joodse politici, die vaak eerder geen heil in het zionistische project hadden gezien, overtuigd dat steun aan de zionisten moreel gerechtvaardigd was. Een groot deel van de Joodse vluchtelingen zou uiteindelijk toch in Palestina (en na mei 1948 in de staat Israël) terechtkomen, al emigreerde een eveneens aanzienlijk deel van hen naar de Verenigde Staten, Canada, Australië, Latijns-Amerika en andere delen van de wereld.

- Laura Almagor

Stichting soevereine Joodse staat Israël

De immense catastrofe van de Shoah had een doorslaggevende invloed op de stichting van de Joodse staat in 1948. Tegen oktober 1944 had de Jewish Agency for Israel, opgericht tijdens het zestiende Zionistische Congres in Zürich in 1929, bij de Britse regering aangegeven dat het het transformeren van Palestina tot Joods Gemenebest als doel had. De leiders van de Jewish Agency, waaronder David Ben-Gurion, zagen in het naoorlogse geopolitieke landschap de mogelijkheid om hun politieke ambities te realiseren.

De Jewish Agency streefde naar een soevereine Joodse staat die, vooral in de nasleep van de Holocaust, zou dienen als toevluchtsoord voor Joden van over de hele wereld. In oktober 1945 kwamen Britse beleidsmakers bijeen om het Anglo-American Committee of Inquiry (AACI) op te richten. Tot de ontsteltenis van Arabische en Palestijnse vertegenwoordigers verbond het AACI de zaken aangaande Holocaustoverlevenden expliciet aan de toekomst van Palestina, in plaats van deze los van elkaar te zien. Het AACI pleitte, om zowel humanitaire als politieke redenen, voor de onmiddellijke toelating van 100.000 Joodse overlevenden tot Palestina. Het zag daar een eenheidsstaat voor zich, gebaseerd op de principes van non-dominantie en binationalisme.

- Fabio Cristiano

Het Verdelingsplan van de Verenigde Naties (1947). Bron: Nul00000, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)
Het Verdelingsplan van de Verenigde Naties (1947). Bron: Nul00000, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

1947: Het Verdelingsplan van de Verenigde Naties

Moegestreden door de Tweede Wereldoorlog en nagenoeg bankroet, voelde het Verenigd Koninkrijk zich niet langer in staat de orde in Palestina te handhaven. Zeker niet nu de spanningen er steeds verder opliepen. Joodse zionisten kwamen tegen het Britse bestuur in opstand omdat Groot-Brittannië de immigratie van Holocaustoverlevenden wilde beperken. Palestijnse Arabieren vonden op hun beurt dat de Britten juist te veel migranten toelieten. In 1947 vroegen de Britten de net opgerichte Verenigde Naties zich uit te spreken over de toekomst van Palestina. Het Special Committe on Palestine (UNSCOP) kwam met een betwist voorstel.

Lees verder over het Verdelingsplan van de Verenigde Naties

UNSCOP adviseerde Palestina op te delen in een Joodse en een Palestijnse staat, een plan waar een meerderheid van de Algemene Vergadering zich achter schaarde.

Een Joodse en een Palestijnse staat

Hoe deze tweestatenoplossing ten uitvoer moest worden gebracht bleef echter onduidelijk. De Joodse zionisten konden goed leven met het UNSCOP-voorstel, maar dat gold niet voor de Palestijnse Arabieren en de omliggende Arabische landen. Het verdelingsplan kende namelijk meer dan de helft van Palestina toe aan de zionisten, terwijl de Arabisch-Palestijnse bevolking van Palestina twee keer zo groot was.

De VN-Veiligheidsraad was niet bereid het verdelingsplan met geweld af te dwingen. Een burgeroorlog en, na de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring in 1948, een regionale oorlog waren het gevolg.

- Peter Malcontent

1948: Israëls onafhankelijkheidsverklaring en onafhankelijkheidsoorlog

Op 15 mei 1948 verliep om middernacht het mandaat dat de Volkenbond in 1920 aan Groot-Brittannië had toegekend. Een dag eerder had de Jewish Agency van de Zionistische Wereldorganisatie een onafhankelijk Israël uitgeroepen. David Ben-Gurion (1886-1973) tekende de verklaring als eerste en werd Israëls eerste premier. Tot op het laatste moment werd er echter nog door verschillende zionistische partijen onderhandeld over diverse aspecten van de nieuw te vormen staat.

Lees verder over Israëls onafhankelijkheidsverklaring en -oorlog

Voor de naam van het land lagen bijvoorbeeld nog verschillende opties op tafel. Er werd bewust niet gekozen voor ‘Palestina’, omdat ervan werd uitgegaan dat dit de naam van de toekomstige Palestijnse staat zou zijn. Een ander belangrijk punt van onenigheid was de rol van religie in de fundamentele vormgeving van de nieuwe staat. Communisten wilden hier niets van weten, maar religieuze partijen wilden expliciete verwijzingen naar God. Als leider vond Ben-Gurion een dubbelzinnig compromis, waardoor de staat ook vandaag de dag noch religieus noch seculier van aard te noemen is.

- Laura Almagor

Een man kijkt uit over een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus, Syrië (1948). Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
Een man kijkt uit over een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus, Syrië (1948).

1947-1949: De Palestijnse Nakba en de Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog

Bijna meteen na Israëls onafhankelijkheidsverklaring vielen omringende Arabische landen Israël aan. In deze Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog (1948) trokken de legers van de buurlanden Egypte, Jordanië, Syrië, Irak en Libanon met plaatselijke Palestijnse milities de nieuw-uitgeroepen staat binnen. Ze hadden het voorkomen van de stichting van een Joodse staat als doel en wilden verdere onteigeningen van Palestijnse Arabieren verhinderen. De oorlog had immense humanitaire gevolgen, die tot op de dag van vandaag voelbaar zijn.

