Hoe werkt satire? Die vraag ligt aan de basis van het NWO-project The power of satire, cultural boundaries contested. Met als uitgangspunt de hypothese dat satire in staat is om bestaande (culturele en mediale) grenzen zowel te testen en bevragen als te stellen en consolideren, worden in dit project een aantal specifieke satirische casussen onderzocht vanuit het perspectief van hun publiekseffect. Mijn onderzoek betreft daarbij twee Nederlandse casussen uit de periode 1780-1800, een politiek turbulent tijdvak waarin de periodieke pers een sleutelrol vervulde. De twee casussen maken onderdeel uit van die periodieke pers.
Mijn eerste casus betreft de zogenaamde toverlantaarns en rarekieks. Dit zijn satirische pamfletten en tijdschriften die zijn geïnspireerd op het in de achttiende eeuw bekende fenomeen van de rondreizende toverlantaarnvertoning op kermissen en jaarmarkten. In de Patriottentijd (1781-87) worden de toverlantaarn- en rarekiekgeschriften gebruikt in de felle strijd tussen patriotten en prinsgezinden, waarbij het er doorgaans weinig subtiel aan toegaat, en de politieke tegenstander wordt uitgemaakt voor alles wat vuig en vies is.
Mijn tweede casus betreft het almanakachtige, geïllustreerde periodiek De Lantaarn, waarvan tussen 1792 en 1801 vijf edities verschenen. De auteur daarvan was de excentrieke, reislustige arts Pieter van Woensel, die in zijn blad de actuele politiek scherp en kritisch ondervroeg, en ongezouten commentaar leverde op de handel en wandel van zijn landgenoten, die op dat moment midden in de Bataafse Revolutie zaten en volop discussieerden over thema’s als volksinspraak en gelijkheid.
Ik probeer beide casussen, die zich via hun titel ‘inschrijven’ in de metaforische lijn van licht en Verlichting, te plaatsen binnen een bredere traditie van satire bedrijven. In het geval van de toverlantaarns gaat het dan om wat ik noem blamerende satire. De Lantaarn koppel ik aan een traditie van relativerende satire. Ik vraag me af hoe de twee casussen de genoemde tradities belichamen en tegelijk ook naar hun eigen hand zetten, en hoe op die manier een bepaald (geïntendeerd) publiekseffect ontstaat. Ik zet daarbij de twee casussen tegen elkaar af, maar zoek tevens naar raakvlakken. Zo hoop ik uiteindelijk een (deel)antwoord te bieden op de centrale vraag van het NWO-project – hoe werkt satire?