Foucault


Michel


Foucault wordt met Lacan, Derrida en Lyotard gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in Franse filosofie die de antisubjectfilosofie genoemd wordt. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken ook wel identiteitsfilosofie genoemd. Genoemde filosofen zijn vooral tijdgenoten. Zij vormen geen actieve groep. De antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken. Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt volgens hen een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De mens die er prat opgaat, dat hij spreekt, is in feite horig aan de orde die de taal sticht. De verschillen tussen de hier genoemde filosofen spitsen zich vooral toe op een viertal aspecten: het samenvallen van de taal en het vertoog (Foucault), de plaats die het individuele spreken kent ten opzichte van de taal (Lacan), het verschil tussen spreken en schrijven (Derrida) en de kwestie van de pragmatiek van de verhalende kennis en de zelflegitimatie van de wetenschappelijke kennis (Lyotard).

Foucault is temidden van de Franse denkers één van de radicalen: hij ontkent alle eenheid en oorsprong, ook in de taal. Eenheid bestaat slechts door het verdoezelen van de verschillen. Foucault sluit met name aan bij de fundamentele kritiek die Nietzsche verwoordt op het waarheidsstreven van de mens. De idee dat mensen `beter' zijn omdat zij een `wil tot waarheid' bezitten, is een vorm van zelflegitimatie. In het idee verheft de mens zich boven zichzelf uit. Daarom is de wil tot waarheid in feite de wil tot macht. Foucault volgt Nietzsche in zijn kritiek op het humanisme dat hij als `universele machtsdrift' bestempelt: door zichzelf tot redelijk denkend wezen te verklaren, is de mens in staat om zijn medemens in gestichten op te sluiten. De `grote opsluiting' is het thema dat Foucault uitwerkt in zijn boek Folie et déraison. Histoire de la folie à l'âge classique. Het boek verschijnt in 1961 en beschrijft de huidige Westerse manier van denken en redeneren zoals deze in het spoor van de Verlichting is ontstaan. Het betreft de manier van denken die het idee van 'goed en kwaad' zoals de kerk dit hanteert, vervangt door `redelijke' begrippen als `maatschappelijk en onmaatschappelijk'. De tweedeling in de maatschappij is daarmee een feit. Als eenheid van analyse neemt Foucault het vertoog (`discours'). Een vertoog is het geheel aan redenaties waarmee een onderwerp in een bepaald perspectief wordt gezet. Het vertoog wordt gevormd door de geschreven of gesproken teksten rond een onderwerp. In een vertoog schuilt veel macht op het punt van het aanmerken van wat `normaal en abnormaal' genoemd wordt en het toewijzen van de machtsposities. Het voorbeeld van een vertoog dat Foucault in zijn latere werk beschrijft, is dat van de seksualiteit. De krachten die vertogen op hun plaats houden, worden door Foucault uitsluitingsmechanismen genoemd. Het idee van de uitsluitingsmechanismen vormt de vondst die het werk van Foucaultzo treffend maakt. Op deze manier toont Foucault de keerzijde van de eigenschappen die een cultuur pleegt te belonen. Het feit dat men deskundig is of recht van spreken heeft, is niet gebaseerd op eenheid van kennis, maar op de macht te bepalen wat kennis is. In de werkelijkheid krijgt kennis zijn waarde bepaald in het vertoog, maar het wordt voorgesteld alsof het subject als denkend wezen deze kennis heeft `ontdekt'. Zo eigent het subject zich een positie toe van uniciteit: in het subject komt zogenaamd alle denken en kennen samen.

In zijn rede L'ordre du discours van 1970 geeft Foucault een opsomming van de verschillende categorieën van uitsluitingsmechanismen en krijgt men een idee van de verleiding die van hen uitgaat. De eerste categorie betreft de externe mechanismen. Zij laten zich aanduiden met op het oog heel gewone namen zoals: het verbod (niet alles is bespreekbaar), de tegenstelling tussen rede en waanzin (het spreken van de gek is ongeldig), waar en onwaar (wij hebben een zintuig voor het onderscheid tussen waar en onwaar). Een tweede categorie wordt gevormd door de interne mechanismen: het commentaar, de auteur en de discipline. Zij hebben betrekking op het gebruik van de taal. De disciplinering van ideeën tot begrippen, die vervolgens door auteurs tot basis van het beschrijven van de werkelijkheid worden genomen en in het commentaar eindeloos worden herhaald, is de kern van de vertoning die wij wetenschap noemen. Als het subject tenslotte ook gaat uitmaken wie het recht van spreken heeft, tekent zich de derde categorie uitsluitingsmechanismen af: de vertooggemeenschap, het ritueel, de doctrine en de sociale toeëigening van het vertoog. De psychologie van de uitsluitingsmechanismen is dat zij het subject de waan der creativiteit toekennen. In feite zijn zij vereenvoudigingsmechanismen waarvan het resultaat een schepping wordt genoemd: door de werkelijke wereld te vertragen schept de mens zijn wereld.


Literatuur:

Costa, D. de. Sprekende stiltes. Kampen, Kok/Agora, 1989.
Foucault, M. L'ordre du discours. Paris, Gallimard, 1971. Vert. Foucault, M. De orde van het vertoog. Meppel, Boom, 1976.
Foucault, M. Folie et déraison. Histoire de la folie à l'âge classique. Paris, Gallimard, 1961. Vert. Foucault, M. De geschiedenis van de waanzin in de 17e en 18e eeuw. Meppel, Boom, 1975.
Kooistra, J. Denken is bedacht. Culemborg, Giordano Bruno, 1988.