Een kijkje in het leven van 88 studenten uit de jaren ’50
Blog: Dorsman doet een boekje open
Als historicus moet je soms geluk hebben. Een collega op het Science Park mailde me dat ze een map met ingevulde vragenlijsten van 88 studenten uit 1956 en 1957 uit een papiercontainer had gered. Tweezijdig ingevulde formulieren van studenten Wis- en Natuurkunde die nog geen jaar tevoren de middelbare school hadden verlaten. Compleet met aangehechte pasfoto en een massa vragen die we tegenwoordig niet meer mogen en willen stellen. Zo gaat dat vaak met archiefmateriaal, niet zelden blijft het door toeval bewaard.
De katholieke kant van Wis- en Natuurkunde
Het is fascinerende lectuur. Je leert welke gezelligheidsvereniging populair was (Veritas) en waarom sommige studenten geen lid van een vereniging werden (“principieel nihilist” of “het gaat er te ruw los”). Opvallend is dat 60 procent verenigingslid was en nog eens 10 procent overwoog dat later toch te worden.
Minder dan een derde van de studenten beschouwt zich niet religieus of vulde niks in. Maar meer dan de helft van de studenten kwam uit Brabant, Limburg of Oost-Nederland en 45 procent van de studenten geeft aan Rooms Katholiek te zijn. Dat verklaart ook de liefde voor het katholieke Veritas. Zou Wis- en Natuurkunde stiekem een katholieke studie zijn?
Van financiën tot postzegelverzamelingen
Ook werd er uitgebreid naar de financiën van de studenten geïnformeerd. Iets meer dan de helft van de respondenten studeerde met een beurs, soms aangevuld door een bedrijfsfonds (Philips) of een provinciale beurs.
Sommigen vermeldden: “vader betaalt”. Eén student gaf op dat “moeder betaalt”. Van een voorschot van rond de tweeduizend gulden werd gezegd dat je “er wel mee komt”, omdat de “kamers niet duur” waren. Maar bij een beurs van 750 gulden moest iemand kranten rondbrengen, om de eindjes aan elkaar te knopen.
De studenten wordt ook gevaagd hoe vaak ze naar huis gaan. De meesten één keer per drie à vier weken, behalve een studente van Goeree-Overflakkee. Zij ging alleen tijdens de vakanties naar huis, maar ze moest dan ook met trein, bus, regionale tram en boot. Typerend voor de stereotype taakverdeling van die tijd is dat zij wat studievertraging had opgelopen, omdat ze twee maanden niet had kunnen werken: ze had “het gezin thuis verzorgd”.
Hobby’s hadden ze ook. Die pasten in zekere zin bij hun studiekeuze zoals techniek, schaken en muziek. Eén muzikale student is later heel bekend geworden met een website die uitgebreide informatie gaf over alle Bach-cantates. Maar ook sport stond hoog genoteerd. Twee studenten verzamelden postzegels. Zijn er nog eerstejaars die postzegels verzamelen?
Vragenlijsten passen in de naoorlogse tijd
Maar waarom werden al deze gegevens eigenlijk gevraagd? Waarom wilde de vakgroep Wis- en Natuurkunde weten wat de “Maatsch. positie van het gezin” was? En hoe de “onderlinge verhouding” tussen broers en zussen was? Aan de verschillende handschriften op hetzelfde formulier te zien, lijkt het erop dat aan de hand van het formulier een gesprek volgde, maar ik heb verder nog geen concrete achtergrondinformatie gevonden over deze vragenlijsten. Ze passen wel in een heel specifieke ontwikkeling in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.
Na de oorlog ontstond aan de universiteiten meer en meer het besef dat studenten te vaak aan hun lot werden overgelaten. Of ze tentamens deden of de colleges volgden, was allemaal hun eigen verantwoordelijkheid. Een zieke student kon aan de universiteit nergens terecht. Niemand keek eigenlijk naar ze om. Daarom werd aan de Utrechtse universiteit in 1951 iemand aangesteld die eigenlijk alles in een was: sociaal werker, studie-adviseur, studentendecaan en vertrouwenspersoon.
Een zieke student kon aan de universiteit nergens terecht. Niemand keek naar ze om.
Een poging om uitval van studenten te voorkomen
Tegelijkertijd werden in diezelfde tijd ook discussies gevoerd over de selectie van studenten, vaak bedoeld om uitval te voorkomen. Binnen deze ontwikkelingen passen de formulieren van de eerstejaars Wis- en Natuurkunde perfect. Een deel van de vragen aan de achterzijde van het formulier wijst ook in die richting. Het gaat dan om vragen als: “Beantwoordt studie aan de voorstelling daarvan?” En of er studieachterstand was, en wat in de studie makkelijk was en wat moeilijk.
Dat was vooral ook omdat deze studie breed begon met vakken Wiskunde, Natuurkunde en Sterrenkunde. Na het eerste jaar moest in een stelsel van hoofd- en bijvakken een eerste specialisatie gekozen worden en het laat zich raden dat de ingevulde formulieren daarbij een rol speelden.

Niet iedereen was fan van studentenselectie
Maar er was ook kritiek op het fenomeen ‘studentenselectie’. De Utrechtse hoogleraar psychotechniek David van Lennep was de grondlegger van de beroepentest in Nederland. Hij was er niet zo voor.
Zo schreef hij in 1961: “Iedere probleemstudent vertegenwoordigt een variant dat in wezen altijd op hetzelfde neerkomt, namelijk dat ze hun eigen leven geen vorm kunnen geven (…). Ze verstrikken zich in erotische avonturen die op niets uitlopen, of verliezen zich volkomen in de onrealiteiten van dagdromen.”

Leraren van de toekomst
Aan het eind van het formulier werd ook gevraagd naar het beroepsperspectief. Een boeiende vraag omdat juist vanuit Utrecht de hoogleraar Hans Freudenthal bezig was met de hervorming van het wiskundeonderwijs op de middelbare scholen. Hij zou er beroemd en berucht mee worden.
Het is dan ook interessant om te zien dat bijna veertig procent van de eerstejaars zich al als toekomstig leraar zag. En dat in een tijd waarin het leraarschap niet altijd even hoog stond aangeschreven. Zoals het in een van de formulieren staat: “Student heeft veel kwaads gehoord over leraarschap, maar vindt het eigenlijk wel een mooi vak.” En zo is het!
Deze unieke persoonlijke formulieren gaan naar het universiteitsarchief in Het Utrechts Archief, waarin ze vallen onder de bestaande AVG-regels.
Dorsman doet een boekje open
Van de duizenden mensen die bij de Universiteit Utrecht werken en studeren, weten steeds minder iets over de geschiedenis van deze instelling. Dat kan beter. Leen Dorsman was tot 1 augustus 2022 hoogleraar Universiteitsgeschiedenis. Op UU.nl vertelt hij maandelijks iets wat je wilt of moet weten over de lange geschiedenis van de universiteit.