Lees verder over de Palestijnse Nakba en de Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog

Vluchtelingen

Naar conservatieve schattingen werden ruim 750.000 Palestijnen verjaagd naar de buurlanden, waar ze terechtkwamen in vluchtelingenkampen. De telkens verhardende Israëlische wetgeving maakte het velen van hen onmogelijk ooit terug te keren. Deze vaak gewelddadige expulsie, die gepaard ging met landonteigeningen en vervolging, wordt in de Palestijnse context de Nakba (‘ramp’ of ‘catastrofe’) genoemd. De Arabische bevolking die in Israël bleef was bovendien verworden tot de Palestijnse minderheid met, zoals zou blijken, een tweederangs status.

Veel Joodse gemeenschappen in landen met een Arabische meerderheid werden ook vervolgd en verdreven. Dat leidde tot hun hervestiging in Israël, waardoor de druk van een groeiende bevolking in de regio nog groter werd.

Resolutie 194 van de Verenigde Naties

Met de bedoeling een oplossing voor de oorlog te vinden, nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1948 resolutie 194 aan. In een van de belangrijkste artikelen hiervan stond dat Palestijnse vluchtelingen naar huis mogen terugkeren. Degenen die ervoor kiezen niet terug te keren moesten een schadevergoeding krijgen. Israël was het hier niet mee eens en wees de resolutie af.

De Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog eindigde met een reeks wapenstilstanden (staakt-het-vuren-akkoorden, geen vredesverdragen). Israëlische troepen waren erin geslaagd de Arabische invasie af te weren en zelfs het Israëlisch grondgebied verder uit te breiden dan de grenzen voorgesteld in het VN-Verdelingsplan van 1947. Het zou de basis blijken voor toekomstige conflicten.

- Simeon Paravantes, Laura Almagor en Peter Malcontent

De regionalisering van het conflict (ca. 1956-1973)

1956: De Suezcrisis (de Tweede Arabisch-Israëlische Oorlog)

De Suezcrisis van 1956 (of Tweede Arabisch-Israëlische Oorlog) werd gevoerd door Israël, Egypte, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Het conflict was ontstaan uit een complex web van regionale spanningen en geopolitieke belangen, en had onvoorziene verreikende gevolgen.

Lees verder over de Suezcrisis (de Tweede Arabisch-Israëlische Oorlog)

In 1952, na de Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog, greep generaal Abdel Nasser (1918-1970) de macht en benoemde zichzelf tot president van Egypte. Hij begon meteen met een moderniseringscampagne. Toen de Verenigde Staten weigerden de bouw van de Aswandam te financieren, deels vanwege Nassers banden met het communistische China en de Sovjets, besloot Nasser in 1956 het Suezkanaal te nationaliseren. Sinds de negentiende eeuw werd deze belangrijke vaargeul tussen de Middellandse Zee en de Rode Zee gefinancierd en beheerd door de Britten en de Fransen.

Israëlisch-Brits-Franse samenzwering

Groot-Brittannië en Frankrijk waren woedend door Nassers nationalisatie, en de Tweede Arabisch-Israëlische Oorlog begon na ondertekening van een geheime overeenkomst tussen hen en Israël. Israël zou Egypte binnenvallen en daarna, onder het mom van de vrede handhaven, zouden de Britten en Fransen hun troepen inzetten om het vechten te stoppen en het Suezkanaal te heroveren om het te ‘beschermen’.

De Israëlisch-Brits-Franse samenzwering verraste de internationale gemeenschap en werd veroordeeld door zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie. Uit angst voor escalatie en de uitbreiding van Sovjet-invloed in het Midden-Oosten zette de Verenigde Staten Groot-Brittannië en Frankrijk onder druk om hun troepen terug te trekken. Ondanks de behaalde militaire overwinning trokken de Britten en Fransen zich vernederd terug, terwijl ook Israël werd gedwongen zich terug te trekken.

Nasser zette de militaire nederlaag om in een politieke overwinning en zag zijn populariteit in het Midden-Oosten toenemen. De oorlog had verregaande gevolgen omdat het het dekolonisatieproces in Afrika en het Midden-Oosten versnelde, de Sovjet-Unie bewoog tot het binnenvallen van Hongarije, en de aanzet werd voor toekomstige conflicten tussen Israël en haar buurlanden.

- Simeon Paravantes

Tijdens hun top in 1964 initieerde de Arabische Liga een organisatie die de belangen van de Palestijnen nog vertegenwoordigen. Dit werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie. Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
Tijdens hun top in 1964 initieerde de Arabische Liga een organisatie die de belangen van de Palestijnen kon vertegenwoordigen. Dit werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie.

1964: De oprichting van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO)

In een poging hun krachten te bundelen richtte de Arabische Liga in 1964 de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) op. De PLO kreeg een Nationale Raad (het parlement), een Uitvoerende Raad (de regering), een handvest, een leger (met eenheden die waren aangesloten bij diverse Arabische legers) en een voorzitter, de Palestijnse diplomaat Ahmad al-Shuqayri (1908-1980). Als zodanig was het eigenlijk een Palestijnse staat in ballingschap.

Lees verder over de oprichting van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO)

Palestijns nationalisme

Tijdens de Eerste Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 was het Palestijnse vluchtelingenprobleem ontstaan. Deze vluchtelingen kwamen veelal terecht in kampen, waar zich een duidelijke en sterke nationale Palestijnse identiteit ontwikkelde. Ook werden hier in de jaren 1950 diverse militante groepen opgericht, waarvan de Palestijnse Nationale Bevrijdingsorganisatie (Fatah) de bekendste is. Deze organisaties pleegden aanslagen op Israël met steun van Arabische landen, maar fungeerden wel als autonome eenheden. Tegelijkertijd geloofden steeds minder Palestijnen dat de Arabische staten hun verloren land voor hen zouden kunnen terugwinnen.

