29 mei 2019

“Er zijn historische verschillen, maar we staan voor dezelfde uitdagingen”

Paul en Annick bij de lancering van de eerste editie LinC Lage Landen, geopend door de minister van Cultuur

Aankomende september start de tweede editie van het programma Leiderschap in Cultuur Lage Landen (LinC LL). Een eenjarig leerprogramma voor en door leiders in de culturele sector in Vlaanderen en Nederland. Een succesvol initiatief waarbij Paul Adriaanse vanuit de Universiteit Utrecht en Annick Schramme vanuit de universiteit Antwerpen/Antwerp Management School de aanjagers zijn.

Hoe ontstond Leiderschap in Cultuur Lage Landen?

Paul: “Het Leiderschap in Cultuur programma ontstond in eerste instantie in Nederland uit de bezuinigingen van Zijlstra in 2011. Hij besloot een miljard rijksgeld voor cultuur terug te brengen naar 800 miljoen. Tegelijkertijd wilde hij het veld niet in de kou laten staan, maar een nieuw perspectief bieden. Onderdeel van zijn plannen was het opzetten van een programma om nieuwe cultureel leiders op te leiden. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kwam met een aanbesteding waar 11 consortia zich op inschreven. Uiteindelijk kregen wij de eer dit programma 4 jaar lang met subsidie van het ministerie op te zetten. Een groot succes. We hebben in die tijd 140 leiders op kunnen leiden, maar hadden wel 900 aanmeldingen. Kortom veel druk om ook wanneer de financiering zou stoppen door te gaan. De samenwerking met Vlaanderen begonnen we al in het derde jaar te verkennen. De hele aanloop heeft ons zeker twee jaar gekost. Met vallen en opstaan. Ik ben wel tien keer naar Brussel en Antwerpen gegaan om daar te praten met de overheden. En Annick is vaak naar Nederland gekomen om hier mensen te overtuigen van het belang van dit programma.”

“In de cultuursector kijken we vaak te veel naar binnen. Juist door over dat muurtje te kijken naar een land dat qua cultuur en politieke landschap verschilt van wat je kent, kun je leren.”

Annick:” Ik zag onmiddellijk dat een Vlaams Nederlands programma een enorme meerwaarde zou kunnen hebben. In de cultuursector kijken we vaak te veel naar binnen. Juist door over dat muurtje te kijken naar een land dat qua cultuur en politieke landschap verschilt van wat je kent, kun je leren. Dat we wel dezelfde taal spreken maakt het extra uniek omdat we -ondanks de culturele verschillen- wel heel erg diep de discussie aan kunnen gaan. Vanuit mijn achtergrond als lid van de Raad voor Cultuur in Nederland en voorzitter van het Europees netwerk voor Cultuurmanagement en beleid (ENCATC) was ik erg betrokken bij dit initiatief en nodigde ik Paul destijds uit om te komen vertellen over leiderschap. Al snel ontstond toen het schitterende idee om het samen te gaan doen. ”

Paul:” September 2018 was vervolgens de eerste Vlaams Nederlandse editie. Dit najaar start de tweede versie alweer. Het is mooi om te zien dat het nu écht gelukt is. Vaak blijven samenwerkingen tussen twee landen steken in goede bedoelingen. Het feit dat er twee universiteiten (de Universiteit Utrecht en Universiteit Antwerpen/Antwerp Management School) als motors achter dit project staan heeft daarbij enorm geholpen.”
 

“Leiderschap gaat eigenlijk over drie dingen: operationele excellentie, innovatief ondernemerschap en het kunnen formuleren van een nieuw narratief.”

Waar gaat het programma over?

Paul:” We leiden leiders in de culturele sector op. Van deelnemers verwachten we dan ook dat ze naast voldoende werkervaring een toonaangevende positie binnen een culturele instelling hebben. Leiderschap gaat eigenlijk over drie dingen: operationele excellentie, innovatief ondernemerschap en het kunnen formuleren van een nieuw narratief. We laten deelnemers nadenken over de grote vragen in de sector. Dat doen we op een manier waarbij we niet alleen in een onderwijssetting verhalen vertellen, maar we deelnemers ook echt van elkaar laten leren. We staan middenin het veld en pakken vraagstukken gezamenlijk aan.”

