Arnold Stokhof en Mel van Zantvliet

Student van toen en nu

De een, nu 77 jaar oud, begon zijn studie Diergeneeskunde in 1961 en stortte zich volop in het Utrechtse verenigingsleven. De ander, net 19 jaar, beleefde bijna zestig jaar later het eerste studiejaar vooral online vanuit huis, vanwege corona. Twee generaties diergeneeskundestudenten ontmoeten elkaar. 

Portret van student van toen en nu
Arnold Stokhof (links) en Mel van Zantvliet (rechts)

Student van toen: Arnold Stokhof, voor zijn pensionering dierenarts en universitair hoofddocent bij het departement Geneeskunde van Gezelschapsdieren van de faculteit Diergeneeskunde

Student van nu: Mel van Zantvliet, tweedejaarsstudent Diergeneeskunde

Het profiel van de diergeneeskundestudent ziet er tegenwoordig anders uit dan toen. Hoe was dat bij jullie?

Stokhof: ‘In mijn tijd was er geen numerus fixus en werd het imago van de studie vooral bepaald door landbouwhuisdieren. Dat trok veel jongens aan; van de 95 eerstejaars waren er een stuk of tien vrouw.’

Van Zantvliet: ‘Dat is tegenwoordig heel anders. Van de circa 220 toegelaten studenten is ongeveer 10% man en de meerderheid van de studenten is geïnteresseerd in gezelschapsdieren. Wel komt er steeds meer aandacht voor de rol die dierenartsen kunnen spelen als het gaat om een gezonde leefomgeving en het klimaat, dat vind ik heel positief.’

Stokhof: ‘Daar ben ik ook heel enthousiast over. Financieel-economische overwegingen zijn te vaak leidend en het zou mooi zijn als veterinaire expertise kan bijdragen aan beter overheidsbeleid. Maar dat is wel een flinke uitdaging.’

In mijn tijd was er geen numerus fixus en werd het imago van de studie vooral bepaald door landbouwhuisdieren

Arnold Stokhof, gepensioneerd dierenarts

Wat is jullie kijk op hoe onze omgang met dieren is veranderd sinds de jaren zestig?

Stokhof: ‘Tijdens mijn studie zag ik een ontwikkeling in de veehouderij naar grotere aantallen dieren per bedrijf en gelijktijdig een afname van de waarde van het dier als individu. De gevolgen voor de diergeneeskunde van landbouwhuisdieren waren navenant: de geneeskundige aspecten gingen minder zwaar wegen ten gunste van het grotere belang van de bedrijfsvoering. Die kanteling maakte het vak van dierenarts van landbouwhuisdieren voor mij minder aantrekkelijk. En mijn interesse ontwikkelde zich vooral richting geneeskunde van gezelschapsdieren. Steeds meer mensen namen in die tijd een huisdier en met de toenemende welvaart hadden ze ook veel voor hun hond of kat over.’

Van Zantvliet: ‘Ik vind het moeilijk te begrijpen dat mensen zó anders kijken naar verschillende soorten dieren: onze hond vertroetelen we, maar een koe eten we op. Het lijkt me best lastig om als dierenarts te zorgen voor het welzijn van het dier, terwijl de klant beslist over welke behandeling je mag doen. Ik zit pas in mijn tweede jaar, maar het valt me op dat er in de opleiding veel aandacht is voor de zakelijke kant van het vak. Wat mij ook interesseert, is de ethische en filosofische kant. In de leerlijn Dier, dierenarts en samenleving komt die invalshoek aan bod en kijken we met een heel andere blik naar de rol die je als dierenarts kunt hebben.’

Ik vind het moeilijk te begrijpen dat mensen zó anders kijken naar verschillende soorten dieren: onze hond vertroetelen we, maar een koe eten we op

Mel van Zantvliet, eerstejaarsstudent Diergeneeskunde

Arnold, welk advies zou je Mel als dierenarts in spe willen geven?

Stokhof: ‘Baseer je beslissingen op wetenschappelijke informatie. Ik vind het bemoedigend om te horen dat de corona-vaccinatiegraad onder studenten hoog is. Dat kan getuigen van hun vertrouwen in de wetenschap. Toch moet je de wetenschap ook weer niet overschatten; wetenschappelijke feiten zijn immers falsifieerbaar; er kan een tegenbewijs worden gevonden. En niet-wetenschappelijke ervaringen naast je studie zijn ook ontzettend leuk en belangrijk voor je ontwikkeling. Dat heb ik zelf onder meer ervaren als voormalig Peerdepiet. Ik hoop dat jij na dat lastige eerste jaar van online colleges en veel thuis zitten, nu echt kunt gaan genieten van je studietijd.’