PLO krijgt meer Palestijns karakter

In deze context richtten de Arabische landen in 1964 de PLO op. De militante groepen die in de vluchtelingenkampen waren ontstaan bleven er echter bij weg, omdat die volgens hen eigenlijk Arabisch van aard was en niet Palestijns. Hier kwam verandering in toen de Arabische landen in 1967 de oorlog tegen Israël verloren. Al-Shuqayri werd als voorzitter opgevolgd door de Palestijnse activist en advocaat Yahya Hammuda (1909-2006) en een jaar later scherpte de organisatie het handvest aan en kreeg het document een meer Palestijns karakter.

Met de verkiezingen voor de vijfde Palestijnse Nationale Raad kregen de militante groepen de meerderheid van de zetels en koos men in 1969 Fatah-leider Yasser Arafat (1929-2004) tot voorzitter. Vanaf dat moment werd de PLO een echt Palestijnse koepelorganisatie voor diverse groepen en is dat sindsdien ook gebleven.

- Joas Wagemakers

1967: De Zesdaagse Oorlog (de Derde Arabisch-Israëlische Oorlog)

Voordat de Zesdaagse Oorlog (of de Derde Arabisch-Israëlische Oorlog) begon namen de spanningen tussen Israël en zijn Arabische buurlanden al jaren toe. De opbouw van militaire strijdkrachten en provocaties langs de grenzen van Israël, vooral die met Egypte en het Sinaï-schiereiland, werden uiteindelijk de directe oorzaak van deze oorlog – die het aangezicht van het Midden-Oosten radicaal zou veranderen in slechts zes dagen.

Lees verder over de Zesdaagse Oorlog (de Derde Arabisch-Israëlische Oorlog)

Om de dreiging van hun legers te neutraliseren begon Israël op 5 juni 1967 een preventieve aanval op Egypte, Jordanië en Syrië, gericht op hun luchtmacht en militaire infrastructuur. De Israëlische strijdkrachten behaalden snel luchtsuperioriteit en boekten significante terreinwinst met het gebruik van innovatieve militaire tactieken die tegenwoordig combined arms operations worden genoemd. Met coördinatie op hoog niveau tussen grondtroepen, luchtmacht- en artillerie-eenheden veroverde het Israëlisch leger het Sinaï-schiereiland en de Gazastrook op Egypte, de Westelijke Jordaanoever op Jordanië (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Golanhoogvlakte op Syrië.

Israël wint de oorlog

Op 10 juni leidde de Zesdaagse Oorlog tot een overwinning voor Israël, waarmee het zijn voortbestaan veiligstelde en zijn grondgebied significant uitbreidde. Maar deze terreinwinst had een prijs, met diepgaande implicaties voor het Israëlisch-Palestijns conflict en de verhoudingen tussen de Arabische landen en Israël.

Israël overschreed opnieuw zijn grenzen van 1948, wat leidde tot een nieuwe massa-exodus van Palestijnse vluchtelingen en de verdere opvoering van de spanningen tussen Israël en de Arabische wereld. Terwijl Israël een gevestigde macht werd in het Midden-Oosten, werd de Israëlische bezetting van veroverd terrein een significant obstakel voor vrede in de regio.

Een staakt-het-vuren werd overeengekomen met alle betrokken partijen op 10 oktober 1967, maar de vrede zou niet lang duren. Het Egyptische leger had van deze derde rechtstreekse nederlaag geleerd en veranderde hoe het officieren trainde en bevorderde. Het zou een verandering blijken met verstrekkende gevolgen voor het volgende decennium.

- Simeon Paravantes

De gebieden die Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog heeft bezet (groen). Bron: Zvikorn, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)
De gebieden die Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog heeft bezet (groen). Bron: Zvikorn, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

1967: VN-resolutie 242 over de terugtrekking van Israël uit bezette gebieden

De internationale gemeenschap reageerde resoluut op de Zesdaagse Oorlog en de nieuwe Palestijnse vluchtelingenstromen. Op 22 november 1967 nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) unaniem resolutie 242 aan. In deze resolutie stelde de VN dat het ‘ontoelaatbaar is’ om door middel van oorlog gebieden te verwerven en droeg de raad Israël op zich onmiddellijk terug te trekken uit de gebieden die het tijdens de Zesdaagse Oorlog had bezet. Dit was van belang om tot een langdurige vrede te kunnen komen. De oorlog van 1967 zette het Palestijns vraagstuk opnieuw op de internationale politieke agenda, maar Israël weigerde met de resolutie van de Veiligheidsraad akkoord te gaan.

Lees verder over de VN-resolutie 242 over de terugtrekking van Israël uit bezette gebieden

Militaire bezetting Gaza en Westelijke Jordaanoever

In Gaza en de Westelijke Jordaanoever, gebieden die voor de oorlog van 1967 tot respectievelijk Jordanië en Egypte hadden behoord, woonden van oudsher veel Palestijnen. Met name als gevolg van de Nakba was dat aantal nog verder gegroeid. Dit maakte een volledige inlijving van Gaza en de Westelijke Jordaanoever na de oorlog voor Israël geen optie. Alle inwoners zouden dan Israëlisch staatsburgerschap moeten krijgen en dat zou de identiteit van de Joodse staat Israël ondermijnen.

Israël besloot tot een langdurige militaire bezetting waarmee het de politieke en burgerlijke rechten van de Palestijnen kon beperken. In een periode waarin internationale mensenrechten steeds belangrijker werden, waren de Verenigde Staten en Europa hier niet blij mee. Voor deze belangrijkste bondgenoten van Israël was het een aanleiding om zich wat sterker te maken voor Palestijns recht op zelfbeschikking.

- Peter Malcontent

1973: De Jom Kipoer-oorlog (de Vierde Arabisch-Israëlische Oorlog)

Door de onopgeloste kwesties van de vorige conflicten waren de spanningen in de regio hoog. Dit gaf in 1973 aanleiding tot de Jom Kipoer-oorlog (of de Oktoberoorlog, Ramadanoorlog of Vierde Arabisch-Israëlische Oorlog). Egypte en Syrië wilden verloren terrein heroveren en de militaire superioriteit van Israël uitdagen. En deze keer waren de Israëlische strijdkrachten niet voorbereid op een conflict.