Annick: ”Daarbij is er veel wisselwerking tussen de ambassadeurs van het programma en de overheden. Ambtenaren verschijnen bijvoorbeeld regelmatig in paneldiscussies en zijn onderdeel van de stuurgroep. In Vlaanderen zijn wij zelf met het idee voor dit programma richting de overheid gestapt. We hadden een liberale minister die de sector opriep  om zelf op zoek te gaan naar aanvullende financiering. Dat vergt leiderschap. Op die manier moet je altijd zelf zoeken naar hoe iets kan aansluiten bij het gevoerde beleid.”

Paul:” Daar zie je meteen een mooi voorbeeld van een verschil tussen het Vlaamse en Nederlandse politieke landschap. In België zie je verder ook dat wanneer de minister vertrekt, zijn kabinet ook vertrekt. Dat betekent dus ook dat die politiek inhoudelijk met een andere agenda gaat werken. In Nederland hebben we de ambtenaar als vierde macht, dat heb je in België dus minder. Tegelijkertijd zie je in Nederland dat de verwevenheid van ambtenaren met het culturele veld behoorlijke ongezonde vormen aan kan nemen. Ambtenaren zijn hier soms halve fans van wat instellingen doen.”

Zijn er nog meer verschillen tussen Nederland en Vlaanderen?

Annick: “Nederland is vanuit de Angelsaksische historie en zijn koopmansgeest meer ontwikkeld op het gebied van innovatief ondernemerschap en heeft een wat onafhankelijkere positie in de wereld, terwijl het kleinere Vlaanderen door de geopolitieke ligging toch meer een spons is voor internationale invloeden. Cultuur was vanuit de Vlaamse traditie meer ingebed in de opvoeding. Doordat er in Vlaanderen minder gestuurd wordt van overheidswege, kan creativiteit meer openbloeien. Wij hebben in Vlaanderen ook een unieke positie met onze master cultuurmanagement. Hierdoor hebben we veel kennis over cultureel management opgebouwd. Net als dat we veel onderzoek hebben gedaan naar hoe de sector in ons land en andere landen werkt. In Vlaanderen leunt de cultuursector nog dicht aan bij de overheid. Hierdoor is er mogelijk ook meer politiek draagvlak voor cultuur dan in Nederland. Tegelijkertijd schuilt daar weer het gevaar in van politisering van raden van bestuur en politieke inmenging. In Nederland huldigt men het ‘Thorbecke principe’ en wil men niet dat de politiek zich te veel met de inhoud bemoeit. De afstand met de politiek is hierdoor groter. Zo is het in Nederland beter geregeld op het gebied van musea. Wij kunnen veel leren van de manier waarop die daar verzelfstandigd zijn. Kortom twee kanten van dezelfde medaille. Je bent anders vanuit de geschiedenis, maar je staat wel voor dezelfde uitdagingen.”

 

“We willen door middel van dit programma de luiken van de sector als het ware openzetten en laten zien dat bijvoorbeeld vraagstukken die in de zorg spelen rondom medische afwegingen en waar een medisch directeur mee worstelt, heel erg lijken op de afwegingen die een artistiek directeur moet maken.”

Paul:” Vlaanderen heeft minder legitimatie issues dan wij in Nederland. In Nederland zie je de laatste jaren toch (meer dan in Vlaanderen) dat we onder druk van de schaarser wordende publieke middelen moeten verantwoorden waarom er geld naar de culturele sector zou moeten gaan. Het is bijna een regel dat op het moment dat we maatschappelijk veel opbrengsten terugzien van ons maatschappelijk geld, we het belang groot percipiëren. Wat in zo’n geval weer leidt tot een toenemende autonomie van de professional. In Nederland heeft de cultuursector een goed verhaal nodig om publiek geld te krijgen. De narratief over je sector moet je zelfbewust brengen aan de hand van voorbeelden. Je moet aansluiten op maatschappelijke ontwikkelingen en daar statements in (durven) maken. Ik denk dat we in Nederland heel goed zijn in het positioneren van de cultuursector rondom andere maatschappelijke thema’s in het publieke veld. We willen door middel van dit programma de luiken van de sector als het ware openzetten en laten zien dat bijvoorbeeld vraagstukken die in de zorg spelen rondom medische afwegingen en waar een medisch directeur mee worstelt, heel erg lijken op de afwegingen die een artistiek directeur moet maken. En ook met de rechterlijke macht zijn er parallellen. De onafhankelijkheid van de rechtelijke macht lijkt bijvoorbeeld weer heel erg op de onafhankelijkheid en de autonomie die artiesten willen.”

