20 mei 2019

Kunsthistoricus Eva-Maria Troelenberg over de kunstdocumentaire

De mythe van de grote kunstenaar

In de nieuwe documentaire Christo: Walking on Water zien we de beroemde kunstenaar Christo werken aan The Floating Piers, een grootschalig project op het Italiaanse Iseomeer. Daarbij ontstaat het beeld van een dwarse kunstenaar. Naar aanleiding van het uitbrengen van de documentaire spreken we met prof. dr. Eva-Maria Troelenberg (Kunstgeschiedenis) over de film en over de groeiende populariteit van de kunstdocumentaire in het algemeen.

De kunstenaar als profeet

Waarom kijken we zo graag naar documentaires over kunstenaars? “Het aan het werk zien van een artiest geeft ons het gevoel dat we deelgenoot worden van een geheim en iets unieks zien ontstaan. Een idee dat samenhangt met het idealistische concept van kunst als een individuele, authentieke creatie en de kunstenaar als een soort van profeet. Bij Christo: Walking on Water zit dat ook in de subtitel Walking on Water, aldus Troelenberg. Maar, zegt ze, “we moeten niet vergeten dat het kijken naar leven en werk van een kunstenaar door een analytische lens, in de kunsthistorie al bestaat sinds Vasari in 1568 zijn Vite schreef [red: Vasari’s Vite is één van de beroemdste vroege kunsthistorische teksten, met daarin biografieën van beroemde Italiaanse kunstenaars].

 

Dat canoniseren van kunstenaars -vaak wel de gevestigde, commercieel succesvolle mannelijke namen- krijgt nu enkel vorm in een ander medium: de artiesten-documentaire
Prof. dr. Eva-Maria Troelenberg. Foto: Ed van Rijswijk

Verheven boven het alledaagse leven

In de documentaire zien we Christo flink uithalen tegen mensen van zijn team en gemeentemedewerkers, wanneer veel van zijn ideeën praktisch niet haalbaar blijken te zijn vanwege veiligheidsvoorschriften. “Wat in deze documentaire duidelijk wordt is het idee van Kunst als vrijbrief voor een agressieve, koppige houding- waarbij de ideeën van de kunstenaar botsen met de praktische kanten van de echte wereld en de realiteit. Dit lijkt verband te houden met een geïdealiseerd beeld van kunst, dat onafhankelijk wordt geacht te zijn van, of zelfs verheven boven het alledaagse leven.”

The Floating Piers at the island of San Paolo, by Christo and Jeanne-Claude. Bron: Wikimedia/NewtonCourt
The Floating Piers at the island of San Paolo, by Christo and Jeanne-Claude. Bron: Wikimedia/NewtonCourt

Kunstdocumentaires in musea

Is het zo dat veel kunstdocumentaires de nuance voorbijgaan en bijdragen aan deze mythologisering? Volgens Troelenberg valt dat wel mee: “Dat beeld kan ontstaan als men denkt dat mensen alleen geïnteresseerd zijn in het idee van De Grote Meester. Deze problematische houding zie je soms ook in musea: het gebrek aan vertrouwen dat het publiek kan nuanceren, botsende ideeën naast elkaar kan laten bestaan en om kan gaan met moeilijke materie. Aan de andere kant zijn sommige van de beste documentaires over kunstenaars niet degenen die je in de bios ziet, maar juist films die gemaakt zijn voor oeuvre-tentoonstellingen. Daar werken die documentaires juist zo goed omdat ze de dialoog aangaan met de originele kunstwerken die daar ook te zien zijn.

Gelaagde documentaire

Mits goed uitgevoerd wordt zo’n origineel kunstwerk niet overschaduwd door een mythologisering van een kunstenaar.” Overigens behoort de documentaire over Christo ook tot deze meer gelaagde documentaires want “de film toont zeker ook de problematische kanten van Christo’s aanpak. En er is aandacht voor al het praktische werk dat komt kijken bij de uitvoering, en hoeveel mensen en  belangen er daarbij komen kijken, buiten de kunstenaar zelf.”

Dialoog tussen wetenschap en publiek

Kunstdocumentaires bieden de mogelijkheid voor kunsthistorici om de dialoog met een groter publiek op te zoeken

Troelenberg ziet ook de potentie van dit soort documentaires: “Ik denk ook dat documentaires over kunstenaars mogelijkheden bieden om andere perspectieven op kunst te bieden, complementair aan wat academische kunsthistorici of tentoonstellingen kunnen tonen. Iedere kunsthistoricus heeft wel eens het gevoel gehad dat ze iets lazen of zagen over kunst of kunstenaars in een populaire context en dit te gesimplificeerd of sensatiebelust vonden. Maar ook kunsthistorische geschiedschrijving is in wezen een vorm van het vertellen van een verhaal over kunst. We moeten dus in staat zijn om een medium als de kunstdocumentaire te begrijpen, en waar nodig te bekritiseren. En daarnaast biedt een medium als dit juist ook de mogelijkheid voor ons om de dialoog met een groter publiek op te zoeken.”

Kunst als collectieve samenwerking

Op de vraag hoe de ideale kunstdocumentaire er voor haar uitziet antwoordt Troelenberg: “Ik houd zelf erg van documentaires over instituten, zoals de documentaire die Frederick Wiseman maakte over de National Gallery in Londen, of Oeke Hoogendijks Het Nieuwe Rijksmuseum. Zelf zou ik graag een documentaire zien over de Biënnale in Venetië, gezien vanuit het oogpunt van de betrokkenen: van de beroemde kunstenaars tot de barista’s, van de administratieve medewerkers tot de tuinmannen en -vrouwen van de Giardini. Het tonen van zo’n collectieve samenwerking zorgt er ook meteen voor dat we veel van de hierboven beschreven problemen vermijden –  én we laten zien dat kunst juist zelden het resultaat is van het werk van een eenling.”

Eva-Maria Troelenberg

Prof. dr. Eva-Maria Troelenberg. Foto: Ed van Rijswijk
Prof. dr. Eva-Maria Troelenberg. Foto: Ed van Rijswijk

Troelenberg bekleedt de leerstoel voor Moderne en Hedendaagse Kunst aan het departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Op 26 juni 2019 houdt zij haar oratie als facultair hoogleraar Moderne en Hedendaagse Kunst. Haar oratie is getiteld Bridging the Gap”, or: how to become a Modernist.