Lees verder over de Jom Kipoer-oorlog (de Vierde Arabisch-Israëlische Oorlog)

De oorlog begon op de voor joden heilige Jom Kipoer-dag en een dag tijdens de voor moslims heilige maand Ramadan. Egypte en Syrië voerden een verrassingsaanval uit op Israëlische strijdkrachten op het Sinaï-schiereiland en de Golanhoogvlakte. Met Egyptenaren die het Suezkanaal overstaken en Syriërs die oprukten in de Golanhoogvlakte, behaalden de aanvallende landen significante terreinwinsten in de eerste dagen van de oorlog.

Israël behoudt controle over veroverde gebieden

Ondanks tegenslagen in het begin mobiliseerde Israël snel zijn strijdkrachten en begon het een tegenoffensief. Israëlische troepen staken het Suezkanaal over naar Egypte en dreven Syrische strijdkrachten terug op de Golanhoogvlakte. Na drie weken van intense strijd ging een staakt-het-vuren, bemiddeld door de Verenigde Naties, in op 25 oktober 1973. De oorlog eindigde met veel slachtoffers aan beide kanten en met Israël die de controle behield over de gebieden die het had veroverd in eerdere conflicten.

De Jom Kipoer-oorlog leidde tot veel internationale betrokkenheid, met zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie in een diplomatieke rol om het conflict proberen te beëindigen. Tegelijkertijd leverden de Verenigde Staten ook militaire hulp aan Israël, terwijl de Sovjet-Unie militaire steun verleende aan de Arabische staten.

De oorlog leidde tot significante veranderingen in de regionale politiek, waarvan de meest significante mogelijk de verandering in het Egyptische beleid was. President Anwar Sadat (1918-1981) gaf Egyptes positie als de leidende Arabische macht in het Midden-Oosten op en besloot het Egyptische beleid te heroriënteren naar hechtere banden met de Verenigde Staten, en uiteindelijk naar vrede met Israël.

- Simeon Paravantes

Manachem Begin (Israël), Jimmy Carter (Verenigde Staten) en Anwar Sadat (Egypte) tijdens Camp David I (1978). Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
Manachem Begin (Israël), Jimmy Carter (Verenigde Staten) en Anwar Sadat (Egypte) tijdens Camp David I (1978).

Palestijns nationalisme en de Eerste Intifada (ca. 1978-1987)

1978-1979: De Camp David-akkoorden (Camp David I)

De Jom Kipoer-oorlog, met zijn eerste tegenslagen en grote verliezen voor Israël, werd gevolgd door intensievere internationale diplomatieke inspanningen. Onder het leiderschap van hun minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger (1923-2023) traden de Verenigde Staten in deze fase op als hoofdbemiddelaar, wat een gemarginaliseerde rol voor de Sovjet-Unie betekende in het vredesproces voor het Midden-Oosten.

Lees verder over de Camp David-akkoorden (Camp David I)

De diplomatieke inspanningen resulteerden in de overeenkomsten die de Camp David-akkoorden worden genoemd, specifiek de twee documenten ‘A Framework for Peace in the Middle East’ en ‘A Framework for the Conclusion of a Peace Treaty between Egypt and Israel’. Alleen het tweede ‘kader’ bracht een formeel vredesverdrag voort met een iconische ondertekeningsceremonie op het gazon van het Witte Huis op 26 maart 1979.

Palestijnen afwezig

De ondertekening ging gepaard met protesten van Palestijnse supporters buiten het terrein. De Palestijnen, destijds vertegenwoordigd door de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO), waren buitengesloten van de onderhandelingen die tot Camp David I hadden geleid. Veel Arabische leiders veroordeelden het streven van de Egyptische president Anwar Sadat (1918-1981) naar een ‘gescheiden vrede’ op Camp David I, waarmee de Palestijnse kwestie werd losgekoppeld van de bredere Arabisch-Israëlische verhoudingen.

- Fabio Cristiano

1982 (en 2006): De Libanonoorlog(en)

De Libanonoorlog van 1982 (de Eerste Libanonoorlog) was een conflict tussen Israël enerzijds en meerdere Palestijnse militante groeperingen en Libanese facties anderzijds. Het doel van Israël was om de strijdkrachten van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) uit Zuid-Libanon te verdrijven, omdat de PLO dat gebied gebruikte als basis voor aanvallen op Israël.

Lees verder over de Libanonoorlog(en)

De aanleiding van dit conflict was de mislukte moordaanslag op Shlomo Argov (1929-2003), de Israëlische ambassadeur in het Verenigd Koninkrijk, door een Palestijnse militante organisatie. Israël reageerde daarop met een militaire aanval op Libanon, waarmee het snel diep doordrong in Libanees grondgebied.

Militaire aanwezigheid Israël in Libanon

De oorlog had significante gevolgen, waaronder het beleg van Beiroet met veel burgerslachtoffers en grote schade aan infrastructuur. Hoewel Israël erin slaagde om PLO-strijdkrachten uit Zuid-Libanon te verjagen, leidde de oorlog uiteindelijk tot een langdurige militaire aanwezigheid van Israël in Libanon (1982-1985) en verdere destabilisering van de regio. Het droeg ook bij aan de opkomst van Hezbollah, een sjiitische militante groep, die een significante kracht in de Libanese politiek zou worden en, tot op deze dag, een vijand van Israël.

Tweede Libanonoorlog

Het conflict barstte weer los in 2006, in de Tweede Libanonoorlog. Deze aanvaring werd veroorzaakt door een aanval over de grens, waarin Hezbollah twee Israëlische soldaten gevangennam en drie anderen doodde. Israël reageerde met een grootschalige militaire operatie om Hezbollah te verzwakken en verdere aanvallen te voorkomen. Het conflict escaleerde snel tot een complete oorlog.