Kunnen jullie een voorbeeld noemen van een vraagstuk waar LinC’ers over nadenken?

Paul: “Een van de vraagstukken waar we in de opleiding bijvoorbeeld over nadenken is de fair practice code. De fair practice code roept instellingen op om de zelfstandigen die ze inhuren fatsoenlijk te betalen. Wat je namelijk zag was dat er veel geld in het product werd gestopt, maar dat zzp’ers onderbetaald werden. Soms zelfs in de vorm van stages en onder het mom van geen geld en voor jou tien anderen. Dit is een race naar de bodem die we uit andere sectoren kennen, maar uit de cultuursector zeker. Het instellen van een code is een nobel streven, maar het roept allerlei problemen op. De rekening voor het goed kunnen betalen van mensen zal immers ergens neergelegd moeten worden. De reflex in de sector is dat er naar de overheid gekeken wordt om er geld bij te doen, maar daar is gezien het steeds rechtser georiënteerde politieke landschap eigenlijk geen draagvlak voor. Dat betekent dat je als instelling gedwongen wordt je productie omlaag te doen en er discussie gevoerd zal moeten worden over het wel of niet produceren van minder cultuur zodat de mensen die werkzaam zijn in de sector wel fatsoenlijk betaald kunnen worden.”

“We zoeken naar manieren om creatievelingen sterker te kunnen maken in een vrij competitieve wereld.”

Annick: “In Vlaanderen hebben we geen fair practice code, maar zijn we op onze manier ook bezig met de positie van de kunstenaar. We zoeken naar manieren om creatievelingen sterker te kunnen maken in een vrij competitieve wereld. Het belang van de creatieve economie zal alleen maar toenemen en de positie van de kunstenaar moet hierin gevrijwaard worden. Maar dat gaat niet vanzelf. Dat zal wel gefaciliteerd moeten worden. En wie weet is die fair practice code ook interessant voor Vlaanderen. We kunnen leren van de kinderziektes waar Nederland tegenaan loopt en wij treffen  op onze manier weer nieuwe aangepaste maatregelen. ”
Wat is de grootste meerwaarde van dit programma?

Paul: “Deelnemers zien elkaar op de zogenaamde ‘labdagen’ en gaan daarna gemengd aan de slag met de interventures. Dit is een samensmelting van interventie en avontuur waarin we leiders uitdagen te experimenteren met andere vormen van leiderschap dan ze gewend zijn. We creëren hierbij een gemengde learning community. Zowel op het gebied van waar deelnemers geografisch vandaan komen als in war voor sector ze precies werkzaam zijn.”

Annick: “Aangezien ze het geleerde meteen toepassen op hun eigen praktijk heeft het onmiddellijk effect op de organisatie. En in bredere zin op de gehele sector. Bovendien ontstaat er door het programma een waardevol netwerk voor de toekomst. Dat grensoverschrijdende effect en de duurzaamheid van wat er opgebouwd wordt, daar ligt toch wel de grootste meerwaarde.”

----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Drs. Paul Adriaanse is programmadirecteur van executive onderwijs binnen de faculteit REBO van de Universiteit Utrecht en programmaleider van zowel LinC Utrecht als LinC Lage Landen. Daarnaast is hij als bestuurder actief in het Utrechtse cultuurveld.
Annick Schramme is naast hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen/Antwerp Management School, programmaleider van LinC Lage Landen. Tevens is ze lid van de Raad voor Cultuur in Nederland geweest en voorzitter van het Europees netwerk voor Cultuurmanagement en Cultuurbeleid geweest (2013-2017). Momenteel is ze nog lid van diverse raden van bestuur en adviesraden in Vlaanderen, Nederland en Europa.
Inschrijven voor de tweede editie van LinC Lage Landen die in het najaar van 2019 start, kan nog tot 1 juni.