Hezbollah sloeg terug door raketten af te schieten op Noord-Israël, gericht op burgergebieden. Het conflict leidde tot significante dodentallen aan beide kanten, waarbij honderden Libanese burgers en militanten en tientallen Israëlische soldaten en burgers omkwamen. De oorlog duurde 34 dagen voor een door de VN-Veiligheidsraad bemiddeld staakt-het-vuren inging op 14 augustus 2006.

- Simeon Paravantes

Palestijnen protesteren tijdens de Eerste Intifada. Bron: Abarrategi, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)
Palestijnen protesteren tijdens de Eerste Intifada. Bron: Abarrategi, via Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

1987-1993: De Eerste Intifada en de oprichting van Hamas

In de jaren 1980 nam de aandacht voor het Israëlisch-Palestijns conflict af bij zowel Israël en de Arabische wereld als de internationale gemeenschap. In 1987 kwam daar abrupt een eind aan toen een Israëlische chauffeur vier Palestijnen doodreed in de Gazastrook. De vlam sloeg in de plan en de Palestijnen begonnen een opstand die jaren zou duren: de Eerste Intifada.

Lees verder over de Eerste Intifada en de oprichting van Hamas

Israël en bezette Palestijnse gebieden

De onderliggende reden voor de opstand was de Israëlische bezetting, die in 1967 begon en die zich uitte in de bouw van nederzettingen en de onderdrukking van de Palestijnse bevolking.

Net als de Israëlische regering waren ook de leiders van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) door de opstand verrast. Zij verkeerden sinds de Eerste Libanonoorlog van 1982 in een politiek en diplomatiek isolement in Tunis. Daar, in de hoofdstad van Tunesië, waren de leiders ver verwijderd van de door Israël bezette gebieden.

PLO en Hamas

Terwijl Palestijnen zich op grotendeels niet-militaire manier verzetten tegen het Israëlische leger en een eigen leiderschaps- en bestuurscultuur opzetten in de bezette gebieden, probeerde de PLO vat te krijgen op de opstand door gelijkgezinden te bevoordelen en zo het verloop ervan te sturen. Israël kreeg de intifada echter steeds meer onder controle, waardoor dit slechts gedeeltelijk lukte. Bovendien kreeg de PLO in deze periode concurrentie van een nieuwe organisatie: in 1987 werd Hamas opgericht.

- Joas Wagemakers

(De mislukking van) het vredesproces (ca. 1991-2000)

1991: De Vredesconferentie van Madrid

De Camp David-akkoorden van 1978 wierpen uiteindelijk vruchten af op de Conferentie van Madrid in 1991, toen andere Arabische staten en de Palestijnse vertegenwoordigers zich aansloten bij het vredesproces. Een historische ontmoeting vond plaats op 30 oktober 1991, in het Koninklijk Paleis van Madrid, waar een eind werd gemaakt aan langdurige taboes.

Lees verder over de Vredesconferentie van Madrid

Palestijnse aanwezigheid

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker (1930-) betrad nu het diplomatieke pad dat Henry Kissinger (1923-2023) in de jaren 1970 had gebaand. Om Palestijnse deelname mogelijk te maken, moesten wel een aantal constructies worden bedacht. De Israëlische premier Yitzhak Shamir (1915-2012) had namelijk geweigerd om vertegenwoordigers van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) te ontmoeten, terwijl de Palestijnen voor deelname goedkeuring wilden van het PLO-hoofdkwartier in Tunis. Een van de oplossingen was om Palestijnen officieel op te nemen in de Jordaanse delegatie.

Geen doorbraak Israëlisch-Palestijns conflict

Ondanks meerdere gespreksdagen verlieten de delegaties Madrid zonder het behalen van significante doorbraken, op twee symbolische mijlpalen na: het breken van het langdurige taboe van rechtstreeks contact tussen Palestijnen en Israëliërs, en het vaststellen van protocollen voor verdere gesprekken elders. Het duurde nog tot 1993, met een onconventioneel initiatief van hogere PLO- en Israëlische leiders in Oslo, dat er een inhoudelijke doorbraak kwam.

- Fabio Cristiano

Yitzhak Rabin (Israël) en Yasser Arafat (PLO) schudden handen voor het Witte Huis (1993). Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
Yitzhak Rabin (Israël) en Yasser Arafat (PLO) schudden handen voor het Witte Huis (1993).

1993-1995: De (mislukte) Oslo-akkoorden

Op 13 september 1993 ondertekenden de Israëlische premier Yitzak Rabin (1922-1995) en de leider van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) Yasser Arafat (1929-2004) de zogenaamde Oslo-akkoorden. Deze akkoorden waren het resultaat van geheime onderhandelingen in de Noorse hoofdstad Oslo.

Lees verder over de (mislukte) Oslo-akkoorden

Erkenning Israël en Palestijnse autonomie

De Oslo-akkoorden waren gebaseerd op het principe ‘land in ruil voor vrede’. Arafat erkende de staat Israël en Rabin beloofde Palestijnse autonomie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. In 1995 spraken ze af dat de PLO het voorlopige bestuur kreeg over Gaza en bepaalde delen van de Westelijke Jordaanoever. De overige zeventig procent van de Westbank bleef vooralsnog in handen van Israël.

Tweestatenoplossing?

Hoewel de internationale gemeenschap er wel op hoopte, was een tweestatenoplossing – een onafhankelijke Palestijnse staat naast Israël – dus nog niet in zicht. Daarvoor zouden eerst een aantal hete hangijzers moeten worden opgelost, zoals het probleem van de uitdijende Joodse nederzettingen in Palestijns gebied, de toekomstige status van Jeruzalem en het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen.

Tanende populariteit PLO

Veel Palestijnen hadden weinig vertrouwen in het onderhandelingsproces, maar Arafat had geen keus. In 1990 had hij bij zowel de Amerikanen als veel Arabische landen krediet verspeeld door de Iraakse dictator Saddam Hoessein (1937-2006) te steunen bij zijn inval in Koeweit. Ook onder de Palestijnse bevolking was Arafats populariteit tanende. De intifada was niet alleen een protest geweest tegen de Israëlische bezetting maar ook tegen zijn PLO, die sinds haar ballingschap in Tunis iedere voeling met de achterban zou hebben verloren.

Toen Rabin bereid bleek om met Arafat te onderhandelen omdat de intifada hem had geleerd dat het Palestijnse verzet niet met geweld was op te lossen, hapte Arafat daarom toe. Niets doen was geen optie en als hij slaagde zou hij de geschiedenisboeken ingaan als de grondlegger van een onafhankelijke Palestijnse staat, hoe klein die in de praktijk ook zou zijn.

- Peter Malcontent

1995: De moordaanslag op Yitzhak Rabin

Premier Yitzhak Rabin (1922-1995) werd op 4 november 1995 vermoord na een toespraak op een vredesbijeenkomst in Tel Aviv. De Israëlische dader werd direct opgepakt, maar Israël verloor een van de meeste iconische persoonlijkheden uit zijn jonge geschiedenis.

Lees verder over de moordaanslag op Yitzhak Rabin

Onder Rabins leiding behaalde het Israëlische leger tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 een glorieuze overwinning op omliggende Arabische landen. Na het uitbreken van de Eerste Intifada in 1987 werd hij als minister van Defensie verantwoordelijk voor het beslechten van de Palestijnse opstand. Doordat dat met alleen geweld niet lukte, kwam hij tot de conclusie dat vredesonderhandelingen noodzakelijk waren voor de nationale veiligheid van Israël. Met die boodschap wist Rabins Arbeidspartij in 1992 de verkiezingen te winnen. Een jaar later evenaarde hij zijn succes van 1967, door na een decennialange strijd de Oslo-akkoorden met de Palestijnen te sluiten.

Ultraorthodoxe en extreem-nationalistische kritiek

Ultraorthodoxe joden en extreem-nationalistische Westbankkolonisten vonden het echter onbestaanbaar dat de Palestijnen door deze vredesakkoorden niet alleen in Gaza, maar ook op de Westelijke Jordaanoever zelfbestuur kregen. De Westbank was in Bijbelse tijden, in de vorm van de provincies Judea en Samaria, een onlosmakelijk onderdeel van het oude Israël geweest.

Zij zagen Rabin daarom als verrader van de Joodse natiestaat Israël. De Likudpartij van Rabins belangrijkste politieke concurrent, Benjamin Netanyahu (1949-), ging daar vol in mee. Volgens hen vertegenwoordigde Rabins regering geen enkele Joodse traditie of waarde. Op zijn beurt noemde Rabin Netanyahu een leugenaar – hij vond juist dat hij de vredesonderhandelingen geheel naar eigen hand had weten te zetten. De nederzettingenbouw kon doorgaan en als het aan hem lag verkregen de Palestijnen uiteindelijk maar in 30 procent van de bezette gebieden autonomie.

Maar in de inmiddels vergiftigde politieke atmosfeer was de 25-jarige Thorastudent Yigal Amir ervan overtuigd de Joodse natiestaat een grote dienst te bewijzen, toen hij een einde aan Rabins leven maakte.

- Peter Malcontent

Ehud Barak (Israël), Bill Clinton (Verenigde Staten) en Yasser Arafat (PLO) tijdens Camp David II (2000). Bron: via Wikimedia Commons (publiek domein)
Ehud Barak (Israël), Bill Clinton (Verenigde Staten) en Yasser Arafat (PLO) tijdens Camp David II (2000).

2000: De topontmoeting op Camp David (Camp David II)

Ondanks de verslechtering van de Israëlische-Palestijns diplomatieke verhoudingen kenden de 25 jaar na de Oslo-akkoorden (1993-1995) meerdere diplomatieke pogingen om de vredesprocessen nieuw leven in te blazen. De Camp David-top van 2000 bleek echter het begin van een periode van desillusie.

Lees verder over de topontmoeting op Camp David (Camp David II)

De verkiezing van Benjamin Netanyahu (1949-) in 1996 belichaamde de Israëlische teleurstelling in de richting die de Arbeiderspartij was ingeslagen, met name als het ging om het vredesproces. De Arbeiderspartij kwam echter in 1999 opnieuw aan de macht onder het leiderschap van Ehud Barak (1942-). Barak beloofde de Israëlische troepen terug te trekken uit Zuid-Libanon, Rabins visie te handhaven door het vredesverdrag met Syrië te voltooien, en te onderhandelen over de overgebleven permanente-statuskwesties met de Palestijnen.

Nieuwe onderhandelingen Israëliërs en Palestijnen

De daaropvolgende Camp David-top in juli 2000, werd, net als Camp David I, gekenmerkt door hoge spanningen. De opdracht waar Barak en Yasser Arafat (1929-2004) voor stonden was bijna nog uitdagender dan die van 22 jaar eerder: het overbruggen van de kloven tussen de belangrijkste partijen en daadwerkelijk oplossen van de laatste statuskwesties. Onder dat laatste vielen onder andere kwesties rondom vluchtelingen en hun recht op terugkeer, Jeruzalem, grondgebied, grenzen, nederzettingen en veiligheid.

Camp David II duurde vijftien dagen, maar evenaarde het historische succes van 1978 niet. De top eindigde met een lauwe trilaterale verklaring die werd gekenmerkt door goede bedoelingen, maar het was duidelijk dat de inspanningen waren mislukt. Barak en Arafat moesten uit de Verenigde Staten terugkeren zonder duidelijke progressie te hebben geboekt.

- Fabio Cristiano

De Tweede Intifada en zijn nasleep (ca. 2000-2005)

2000-2005: De Tweede Intifada

Tegen het eind van de jaren 1990 werd steeds duidelijker dat het Palestijns-Israëlisch vredesproces, dat was begonnen met de Oslo-akkoorden, geen tweestatenoplossing had opgeleverd. Niet alleen waren Israëls territoriale concessies beperkt gebleven, maar het aantal illegale Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden was ook toegenomen. De desillusie en frustratie onder Palestijnen zorgde ervoor dat het wachten was op een nieuwe uitbarsting.

Lees verder over de Tweede Intifada

Die uitbarsting kwam op 28 september 2000, toen Israëlisch oppositieleider Ariël Sharon (1928-2014) onder begeleiding van een grote politie-escorte een bezoek bracht aan de Al-Aqsamoskee op het Tempelberg in Oost-Jeruzalem, een gebied dat zowel door joden als moslims als heilig wordt gezien.

Aanslagen tegen Israël

Anders dan de Eerste Intifada (1987-1993) was de Tweede Intifada (of Al-Aqsa-intifada) vanaf het begin gewelddadig van aard. Palestijnse oppositiegroepen als Hamas en de Islamitische Jihad hadden tijdens het vredesproces vele aanslagen tegen Israël gepleegd, een middel dat ze nu opnieuw inzetten. In plaats van het gooien van stenen en het organiseren van collectieve acties, zoals tijdens de Eerste Intifada op grote schaal gebeurde door brede lagen van de bevolking, bepaalden militante groepen nu de toon van de opstand. Israël reageerde met het liquideren van prominente leiders van Palestijnse organisaties, wat nog meer kwaad bloed zette. De Tweede Intifada werd dan ook gekenmerkt door vele Palestijnse aanslagen en Israëlische invasies.

Toch waren er ook diverse pogingen om tot een wapenstilstand te komen, zoals in 2003, wat samenviel met een nieuw vredesinitiatief: de Road Map. Dit draaide echter op niets uit. De Al-Aqsa-intifada eindigde dan ook pas in 2005, nadat honderden Israëli’s en duizenden Palestijnen waren omgekomen, toen diverse Palestijnse militante groeperingen in maart van dat jaar een periode van kalmte afkondigden, mede als reactie op de roep hierom vanuit de Palestijnse bevolking.

- Joas Wagemakers

Ariël, een van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Bron: Salonmor, via Wikipedia Commons (CC BY-SA 3.0)
Ariël, een van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Bron: Salonmor, via Wikipedia Commons (CC BY-SA 3.0)

2002-: De Westoeverbarrière en de uitbreiding van Israëlische nederzettingen

Met het oog op de Tweede Intifada en verwijzend naar hernieuwde bezorgdheid over de veiligheid, begon Israël met de bouw van een afscheiding op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem: de Westoeverbarrière, of Israëlische muur. Ook neemt het aantal illegale Israëlische nederzettingen in deze gebieden blijft toe.

Lees verder over de Westoeverbarrière en de uitbreiding van Israëlische nederzettingen

Westoeverbarrière

Met een hoogte van ongeveer 9 meter en een lengte van ongeveer 700 kilometer bij voltooiing, reikt de muur veel verder dan het Israëlische grondgebied zoals gedefinieerd in 1949 (de ‘Groene Lijn’), waardoor Palestijns land op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem illegaal wordt geannexeerd. Doordat hij de Palestijnen daadwerkelijk loskoppelt van Jeruzalem, is de scheidingsmuur te zien als fysiek symbool van de blokkade van een vredesproces.

Israëlische nederzettingen in Palestijns gebied

Coulante wetgeving leidde bovendien tot de uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem. Anno 2024 zijn in bezet Palestijns gebied meer dan 150 nederzettingen te vinden en ongeveer 100 buitenposten (nederzettingen die niet officieel zijn goedgekeurd door de Israëlische regering). Met meer dan 450.000 Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en 220.000 in Oost-Jeruzalem lijkt een tweestatenoplossing onwaarschijnlijker dan ooit.

- Fabio Cristiano

2005: De terugtrekking van Israël uit de Gazastrook

In de nasleep van de Tweede Intifada trok Israël zich in augustus 2005 eenzijdig terug uit Gaza. Meer dan 8000 illegale kolonisten werden onder dwang verhuisd te midden van fel verzet. Internationaal zagen velen deze actie als een eerste stap naar verdere Israëlische terugtrekking en de ontmanteling van nederzettingen in de Westelijke Jordaanoever, waardoor het vredesproces nieuw leven in kon worden geblazen. Maar dat hadden ze mis.

Lees verder over de terugtrekking van Israël uit de Gazastrook

Israël vertrekt (gedeeltelijk) uit Gaza

De Verenigde Naties en verschillende mensenrechtenorganisaties waren Israël blijven zien als bezetter van de Gazastrook en daarom als gebonden aan de verplichtingen van bezettende machten onder internationaal gewoonterecht en de Vierde Conventie van Genève (1949). Met de terugtrekking in 2005 probeerde Israël deze wettelijke verplichtingen te ontlopen, terwijl het nog steeds militaire controle kon behouden over de Gazastrook en haar inwoners.

De Israëlische terugtrekking werd door veel Palestijnen echter (verkeerd) opgevat als triomf van gewapend verzet tijdens de Tweede Intifada, wat bijdroeg aan de daverende overwinning van Hamas in de verkiezingen van januari 2006.

- Fabio Cristiano

Na de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2007 sloot Israël de grens met de Gazastrook af. Het verlaten en betreden van Gaza is sindsdien heel moeilijk. Foto: Rob Pierson, via Wikimedia Commons (CC BY 2.0)
Na de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2007 sloot Israël de grens met de Gazastrook af, met ernstige humanitaire gevolgen. Foto: Rob Pierson, via Wikimedia Commons (CC BY 2.0)

De Gaza-oorlogen (ca. 2006-)

2006-2007: De verkiezingsoverwinning van Hamas en de Israëlische blokkade

In 2006 hield de Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA of PA) parlementsverkiezingen. Hamas, dat buiten de regio bekendstond om haar zelfmoordaanslagen op Israëlische burgers, won een absolute meerderheid aan zetels. Internationaal was de schok groot, maar lokaal was men minder verrast.

Lees verder over de verkiezingsoverwinning van Hamas en de Israëlische blokkade

Palestijnen kenden Hamas ook vanwege haar liefdadigheid, sociale voorzieningen en medische zorg. Daarnaast had de organisatie een slimme verkiezingscampagne gevoerd die niet alleen toonde dat Hamas een competente groep was, maar waarin de organisatie zich ook had afgezet tegen het corrupte beleid van de PNA. Zo bezien was Hamas’ verkiezingsoverwinning minder verrassend.

Internationale gemeenschap zet samenwerking stop

Voor Israël, de Verenigde Staten en de Europese Unie was de verkiezingswinst van Hamas echter reden om samenwerking met de PNA, die nu door Hamas geleid zou gaan worden, stop te zetten tot de organisatie Israël zou erkennen en geweld zou afzweren. Omdat Hamas – met een beroep op de nog immer voortdurende Israëlische bezetting – dit weigerde te doen, probeerde de internationale gemeenschap een vredespartner te zoeken in het oude Palestijnse leiderschap dat de verkiezingen verloren had. Voor Hamas was dit echter een ondemocratische klap in het gezicht.

Hamas krijgt macht in Gaza, Palestijnse Nationale Autoriteit op Westelijke Jordaanoever

Toen ook de zittende Palestijnse leiders Hamas niet accepteerden, ontstond een gewapende strijd die erin resulteerde dat Hamas in de Gazastrook aan de macht kwam en het oude leiderschap van de PNA de macht behield in de Westelijke Jordaanoever. Dit is tot op de dag van vandaag het geval.

- Joas Wagemakers

2008-2014: De Gaza-oorlogen

De Gaza-oorlogen (2008-2014) verwijzen naar een reeks van drie militaire confrontaties tussen Israël en Palestijnse militante groepen in de Gazastrook, met name Hamas.

Lees verder over de Gaza-oorlogen

Gazaoorlog 2008

De oorlogen begonnen op 27 december 2008 met de Israëlische Operatie Cast Lead, als reactie op toegenomen raketaanvallen van Hamas en andere militante groepen vanuit Gaza op Israëlisch grondgebied. Israël voerde een grootschalige militaire operatie uit, waaronder luchtaanvallen en een grondoffensief, gericht op infrastructuur en militanten van Hamas.

Dit conflict van drie weken leidde tot significante aantallen slachtoffers onder zowel Palestijnse burgers als militanten, en ook schade aan de infrastructuur in Gaza. Het eindigde op 18 januari 2009 met een staakt-het-vuren bemiddeld door Egypte. Israël beweerde dat het haar doelen had behaald om raketaanvallen uit Gaza te verminderen, terwijl Hamas een morele overwinning uitriep om het verzet tegen het Israëlische leger.

Gazaoorlog 2012

Het conflict brak opnieuw uit in november 2012, toen Israël Operatie Pillar of Defense begon als reactie op raketaanvallen door Palestijnse militanten uit Gaza. Het Israëlische leger voerde luchtaanvallen uit op Hamas-infrastructuur en -leiders, waaronder de moordaanslag op de militaire commandant van Hamas Ahmed Jabari (1960-2012).

Deze oorlog duurde acht dagen en leidde tot slachtoffers aan beide kanten, waaronder burgerdoden en significante schade aan infrastructuur in Gaza. Een tweede staakt-het-vuren bemiddeld door Egypte en de Verenigde Staten werd overeengekomen op 21 november 2012, wat een tijdelijk eind maakte aan de vijandigheden.

Gazaoorlog 2014

De laatste oorlog van deze periode begon in juli 2014, na een escalatie van vijandigheden tussen Israël en Hamas, door de ontvoering van en moord op drie Israëlische tieners en de daaropvolgende moord op een Palestijnse tiener ter vergelding. Israël begon Operatie Protective Edge, een grootschalige militaire operatie om raketaanvallen uit Gaza te stoppen en de tunnels te vernietigen die Hamas gebruikte om Israëlisch grondgebied te infiltreren.

Na vijftig dagen eindigde het conflict op 26 augustus 2014 met een derde staakt-het-vuren bemiddeld door Egypte. De strijd was gepaard gegaan met intensieve luchtaanvallen door Israël, grondinvasies in Gaza en raketaanvallen door Palestijnse militanten op Israëlische steden. De oorlog leidde tot veel slachtoffers, met meer dan 2100 gedode Palestijnen (vooral burgers) en significante schade aan infrastructuur in Gaza. Aan de Israëlische kant kwamen 67 soldaten en zes burgers om.

- Simeon Paravantes

2023-: Een nieuwe Gaza-oorlog

Op zaterdag 7 oktober 2023 lanceerde de Palestijnse beweging Hamas een grootschalige en uiterst gewelddadige aanval op Israël, met meer dan 250 gijzelaars en 1100 doden als gevolg. Israël reageerde met niet aflatende bombardementen en een destructieve invasie, die inmiddels het leven van tienduizenden burgers heeft gekost. Een oplossing voor het jarenlange conflict lijkt nog niet in zicht.

Lees verder over de nieuwe Gaza-oorlog

Internationaal Strafhof en Internationaal Gerechtshof

Deze nieuwe Gaza-oorlog heeft de gemoederen internationaal flink opgeschud. In mei 2024 vaardigde het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag arrestatiebevelen uit tegen de Israëlische premier Benjamin Netanyahu (1949-), de Israëlische minister van Defensie en verschillende hooggeplaatste Hamasfiguren wegens vermeende misdaden tegen de menselijkheid tijdens en na 7 oktober 2023. Het andere Hof in Den Haag – het Internationaal Gerechtshof (ICJ) – had Israël al bevolen alle mogelijke maatregelen te nemen om daden die in strijd zijn met het Genocideverdrag van 1948 te voorkomen.

- Peter Malcontent en Fabio Cristiano

Lees ook ‘Israël is in oorlog met Hamas: wat is er gebeurd en hoe gaat het verder?’